“De raadsman heeft aangevoerd:
Het openbaar ministerie heeft opgemerkt dat de herkomst van een bedrag van € 1.600.000,- is verhuld, maar er is geen enkele sprake van een verhullingsaktie. Dit geldbedrag was afkomstig van Rijkswaterstaat. Mijn Cliënt heeft met de belastingdienst gesproken over het bedrag dat afkomstig was van Rijkswaterstaat en over de Zweedse Stichting. Ik leg hierbij stukken van de belastingdienst over betreffende de bezwaarprocedure familie [van klager] van 21 februari 2011 waaruit blijkt dat mijn cliënt open kaart heeft gespeeld. In de machtiging conservatoir beslag van de rechter-commissaris wordt een bedrag van € 22.500,- genoemd. Er ligt beslag op onroerend goed met een WOZ-waarde van € 800.000,-- en ik acht het beslag op de in de klaagschriften genoemde goederen en het genoemde geldbedrag, niet proportioneel.
(…)
Ik verzoek de rechtbank om alles terug te geven aan mijn cliënt.”
De officier van justitie:
In 2008 is de woning verkocht aan de Zweedse Stichting, maar er is sprake van een nieuwe lening. Het gaat hier niet om het bedrag dat is verkregen van Rijkswaterstaat. De echtheid van de leningen aan de Zweedse Stichting staat ter discussie. Alle in beslag genomen goederen horen bij elkaar en het is de vraag of deze goederen aantoonbaar van klager zijn. Klager geeft zelf aan dat een deel van het geld van zijn moeder is, maar dat blijkt nergens uit. Ik persisteer bij de adviezen van het openbaar ministerie van 26 maart 2013 en 27 maart 2013.
De raadsman
Er is geen sprake van witwassen en ik kan uit de stukken niet concluderen dat mijn cliënt een bedrag van € 1.700.000,-- moet gaan betalen. Het valt mij op dat het openbaar ministerie twijfel blijft zaaien omtrent de herkomst van de gelden die van Rijkswaterstaat zijn verkregen.
Klager:
Ik heb van Rijkswaterstaat een schadeloosstelling gekregen betreffende een woning die in 1985 is gekocht en ik heb het gevoel dat die schadeloosstelling leidt tot de verdenking van witwassen. De overheid maakt fouten. Er staan onjuiste data in het advies van het openbaar ministerie en de door het openbaar ministerie verstrekte stukken zijn niet compleet.
(…)
Op het pand aan de [a-straat 1] is conservatoir beslag gelegd.”
De Rechtbank heeft, als gezegd, het beklag gegrond verklaard. Daartoe werd – voor zover het betreft het beklag tegen het inbeslaggenomen geldbedrag - het volgende overwogen:
“De rechtbank geeft ten aanzien van het inbeslaggenomen geldbedrag aan dat de vraag die de rechtbank dient te beantwoorden is of zich het geval voordoet dat het hoogst onwaarschijnlijk is dat de strafrechter, later oordelend, aan verdachte een verplichting tot betaling van een geldboete dan wel verplichting tot betaling van een geldbedrag ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel zal opleggen. De vraag of het buiten redelijke twijfel is dat klager eigenaar is van het geldbedrag is, nu klager de beslagene is, niet aan de orde. Uit de stukken en het verhandelde in raadkamer is naar het oordeel van de rechtbank gebleken dat klager wordt verdacht van het witwassen van gelden die van misdrijf afkomstig zijn. Klager zou deze gelden onder andere hebben geïnvesteerd in de aankoop van onroerend goed. Gelet hierop is de rechtbank van oordeel dat het niet hoogst onwaarschijnlijk is dat de strafrechter aan verdachte een verplichting tot betaling van een geldboete dan wel verplichting tot betaling van een geldbedrag ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel zal opleggen. De rechtbank is echter van mening dat het recht van verhaal voldoende wordt gewaarborgd door het beslag dat is gelegd op panden van klager en acht voortzetting van het beslag op voornoemd geldbedrag niet noodzakelijk voor voordeelsontneming. De rechtbank zal het klaagschrift ten aanzien van het geldbedrag eveneens gegrond verklaren en teruggave gelasten van voornoemd geldbedrag.”
Bij de beoordeling van een klaagschrift gericht tegen een beslag als bedoeld in art. 94a Sv dient de rechter te onderzoeken of er ten tijde van zijn beslissing sprake was van een verdenking of veroordeling wegens een misdrijf waarvoor een geldboete van de vijfde categorie kan worden opgelegd en of zich niet het geval voordoet dat het hoogst onwaarschijnlijk is dat de strafrechter, later oordelend, aan de verdachte een verplichting tot betaling van een geldboete dan wel de verplichting tot betaling van een geldbedrag ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel zal opleggen. De Rechtbank heeft deze maatstaf niet miskend. Daarover klaagt het middel dan ook terecht niet. De in dit soort zaken aan te leggen maatstaf vergt volgens de Hoge Raad niet een onderzoek naar de proportionaliteit tussen de waarde van de inbeslaggenomen voorwerpen en de hoogte van de eventueel op te leggen geldboete of van het te ontnemen bedrag. Wel kunnen de omstandigheden van het geval meebrengen dat de beklagrechter er in de motivering van zijn beslissing blijk van dient te geven een dergelijk onderzoek te hebben verricht, aldus de Hoge Raad.
