“Strafbaarheid van het bewezenverklaarde
(…)
Het hof heeft hiervoor overwogen dat in het midden wordt gelaten of [slachtoffer 1] een wapen bij zich had en/of in de auto als eerste een vuurwapen heeft getoond. Evenmin is afdoende komen vast te staan dat het slachtoffer moest worden achtervolgd om een weggenomen autosleutel af te nemen. Het hof heeft voorts overwogen dat op grond van de bewijsmiddelen vast is komen te staan dat op enig moment verdachte, [medeverdachte] en [slachtoffer 1] uit de auto waren. Op dat moment hadden verdachte en [medeverdachte] ieder een vuurwapen vast. [slachtoffer 1] is vervolgens weggelopen. Hij is achtervolgd door verdachte en [medeverdachte] die beiden bewapend waren. [medeverdachte] is op [slachtoffer 1] gesprongen en verdachte en [medeverdachte] hebben [slachtoffer 1] met een vuurwapen op zijn hoofd geslagen. Verdachte en [medeverdachte] hebben [slachtoffer 1] geschopt, terwijl hij op de grond lag. Verdachte heeft tweemaal op [slachtoffer 1] geschoten met 0 cm schootsafstand.
Deze vaststelling van de feitelijke gang van zaken kan naar het oordeel van het hof niet tot een andere conclusie leiden dan dat er geen sprake is geweest van een ogenblikkelijke en wederrechtelijke aanranding van de zijde van verdachte en er aldus geen sprake is geweest van een noodweersituatie. Het hof verwerpt derhalve het verweer op noodweer.
(…)
Strafbaarheid van de verdachte
(…)
Het feit dat naar het oordeel van het hof geen sprake is geweest van een noodweersituatie staat een beroep op noodweerexces in de weg. Daarom verwerpt het hof het beroep op noodweerexces.”
21. De feiten en omstandigheden zoals door het Hof vastgesteld sluiten naar het oordeel van het Hof een beroep op noodweer onderscheidenlijk noodweerexces uit, nu het heeft vastgesteld dat [slachtoffer 1] is achtervolgd door verzoeker en medeverdachte [medeverdachte] , dat [slachtoffer 1] in deze overtalsituatie van twee met vuurwapens gewapende personen tegen de grond is gewerkt, dat met een semi-automatisch vuurwapen tweemaal op hem is ingeschoten (met schootsafstand 0 cm) en dat [slachtoffer 1] in zijn bovenlichaam is geraakt. Dat oordeel is in het licht van het geringe dat de verdediging ter zake op de terechtzitting van het Hof naar voren heeft gebracht naar behoren gemotiveerd, waarbij ik tevens in aanmerking neem dat niet is kunnen worden vastgesteld, en ook niet aannemelijk is gemaakt, dat [slachtoffer 1] over een vuurwapen beschikte.
22. Het derde middel faalt eveneens.
23. Het vierde middel klaagt dat het Hof bij het aanhalen van de justitiële documentatie heeft gelet op eerdere veroordelingen die ten tijde van het begaan van het onderhavige delict nog niet onherroepelijk waren, zowel wat betreft de opgelegde straf voor de doodslag als voor het bepalen van de feiten die naar het oordeel van het Hof niet meer aan de orde waren (hierna verder: de ‘andere feiten’). Voorts zou de strafmotivering voor de ‘andere feiten’ niet voldoen aan het bepaalde in art. 359, vijfde en zesde lid, Sv. Ten slotte wordt geklaagd dat het Hof ten onrechte toepassing heeft gegeven aan art. 423, vierde lid, Sv.
24. Het bestreden arrest houdt voor zover voor de beoordeling van dit middel van belang in:
“Oplegging van straf en/of maatregel
De hierna te melden strafoplegging is in overeenstemming met de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, mede gelet op de persoon van verdachte, zoals van een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.
Het hof heeft bij de straftoemeting in het bijzonder in aanmerking genomen -en vindt daarin de redenen die tot de keuze van een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf van de hierna aan te geven duur leiden- het volgende.
De officier van justitie heeft in eerste aanleg gevorderd dat de verdachte ter zake van de bewezen verklaarde feiten wordt veroordeeld tot een levenslange gevangenisstraf.
De rechtbank Utrecht heeft de verdachte veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 30 jaren.
De advocaat-generaal heeft in hoger beroep geëist dat voor het geval het hof komt tot een vrijspraak voor het primair en subsidiair tenlastegelegde en tot een bewezenverklaring van het meer subsidiair tenlastegelegde, de verdachte ter zake van het onder 1 meer subsidiair bewezenverklaarde wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 17 jaren en zes maanden en ten aanzien van parketnr. 16-711030-08 onder 2 en parketnr. 16-711030-08 onder 1 primair bewezenverklaarde feiten een gevangenisstraf voor de duur van 2 jaren en zes maanden. Daarbij heeft de advocaat-generaal gewezen op de zeer ernstige en onherstelbare gevolgen voor de nabestaanden van [slachtoffer 1] , de omstandigheid dat verdachte slechts een aantal weken na de dood van [slachtoffer 1] heeft geprobeerd om samen met een ander een gewapende overval op een woning te plegen, dat verdachte lange tijd geen openheid van zaken heeft willen geven en dat verdachte slechts elf dagen voor de moord op [slachtoffer 1] is vrijgekomen na een gevangenisstraf van negen jaren voor - onder meer – een geweldsdelict met gebruikmaking van een vuurwapen, waarvan hij zes jaren heeft uitgezeten. Volgens de advocaat-generaal bestaat, nu de verdachte geen enkel inzicht heeft gegeven in zijn persoon en weigert mee te werken aan gedragsdeskundig onderzoek, een zodanige kans op herhaling dat terugkeer van de verdachte in de maatschappij onaanvaardbaar is.
De verdediging heeft aangevoerd dat het opleggen van een levenslange gevangenisstraf in strijd is met de artikelen 3 en 5 van het EVRM.
Volgens de verdediging zou moeten worden volstaan met een gevangenisstraf van ten hoogste 10 jaar en zou ten voordele van de verdachte moeten worden meegewogen dat de redelijke termijn is geschonden.
De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan doodslag, door op 13 januari 2008 te Utrecht samen met zijn mededader [slachtoffer 1] met een schot dood te schieten.
Alhoewel er verschillende mogelijke achterliggende scenario's de revue zijn gepasseerd (een conflict in verband met een mislukte drugs- of juist een ripdeal), is tijdens het onderzoek op de zitting niet duidelijk geworden wat nu het precieze motief voor dit schietincident is geweest.
Doodslag is een misdrijf dat algemeen wordt beschouwd als één van de ernstigste strafbare feiten uit het Wetboek van Strafrecht, nu het opzettelijk ontnemen van iemands leven een onomkeerbare aantasting van het hoogste rechtsgoed, het recht op leven, is.
Dit feit maakt daarmee een diepe deuk in de rechtsorde.
De verdachte heeft de familieleden van het slachtoffer groot leed aangedaan.
Zijn verlies, de pijn en het verdriet over zijn gewelddadige dood zullen zij allen de rest van hun leven met zich moeten dragen.
Ook in de maatschappij leveren dergelijke feiten veel angst en onrust op.
Meerdere mensen die zich op 13 januari 2008 in de buurt van het incident bevonden zijn immers ongewild getuige geweest van het incident en weten dat daarbij iemand het leven heeft verloren. Zij hebben ofwel verdachte zien schieten ofwel de afgevuurde schoten gehoord. De ervaring leert dat getuigen hiervan nog langdurig psychische schade kunnen ondervinden.
Blijkens het op zijn naam gestelde Uittreksel Justitiële Documentatie d.d. 26 maart 2014 is de verdachte al eerder veroordeeld voor gewelddadige diefstallen en wapenbezit. Het hof neemt daarbij in het bijzonder in aanmerking dat verdachte toen hij [slachtoffer 1] om het leven bracht nog maar elf dagen op vrije voeten was, nadat hij wegens berovingen met gebruikmaking van een vuurwapen was veroordeeld tot een gevangenisstraf van negen jaren en daarvan zes jaren had uitgezeten. Bovendien heeft de verdachte kort nadat hij [slachtoffer 1] om het leven had gebracht, geprobeerd om een gewapende overval te plegen.
Ook is acht geslagen op de inhoud van de omtrent de persoon van verdachte opgemaakte PBC-rapportage.
Gelet op de ernst van het bewezen verklaarde in de verhouding tot andere strafbare feiten, zoals onder meer tot uitdrukking komt in het hierop gestelde wettelijk strafmaximum van 15 jaar en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd, kan, ondanks het tijdverloop, niet worden volstaan met een andere of lichtere sanctie dan een gevangenisstraf voor de duur van veertien jaren.
Alles afwegende acht het hof na te melden gevangenisstraf dan ook passend en geboden.
(…)
Bepaling van de hoofdstraf op grond van het bepaalde in art. 423, vierde lid, Sv
Nu het vonnis waarvan beroep gedeeltelijk wordt vernietigd en daarbij één hoofdstraf werd opgelegd bij samenloop van meerdere misdrijven, moet het hof op grond van het bepaalde in artikel 423, vierde lid, van het Wetboek van Strafvordering, opnieuw de hoofdstraf bepalen voor de bij dat vonnis onder parketnr. 16-71 1030-08 onder 2 en onder parketnr. 16-600905-08 onder 1 primair bewezenverklaarde.
De hierna te melden straf is bepaald in overeenstemming met de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, mede gelet op de persoon van verdachte, zoals van een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.
Verdachte heeft zich, ondanks dat hij al eerder ter zake van al dan niet gewelddadige vermogensdelicten en wapenbezit tot straf is veroordeeld, wederom schuldig gemaakt aan soortgelijke feiten, op grond waarvan het hof een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van na te melden duur passend en geboden acht.”
25. Om met de splitsing van de hoofdstraffen op grond van art. 423, vierde lid, Sv te beginnen. Deze bepaling luidt:
"Indien bij samenloop van meerdere feiten ééne hoofdstraf is uitgesproken en het hooger beroep slechts ingesteld is ten aanzien van een of meer dier feiten, wordt, in geval van vernietiging ten aanzien van de straf, bij het arrest de straf voor het andere feit of de andere feiten bepaald."
26. Het Hof heeft, gelet op het vonnis van de rechtbank, aanleiding gezien art. 423, vierde lid, Sv toe te passen. Aanvankelijk had het Hof, in zijn uitspraak van 31 mei 2012, een deel van de zaak van het hoger beroep uitgesloten omdat verzoeker van een deel van de tenlastelegging was vrijgesproken en voor de feiten één hoofdstraf was uitgesproken. In de bestreden uitspraak heeft het Hof kennelijk bedacht dat het vonnis, waarvan beroep, gedeeltelijk moet worden vernietigd en dat gelet op art. 423, vierde lid, Sv de straf ten aanzien van de ‘andere feiten’ opnieuw moet worden bepaald. Dat is echter een misvatting. Zie de volgende overwegingen van de Hoge Raad in zijn arrest van 20 maart 2012, ECLI:NL:HR:2012:BV3455:
“3.3. In HR 27 januari 2004, LJN AN8240, NJ 2005/54 is geoordeeld dat ingeval bij de uitspraak in hoogste feitelijke aanleg ter zake van meerdere feiten één hoofdstraf is opgelegd, het cassatieberoep tot één of meer van die feiten is beperkt en de Hoge Raad de bestreden uitspraak wat betreft de strafoplegging vernietigt, de rechter naar wie de zaak wordt teruggewezen of verwezen - naar analogie van art. 423, vierde lid, Sv - de straf zal dienen te bepalen voor de feiten die niet aan het oordeel van de Hoge Raad waren onderworpen.
Ingevolge art. 429 Sv kan het cassatieberoep worden ingesteld tegen een gedeelte van 's Hofs arrest. Die beperking van het beroep dient tot uitdrukking te worden gebracht in de cassatieakte en niet in de cassatieschriftuur.
In aanmerking genomen dat de akte die is opgemaakt bij het instellen van het cassatieberoep tegen het arrest van het Hof van 8 oktober 2008, generlei beperking van het beroep inhoudt, terwijl het arrest waarbij de zaak is teruggewezen naar het Hof ook niets inhoudt omtrent een beperkte uitleg die door de Hoge Raad is gegeven aan het ingestelde beroep, heeft het Hof, dat was gebonden aan de door de Hoge Raad gegeven beslissing, terecht art. 423, vierde lid, Sv niet - ook niet naar analogie - toegepast. Naar uit het vorenoverwogene volgt, doet daaraan niet af dat in de eerste cassatieschriftuur uitsluitend werd geklaagd over de beslissingen van het Hof ten aanzien van het onder 3 tenlastegelegde.”
27. Hoewel het Hof alleen ten aanzien van feit 1 de zaak opnieuw heeft moeten beoordelen, hoefde het wat de strafoplegging betreft de gevangenisstraffen niet opeens te splitsen. Het Hof had hier gewoon één gevangenisstraf kunnen en moeten opleggen. Voor zover het middel daarover klaagt, is het terecht voorgesteld. Daarmee zeg ik niet dat het in zoverre tot cassatie heeft te leiden. Ik kom hier aanstonds op terug en vervolg eerst met de klacht over de justitiële documentatie.
28. Het Uittreksel Justitiële Documentatie waarnaar het Hof verwijst, dateert van 26 maart 2014. Daarop staan onder het hoofd “Volledig afgedane zaken betreffende misdrijven” een op 30 juni 2001 gepleegde afpersing door twee of meer verenigde personen, een op 4 juni 2001 gepleegde poging tot doodslag, een op 7 februari 2003 gepleegde poging tot gekwalificeerde doodslag en “overige”, waarvoor verzoeker is veroordeeld tot negen jaren gevangenisstraf. Deze straf is blijkens het Uittreksel op 22 februari 2003 onherroepelijk geworden. Op deze straf heeft het Hof in zijn strafmotivering gedoeld. Het vonnis van de rechtbank van 28 april 2010, het vernietigde arrest van het Hof van 31 mei 2012 en de bestreden uitspraak vermelden omtrent die onherroepelijke veroordeling dat gebruik is gemaakt van een vuurwapen, waaraan in het vonnis is toegevoegd dat een slachtoffer daarbij zeer ernstig gewond raakte.
29. Voor zover het middel klaagt over de verwijzing naar de justitiële documentatie in ’s Hofs strafmotivering aangaande de doodslag en bij het bepalen van de straf voor de ‘andere feiten’, is het derhalve tevergeefs voorgesteld.
30. Dan de gestelde schending van art. 359, vijfde en zesde lid, Sv bij het bepalen van de gevangenisstraf voor de ‘andere feiten’. Zoals ik hiervoor heb geconcludeerd, heeft het Hof ten onrechte de hoofdstraffen gesplitst. Ik geef Uw Raad in overweging de bestreden uitspraak verbeterd te lezen, in dier voege dat voor alle feiten één straf wordt opgelegd, te weten een gevangenisstraf voor de duur van achttien (veertien plus vier) jaren. Ik zie geen enkele reden om aan te nemen dat - zou het Hof (wel) één hoofdstraf voor alle feiten hebben opgelegd – de hoogte van de gevangenisstraf anders dan achttien jaren was uitgevallen.
31. Tot cassatie hoeft de klacht over de splitsing van straffen dan niet te leiden, terwijl de klacht dat bij het bepalen van de straffen voor de ‘andere feiten’ art. 359, vijfde en zesde lid, Sv is geschonden, verder buiten bespreking kan blijven.
Het middel voorgesteld namens de benadeelde partij.
32. Het middel klaagt dat het Hof ten onrechte de aanvullende kosten van de rechtsbijstand buiten beschouwing heeft gelaten.
33. Het Hof heeft de vordering van de benadeelde partij toegewezen, en verzoeker in dat verband onder meer verwezen “in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten”. Het Hof heeft met betrekking daartoe op grond van art. 592a Sv terecht een aparte beslissing gegeven, nu het hier geen rechtstreekse schade betreft. Over de gemaakte en nog te maken kosten vallen de kosten voor de rechtsbijstand, die in het onderhavige geval kunnen gelden als “proceskosten” en bestaan uit gemaakte kosten die niet door de zorgverzekeraar zijn vergoed (de eigen bijdrage, een bedrag van in totaal € 220,00). Vergoeding van die kosten is mogelijk op grond van art 6:96, tweede lid, BW. Dat het Hof die kosten tot aan de datum van de uitspraak heeft begroot op nihil, kan daaraan niet afdoen.
34. Het namens de benadeelde partij voorgestelde middel faalt bij gebrek aan feitelijke grondslag, nu het Hof de opgevoerde kosten rechtsbijstand niet buiten beschouwing heeft gelaten.
Slotsom
35. Het eerste, het tweede, het derde middel en voor een deel het vierde middel namens verzoeker voorgesteld, kunnen mijns inziens worden afgedaan met de aan art. 81, eerste lid, RO ontleende motivering. Het vierde middel is ten dele terecht voorgesteld, maar hoeft niet tot cassatie te leiden. Het namens de benadeelde partij voorgestelde middel faalt en kan eveneens met de aan art. 81, eerste lid, RO ontleende motivering worden afgedaan.
36. Gronden waarop de Hoge Raad gebruik zou moeten maken van zijn bevoegdheid de bestreden uitspraak ambtshalve te vernietigen, heb ik niet aangetroffen.
37. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG