“Feiten en omstandigheden
Uit de aangifte en het proces-verbaal van uitwerking van de videobeelden volgt dat op 6 oktober 2010 twee mannen de shop van benzinestation [A] kwamen binnenrennen. De eerste man had een capuchon op en bleek een mes bij zich te hebben, de tweede man droeg een bivakmuts en had een kleine bijl in zijn hand. De aanwezige medewerkster werd bij haar armen gepakt. Er werd "geld, geld" geroepen. De medewerkster voelde een scherp voorwerp in haar rug prikken en werd door één van de mannen richting de kassa geduwd. De mannen gaan er met de inhoud van de kassa vandoor. De ene jongen had een horizontaal gestreept vest met blauwgrijs en/of wittinten aan en de ander een donkerblauw sweatshirt met op de voorzijde een lichtgekleurde opdruk en een zwarte bivakmuts over zijn hoofd.
Een getuige heeft de overvallers de shop uit zien rennen en linksaf in de richting van het spoor. Twee getuigen zagen tussen 21:00 en 22:00 uur twee verdachte personen tussen de struiken op het terrein van OCK Het Spalier die donker gekleed waren en capuchons droegen. De twee personen vluchtten toen zij werden gezien. De ene jongen droeg een vest met witte en grijze horizontale strepen en de ander een donker vest met op zijn borst een lichtgekleurd logo. Op 7 oktober 2010 werd onder andere een donkerblauwe sweater met witte opdruk en een zwarte bivakmuts gevonden. Uit onderzoek door het NFI is gebleken dat het DNA dat is aangetroffen op de bivakmuts matcht met het DNA van de verdachte.
De verdachte maakte gebruik van de telefoonnummers 06-81702055 en 06-[002]. Uit telecomonderzoek is gebleken dat de telefoon van de verdachte op 6 oktober 2010 op meerdere tijdstippen rond 17:00 uur twee zendmasten in de buurt van het benzinestation aanstraalde. De verdachte heeft bij de politie verklaard dat hij nooit in Santpoort komt en dat hij zijn telefoon altijd bij zich heeft en nooit uitleent.”
10. Voorts heeft het Hof de gevoerde verweren als volgt samengevat en verworpen en het daaraan gekoppelde verzoek om nader onderzoek afgewezen:
“Gevoerde verweren
De raadsman heeft aangevoerd dat er een discrepantie is in het NFI-rapport tussen enerzijds de conclusie op dossierpagina 80 van het dossier waarin staat dat het DNA afkomstig kán zijn van de verdachte en de conclusie zoals aangegeven op dossierpagina 82 van het dossier waar wordt gesproken over een vrijwel zekere afkomst.
Voorts heeft de raadsman aangevoerd dat het feit dat de zendmast die is aangestraald om drie redenen onjuiste informatie kan verschaffen over de vermeende locatie van verdachte. Ten eerste kan het zijn dat verdachte op het voetbalveld stond, ten tweede kan de verdachte thuis zijn geweest en ten derde kan het signaal van een andere zendmast wegens onderhoud of overbelasting zijn doorgezonden naar de aangestraalde zendmast. Daarnaast is een dergelijke bijl overal te koop.
De raadsman heeft vervolgens ter terechtzitting in hoger beroep verzocht nader onderzoek te doen naar het aanstralen van de zendmast door de mobiele telefoon van de verdachte, naar de bijl en hij heeft verzocht een deskundige van het NFI te horen in verband met de door de verdediging veronderstelde discrepantie in het NFI-rapport.
Het hof overweegt als volgt.
Met betrekking tot de veronderstelde discrepantie in het NFI-rapport overweegt het hof dat dit verzoek feitelijke grondslag mist. In de betreffende NFI-rapportage staat op dossierpagina 80 van het dossier dat het DNA in het sporenmateriaal afkomstig kan zijn van verdachte. De berekende frequentie van het DNA-profiel van het sporenmateriaal, ofwel de kans dat het DNA-profiel van een willekeurig gekozen persoon matcht met dit DNA-profiel, wordt voor het vermelde spoor verwezen naar de bijlage. In de bijlage op dossierpagina 82 staat de matchkans van dit DNA-profiel kleiner is dan één op één miljard.
Gezien deze weergave in de NFl-rapportage is het hof van oordeel dat er geen discrepantie is en dat het verzoek van de raadsman voor het horen van een deskundige van het NFI feitelijke grondslag mist. Ook voorts is de noodzaak hiertoe niet gebleken.