In de onderhavige zaak heeft de Rechtbank dit verdergaande onderzoek verricht. Het middel klaagt – terecht - niet over het feit dát de Rechtbank heeft getoetst of het beslag op het geldbedrag proportioneel was, want daartoe gaf de discussie zoals die tijdens de raadkamerbehandeling is gevoerd zonder meer aanleiding, maar het middel klaagt wel over de uitkomst van het door de Rechtbank verrichte onderzoek naar de proportionaliteit tussen de waarde van de inbeslaggenomen voorwerpen en de hoogte van het eventueel te ontnemen bedrag.
In de cassatieschriftuur wordt verwezen naar “de stukken van het geding” waaruit zou blijken dat klager door middel van witwassen een wederrechtelijk voordeel heeft verkregen dat voorshands wordt geschat op € 1.712.100,-; dat de waarde van de voorwerpen waarop eerder ex art. 94 Sv beslag was gelegd – waaronder het onderhavige geldbedrag – wordt geschat op € 22.500,- en dat de belastingdienst beslag heeft gelegd op een bedrag van € 1.049.600,-. Verder wordt in de schriftuur vermeld dat de rechter-commissaris op 23 mei 2012 een machtiging heeft verleend tot het handhaven van het beslag op (onder meer) het geldbedrag als conservatoir beslag tot een maximum bedrag van € 22.500,-. Nu is het punt dat deze bedragen niet uit het dossier – zoals dat naar de Hoge Raad is gezonden – blijken. In het dossier zit wel een “Advies OM inzake verzoek ex art. 552a Sv” d.d. 27 maart 2013 dat - naar ik aanneem - op de voet van art. 23, vierde lid, Sv aan de raadkamer is overgelegd. In dat advies wordt verwezen naar vijf bijlagen. Deze bijlagen zijn echter, op de eerste bijlage na, niet aan het advies gehecht. Uit het proces-verbaal van de raadkamerbehandeling blijkt dat de officier van justitie tijdens die behandeling heeft gerefereerd aan dit “Advies OM”, zonder verder overigens een concreet bedrag te noemen in het kader van het geschatte wederrechtelijk verkregen voordeel. Wel sprak de raadsman van klager tijdens de raadkamerbehandeling over bedragen van respectievelijk € 1.600.000,- en €1.700.000,- die door klager betaald zouden moeten worden in het kader van de witwasbeschuldiging. Ook refereerde hij aan een bedrag van € 22.500,- dat door de rechter-commissaris in de verleende machtiging conservatoir beslag was vermeld.
Ik heb gemeend dat er bij de geschetste stand van zaken onvoldoende reden is om bij de Rechtbank navraag te doen naar de ontbrekende stukken. Dit omdat een beklagrechter die oordeelt dat het gelegde conservatoir beslag disproportioneel is, gehouden is dat oordeel zodanig te motiveren dat inzicht wordt verschaft in de gedachtegang die daaraan ten grondslag ligt. Dat zal als regel betekenen dat de beklagrechter zich dient uit te laten over de hoogte van het geschatte wederrechtelijk verkregen voordeel en over de (totale) waarde van de voorwerpen waarop conservatoir beslag is gelegd. Aan die eis van inzichtelijkheid voldoet de motivering in casu niet. De Rechtbank heeft enkel overwogen “dat het recht van verhaal voldoende wordt gewaarborgd door het beslag dat is gelegd op panden van klager” en dat de voortzetting van het beslag op het geldbedrag niet noodzakelijk is voor voordeelsontneming. Uit deze overweging blijkt niet dat de Rechtbank de door de raadsman van klager tijdens de raadkamerbehandeling gemaakte opmerking dat er beslag op onroerend goed ligt met een WOZ-waarde van € 800.000,- voor juist heeft gehouden, laat staan dat de Rechtbank aannemelijk heeft geoordeeld dat de desbetreffende panden het genoemde bedrag bij (executoriale) verkoop zullen opbrengen en dat dit bedrag in zijn geheel voor uitwinning beschikbaar zal zijn. Voorts blijkt uit de motivering van de Rechtbank niet of zij het oordeel is toegedaan dat het wederrechtelijk verkregen voordeel door het openbaar ministerie op een aanmerkelijk lager bedrag is geschat dan de vermoedelijke opbrengst van het onroerend goed dan wel of zij heeft geoordeeld dat het hoogst onwaarschijnlijk is dat de later oordelende rechter de klager een betalingsverplichting zal opleggen tot een bedrag dat in de buurt komt van die vermoedelijke opbrengst. Onduidelijk is voorts of het door de raadsman van klager genoemde bedrag van € 22.500,- dat in de door de rechter-commissaris verleende machtiging zou zijn genoemd, in de gedachtegang van de Rechtbank een rol heeft gespeeld. Terecht wordt in de cassatieschriftuur opgemerkt dat dit bedrag niet leidend is, in die zin dat beslaglegging tot een hoger bedrag niet zou zijn toegestaan. Het zou kunnen dat de Rechtbank dit heeft miskend.
Het middel slaagt derhalve.
5. Gronden waarop de Hoge Raad gebruik zou moeten maken van zijn bevoegdheid de bestreden beschikking ambtshalve te vernietigen, heb ik niet aangetroffen.
6. Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden beschikking voor zover die betrekking heeft op het inbeslaggenomen geldbedrag en in zoverre tot zodanige beslissing met betrekking tot terug- of verwijzen als de Hoge Raad gepast zal voorkomen en tot verwerping van het beroep voor het overige.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden,
AG