Wat betreft de mogelijkheid dat verdachte zich op het voetbalveld bevond, overweegt het hof dat dit niet aannemelijk is gelet op de verklaringen van getuigen dat vriendschappelijke wedstrijden meestal om 19:30 uur aanvangen en de zendmasten op meerdere tijdstippen rond 17:00 uur aangestraald werden. De toenmalige trainer en de toenmalige teammanager hebben voorts verklaard dat er op de avond van die wedstrijd een Champions League wedstrijd werd gespeeld tussen Barcelona en een andere ploeg. Uit onderzoek is gebleken dat in oktober 2010 alleen op 19 en 20 oktober Champions League-wedstrijden zijn gespeeld en dat Barcelona op 20 oktober heeft gespeeld. Dat verdachte thuis geweest zou zijn op het moment dat de zendmasten aangestraald werden, is ongeloofwaardig. Uit onderzoek is gebleken dat de betreffende zendmasten in de periode van 17 september 2010 tot 6 juni 2011 alléén op 6 oktober 2010, de dag van de overval op het benzinestation, zijn aangestraald door de telefoon van verdachte. Voor het overige is het verzoek onvoldoende onderbouwd. Dit geldt eveneens voor het verzoek tot onderzoek van de bijl. Het hof wijst de verzoeken af nu de noodzaak daartoe niet is gebleken.”
11. Het Hof heeft uit de gebezigde bewijsmiddelen kunnen afleiden dat verzoeker een van de overvallers was. Hetgeen door en namens verzoeker op de terechtzitting van het Hof van 17 januari 2013 is aangevoerd in het kader van de bewijsvraag is door het Hof besproken, en verworpen. Daarbij merk ik nog op dat verscheidene feiten die in de toelichting op het middel worden genoemd, niet eerder op de terechtzitting in hoger beroep van het Hof zo expliciet naar voren zijn gebracht. Ik wijs bijvoorbeeld op de stelling dat het niet denkbeeldig is dat “de echte daders” celmateriaal van verzoeker op de aangetroffen kledingstukken hebben aangebracht. Wat betreft het aanstralen van de bedoelde zendmasten zijn niet zozeer de tijdstippen relevant, maar is ’s Hofs feitelijke vaststelling van betekenis dat in de onderzochte periode deze zendmasten enkel op de dag van de overval (6 oktober 2010) zijn aangestraald door de telefoon van verzoeker.
12. Het middel faalt.
13. Het derde middel klaagt dat het Hof de directe uitvoerbaarheid van de bijzondere voorwaarde heeft bevolen zonder dat uit het arrest blijkt dat is voldaan aan de voorwaarden voor een dergelijk bevel.
14. Art. 77za, eerste lid, Sr luidt:
“De rechter kan bij zijn uitspraak, ambtshalve of op vordering van het openbaar ministerie, bevelen dat de op grond van artikel 77z gestelde voorwaarden, de op grond van artikel 77aa, tweede en derde lid, te verlenen hulp en steun dan wel het op grond van artikel 77aa, vierde lid, uit te oefenen toezicht, dadelijk uitvoerbaar zijn, indien er ernstig rekening mee moet worden gehouden dat de veroordeelde wederom een misdrijf zal begaan dat gericht is tegen of gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer personen.”
15. Het Hof heeft ten aanzien van de op te leggen straf het volgende overwogen:
“(…)
De verdachte heeft zich samen met een ander schuldig gemaakt aan de overval op een benzinestation.
Daarbij hebben zij gebruik gemaakt van een mes en een bijl. Hierbij is de medewerkster van het benzinestation in haar been gestoken. Door te handelen als bewezen verklaard heeft de verdachte inbreuk gemaakt op de persoonlijke integriteit van het slachtoffer en getoond geen respect te hebben voor andermans eigendom. Hij heeft daarbij geen rekening gehouden met het feit dat zijn handelen voor het slachtoffer zeer beangstigend moet zijn geweest. De ervaring leert dat dergelijke delicten doorgaans nog geruime tijd nadien gevoelens van onveiligheid bij het slachtoffer met zich meebrengen. Naast de gevolgen voor het slachtoffer, veroorzaken feiten als het onderhavige onrust in de samenleving en versterken ze gevoelens van onveiligheid. Het hof rekent het de verdachte voorts aan dat hij geen openheid van zaken heeft gegeven omtrent zijn aandeel.
Daarnaast heeft de verdachte hennep verkocht aan een derde. Het gebruik van hennep kan schadelijke gevolgen met zich meebrengen voor gebruikers.
Voorts heeft het hof acht geslagen op het advies van de Raad voor de Kinderbescherming ten behoeve van de voorgeleiding van 12 januari 2012, het psychologisch onderzoek pro justitia van 16 maart 2012, het multidisciplinair onderzoek pro justitia van 14 september 2012 en de brief van 29 oktober van [betrokkene 1], behandelcoördinator binnen Amsterbaken waaruit naar voren komt dat de verdachte behoefte heeft aan begeleiding.
Blijkens een hem betreffend Uittreksel Justitiële Documentatie van 11 maart 2013 is de verdachte eerder veroordeeld.
Het hof acht, alles afwegende, mede gelet op de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan, een jeugddetentie van na te melden duur passend en geboden.”
16. Verzoeker, op de dag van de overval zestien jaar oud, heeft volgens het Hof zich samen met een medeverdachte schuldig gemaakt aan een gewapende overval. In de motivering van de strafoplegging heeft het Hof nadrukkelijk gelet op:
- de ernst van dit feit;
- de omstandigheden waaronder dit feit is begaan;
- de persoon van verzoeker, waaronder zijn jeugdige leeftijd tempore delicti uiteraard is begrepen, zoals blijkend uit de rapportages en het verhandelde ter terechtzitting in hoger beroep waaruit naar voren komt dat verzoeker “behoefte heeft aan begeleiding”;
- het Uittreksel Justitiële Documentatie waaruit blijkt dat verzoeker eerder is veroordeeld.
17. Op grond van dit één en ander heeft het Hof kennelijk en niet onbegrijpelijk gevreesd voor recidivegevaar. Ik lees de strafmotivering van het Hof aldus dat onmiddellijke hulp- en steunverlening aan verzoeker geboden is. Ik meen dan ook dat de klacht, dat het Hof niet heeft voldaan aan de in artikel 77za, eerste lid, Sr omschreven voorwaarden, doel mist nu de desbetreffende vereisten voldoende duidelijk besloten liggen in de strafmotivering van het Hof.
18. Voor zover in de toelichting op het middel nog wordt geklaagd dat verzoeker niet duidelijk is gemaakt wanneer de proeftijd in het onderhavige verband is gaan lopen, zal ik trachten hem daarover enige helderheid te geven. Dadelijk uitvoerbaar van de bijzondere voorwaarde als bedoeld in de bestreden uitspraak betekent eenvoudig: vanaf het moment dat de rechterlijke uitspraak is gedaan. In het dictum doelt het Hof met “gedurende de volledige proeftijd” dus onmiskenbaar op dat aanvangsmoment. Het stellen van een dergelijke bijzondere voorwaarde is blijkens de wetsgeschiedenis bedoeld om te voorkomen dat de veroordeelde zich door het instellen van hoger beroep of beroep in cassatie kan onttrekken aan justitieel toezicht. Deze proeftijd wijkt om die reden af van de proeftijd van twee jaren die aan de algemene voorwaarden is gekoppeld. Daaruit vloeit vanzelfsprekend voort dat het zich in een geval als het onderhavige niet houden aan een bijzondere voorwaarde strafrechtelijke consequenties met zich kan dragen. Overigens attendeer ik erop dat de Rechtbank Haarlem al in haar vonnis heeft bepaald dat de door haar opgelegde bijzondere voorwaarden dadelijk uitvoerbaar zijn. Reeds gedurende de tijd na het wijzen van dit vonnis was verzoeker dus al gehouden zich aan deze bijzondere voorwaarden te houden.
19. Waarom en hoe het bevel van het Hof tot dadelijke uitvoerbaarheid van de bijzondere voorwaarde aan het instellen van cassatie in de weg zou staan, vermag ik niet in te zien. Het door de steller van het middel ingeroepen art. 77y Sr maakt dit niet anders.
20. Het middel faalt.
21. Het vierde middel klaagt over de overschrijding van de redelijke termijn. Tegen het arrest van het Hof is op 18 april 2013 beroep in cassatie ingesteld. Gezien een op de stukken geplaatste stempel zijn de stukken bij de griffie van de Hoge Raad binnengekomen op 13 februari 2014. Daarmee is de hier toepasselijke inzendtermijn van zes maanden overschreden. Een voortvarende behandeling die de overschrijding van de inzendtermijn zou kunnen compenseren, dat wil zeggen een uitspraak van de Hoge Raad binnen veertien maanden na het instellen van het beroep in cassatie, behoort niet meer tot de mogelijkheden.
22. Het middel slaagt.
23. De eerste drie middelen falen, waarbij het eerste middel en het tweede middel kunnen worden afgedaan op de voet van art. 81, eerste lid, RO. Het vierde middel slaagt. De Hoge Raad kan het onvoorwaardelijk opgelegde deel van de jeugddetentie verminderen aan de hand van de gebruikelijke maatstaf.
24. Gronden waarop de Hoge Raad gebruik zou moeten maken van zijn bevoegdheid de bestreden uitspraak ambtshalve te vernietigen, heb ik niet aangetroffen.
25. Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden uitspraak, doch uitsluitend wat betreft de hoogte van de opgelegde straf, tot vermindering daarvan in de mate als de Hoge Raad gepast zal voorkomen en tot verwerping van het beroep voor het overige.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG