ECLI:NL:PHR:2015:1684

ECLI:NL:PHR:2015:1684, Parket bij de Hoge Raad, 30-06-2015, 14/05393

Instantie Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak 30-06-2015
Datum publicatie Onbekend
Zaaknummer 14/05393
Rechtsgebied Strafrecht
Gerelateerde zaken
Formele relatie: ECLI:NL:HR:2015:2457
Jurisprudentie Netwerk (LiDo)
Verwijst naar 1 zaken
Aangehaald door 1 zaken
3 wettelijke verwijzingen

Verwijst naar

Aangehaald door

Wettelijke verwijzingen

BWBR0001830 BWBR0001854 BWBR0002469

Samenvatting

Economische zaak. Vervolg op ECLI:NL:HR:2011:BP3968. Middelen: HR: art. 81.1 RO. Ambtshalve: de partiële verjaring van het meer subsidiair tlgd. leidt niet tot ambtshalve vernietiging van de bestreden uitspraak, nu verdachte daarbij onvoldoende belang heeft.

Uitspraak

“De verzoeken

De zitting van 30 oktober 2012 had het karakter van een regiezitting.

Bij arrest van 29 maart 2011 heeft de Hoge Raad de zaak teruggewezen naar het Hof.

Namens de advocaat-generaal is de raadsman op 9 februari 2012 verzocht eventuele onderzoekswensen kenbaar te maken.

De raadsman heeft vervolgens bij brief van 22 februari 2012 verzocht tot het horen van de volgende getuigen:

1. [betrokkene 2] ;

2. [betrokkene 3];

3. [betrokkene 4];

4. [betrokkene 5];

5. [betrokkene 9];

6. [betrokkene 1];

7. [betrokkene 6]

De advocaat-generaal heeft de raadsman op 2 juli 2012 bericht dat hij deze getuigen niet voor de terechtzitting zou oproepen omdat de Hoge Raad het arrest van het hof slechts op een juridisch-technisch, formeel, punt heeft vernietigd.

Ter terechtzitting heeft de raadsman zijn onderzoekswensen herhaald en toegelicht.

De advocaat-generaal heeft zich tijdens deze terechtzitting op het standpunt gesteld dat de personen genoemd onder 1 en 7 ([betrokkene 2] resp. [betrokkene 6]) ter terechtzitting als getuigen gehoord dienen te worden en dat het verzoek tot het horen van de overige personen als getuigen dient te worden afgewezen.

Oordeel hof

Het hof stelt voorop dat de verzoeken van de raadsman aan de hand van het noodzaakcriterium beoordeeld dienen te worden, nu niet bij appelschriftuur is verzocht tot het horen van deze personen als getuigen.

Het hof acht het, met de advocaat-generaal en de raadsman, noodzakelijk dat de onder 1 en 7 genoemde personen ([betrokkene 2] en [betrokkene 6]) ter nadere terechtzitting van het hof als getuigen worden gehoord.

Ten aanzien van [betrokkene 2] acht het hof het, gelet op de inhoud van de eerder door deze getuige afgelegde verklaringen, noodzakelijk dat zijn verklaringen ter terechtzitting kunnen worden getoetst op betrouwbaarheid.

[betrokkene 6] is nog niet eerder gehoord. Hij kan mogelijk in belastende dan wel ontlastende zin verklaren over de verdachte, zodat het hof ook het horen van deze persoon noodzakelijk vindt.

Voor wat betreft de onder 2, 5 en 6 genoemde personen ([betrokkene 3], [betrokkene 9] en [betrokkene 1]) is het hof van oordeel dat de noodzaak tot het horen van deze getuigen ontbreekt. De personen zijn allen al door de rechter-commissaris gehoord. Het hof is van oordeel dat de raadsman, mede bezien in het licht van de aanwezige bewijsmiddelen, onvoldoende heeft onderbouwd waarom de getuigen thans opnieuw moeten worden gehoord.

De noodzaak tot het horen van de personen genoemd onder 3 en 4 ([betrokkene 4] en [betrokkene 5]) ontbreekt eveneens. Ook ten aanzien van deze personen heeft de raadsman onvoldoende onderbouwd waarom de getuigen, wederom mede bezien in het licht van de aanwezige bewijsmiddelen, dienen te worden gehoord.

De verzoeken tot het horen van de onder 2 tot en met 6 genoemde personen als getuigen worden derhalve afgewezen.

(…)”

22. Uit het proces-verbaal van de terechtzitting van het Hof van 2 april 2013 volgt dat de getuige [betrokkene 6] aldaar is gehoord en dat de getuige [betrokkene 2] niet is verschenen. Het proces-verbaal van de terechtzitting houdt voorts, voor zover hier van belang, het volgende in:

“(…)

De voorzitter deelt mede dat het hof heeft beslist dat [betrokkene 2] ter terechtzitting dient te worden gehoord en vraagt de raadsman of hij nog verzoeken heeft.

De raadsman merkt op - zakelijk weergegeven -:

Ik had al aangekondigd dat ik de verzoeken die ik op 22 februari 2012 heb gedaan, zou herhalen en verzoek het hof om [betrokkene 3], [betrokkene 9] en [betrokkene 1] te horen als getuigen. Tijdens de vorige terechtzitting heeft het hof geoordeeld dat de verzoeken die ik deed moesten worden beoordeeld aan de hand van het noodzaakcriterium. Ik ben het oneens met die toetsingsmaatstaf. Ik meen dat de verzoeken aan de hand van het verdedigingscriterium dienen te worden beoordeeld. De zaak is opnieuw voortgezet, na vernietiging van het arrest van het hof door de Hoge Raad en direct daarna maakte ik mijn verzoeken kenbaar. Ik wijs op het arrest van de Hoge Raad van 16 februari 2010, NJ 2010, 262 voor de opvatting dat het verdedigingsbelang het criterium is waaraan getoetst dient te worden.

(…)

De voorzitter onderbreekt het onderzoek voor het houden van beraad.

De voorzitter hervat het onderzoek en deelt mede dat het verzoek van de raadsman tot het horen van de getuigen [betrokkene 3], [betrokkene 9] en [betrokkene 1] zal worden beoordeeld aan de hand van het noodzaakcriterium. Het verzoek wordt afgewezen op dezelfde gronden als de vorige keer. Met betrekking tot het horen van [betrokkene 1] geldt bovendien dat de vragen die aan hem kunnen worden gesteld, ook aan getuige [betrokkene 2] kunnen worden gesteld. Ten aanzien van getuige [betrokkene 2] zal het hof een bevel medebrenging doen uitgaan.

(…)”

23. Uit het proces-verbaal van de terechtzitting van het Hof van 20 augustus 2013 volgt dat de getuige [betrokkene 2] (wederom) niet is verschenen. De raadsman persisteert bij het verzoek de getuige te horen. Het Hof schorst het onderzoek voor onbepaalde tijd teneinde de wel opgeroepen maar niet verschenen getuige te horen.

24. Uit het proces-verbaal van de terechtzitting van het Hof van 28 januari 2014 volgt dat de getuige [betrokkene 2] aldaar is verschenen en gehoord. Voorts houdt het proces-verbaal in dat de raadsman het woord tot verdediging heeft gevoerd overeenkomstig zijn aan het Hof overgelegde pleitnota. Deze pleitnota houdt, voor zover hier van belang, het volgende in:

“(Voorwaardeliik) verzoek om getuigen te horen

Voor het geval uw Gerechtshof van oordeel is dat er thans in beginsel wel voldoende wettig en overtuigend bewijs zou zijn, herhaal ik het verzoek om naast [betrokkene 2] en [betrokkene 6] ook [betrokkene 3] , [betrokkene 4] , [betrokkene 5], [betrokkene 9] en [betrokkene 1] te horen, zoals eerder al gedaan in de brief van 22 februari 2012.

Vorenbedoelde getuigen zijn al eerder gehoord. De verdediging stelt zich op het standpunt dat dit verzoek getoetst dient te worden aan de hand van het verdedigingsbelang. Dat neemt niet weg dat de verdediging vindt - zeker wanneer uw hof van mening is dat er (met in achtneming van de regels met betrekking tot het bewijsminimum) voldoende wettig bewijs is - het ook noodzakelijk is om de getuigen te horen (zie HR 19 juni 2007, LJN AZ1702).

De zaak draait dan immers om de vraag aan wiens verklaring men geloof hecht, die van [verdachte] of aan de verklaring van 2 juni 2005 van [betrokkene 2] . In elk geval is het in het belang van de verdediging de genoemde getuigen te horen. Verder kan van de verdediging bezwaarlijk gevraagd worden dat zij een appelschriftuur zou indienen (zie HR 16 februari 2010, NJ 2010, 262). De verdediging heeft de getuigen tijdig opgegeven, conform het verzoek van het ressortsparket.

Vorenbedoelde personen zijn allen betrokken geweest bij de oprichting en exploitatie van [C] en de (vermeende) illegale gokactiviteiten die plaatsvonden in “ [A] " aan de [a-straat 1] te Enschede. Allen hebben zij reeds verklaard dat [verdachte] geen betrokkenheid had bij die activiteiten. Mogelijk kunnen zij de door hen eerder hierover afgelegde verklaringen nog nader toelichten. Voorts is het van belang dat deze getuigen nader worden gehoord om de validiteit en de betrouwbaarheid van [betrokkene 2] en de door hem afgelegde verklaringen vast te stellen. Ook wenst de verdediging hen te bevragen naar aanleiding van de verklaring van [betrokkene 6], die weer een ander licht op de zaak heeft geworpen. De grote vraag in deze kwestie is immers waarom [betrokkene 2] in zijn verklaring van 2 juni 2005 bij het verhoor door een BOA van het UVW opeens naar [verdachte] wijst, terwijl hij in eerdere en latere verklaringen dit niet doet. De overige getuigen hebben hiervoor mogelijk een verklaring.”

25. In zijn arrest van 11 februari 2014 heeft het Hof het verzoek tot het horen van de getuigen als volgt afgewezen:

“De raadsman heeft wederom verzocht om, indien het hof tot een bewezenverklaring zou komen, alsnog de volgende personen als getuigen te horen:

- [betrokkene 6];

- [betrokkene 2] ;

- [betrokkene 3] ;

- [betrokkene 4] ;

- [betrokkene 5];

- [betrokkene 9];

- [betrokkene 1] .

De advocaat-generaal heeft medegedeeld dat volgens haar geen noodzaak bestaat tot het horen van voornoemde getuigen.

Het hof constateert dat dit verzoek reeds eerder is gedaan in een brief van de raadsman van 22 februari 2012, dat het verzoek is toegewezen bij tussenarrest van het hof van 13 november 2012 voor zover het de getuigen [betrokkene 6] en [betrokkene 2] betreft en is afgewezen voor zover het de andere genoemde getuigen betreft. De getuigen [betrokkene 6] en [betrokkene 2] zijn daarna op de terechtzitting door het hof gehoord.

Het hof ziet voor toewijzen van het herhaald verzoek van de raadsman geen noodzaak, voor zover het de getuigen betreft die al eerder zijn afgewezen op dezelfde gronden als die waarop de vorige keer dat verzoek is afgewezen. Het gegeven dat daarna de getuige [betrokkene 6] en [betrokkene 2] zijn gehoord maakt dit oordeel niet anders.

Voor het toewijzen van het verzoek de getuigen [betrokkene 6] en [betrokkene 2] te horen ziet het hof evenmin noodzaak. Deze getuigen zijn ten overstaan van het hof gehoord en van noodzaak tot het opnieuw horen is niet gebleken.

(…)

Het verzoek zal in alle onderdelen worden afgewezen.”

26. Voor zover de steller van het middel klaagt dat het Hof bij de beoordeling van het bij brief van 22 februari 2012 gedane getuigenverzoek in zijn tussenarrest acht had moeten slaan op de door de verdediging ingediende appelschriftuur, faalt het middel bij gebrek aan feitelijke grondslag. Het op 14 juli 2008 bij de griffie van de Rechtbank binnengekomen appelschriftuur van 6 mei 2008 bevat, anders dan de steller van het middel veronderstelt, immers niet het verzoek [betrokkene 2] , [betrokkene 3], [betrokkene 4], [betrokkene 5], [betrokkene 9], [betrokkene 1] en/of [betrokkene 6] als getuige(n) te horen. Ook indien een dergelijk verzoek wel bij voornoemd appelschriftuur zou zijn gedaan, kan het middel in zoverre niet tot cassatie leiden. Blijkens vaste jurisprudentie van de Hoge Raad zijn art. 410, derde lid, Sv en de daarmee samenhangende bepalingen, te weten art. 414, tweede lid tweede volzin, en art. 418, derde lid, Sv in de procedure na verwijzing of terugwijzing van de zaak door de Hoge Raad immers niet van toepassing.

27. Voorts heeft de steller van het middel aangevoerd dat het Hof bij de afwijzing van het herhaalde (voorwaardelijk) verzoek tot het horen van de zeven getuigen bij arrest van 11 februari 2014 ten onrechte het noodzakelijkheidscriterium heeft gehanteerd, althans dat het Hof onvoldoende gemotiveerd het verzoek tot het horen van de getuigen heeft afgewezen, nu door de verdediging subsidiair is aangevoerd waarom het horen van de getuigen noodzakelijk was voor de waarheidsvinding.

28. Ter terechtzitting van het Hof van 28 januari 2014 heeft de raadsman van verdachte het voorwaardelijk verzoek gedaan om, indien het Hof van oordeel is dat er voldoende wettig en overtuigend bewijs voorhanden is, [betrokkene 2] , [betrokkene 6], [betrokkene 3], [betrokkene 4], [betrokkene 5], [betrokkene 9] en [betrokkene 1] als getuigen te horen. Bij arrest van 11 februari 2014 heeft het Hof het verzoek afgewezen. Bedoeld herhaald verzoek, op het bij brief van 22 februari 2012 gedane gelijkluidende verzoek heeft het Hof reeds bij tussenarrest van 13 november 2012 beslist, is een verzoek op de voet van de art. 328 en 331, eerste lid, Sv in verbinding met art. 315 Sv, welke bepalingen ingevolge art. 415 Sv ook in hoger beroep van toepassing zijn. Maatstaf bij de beoordeling van zo een verzoek is of het Hof het horen van de getuigen noodzakelijk oordeelt.

29. De verdediging heeft aan het verzoek voornoemde getuigen te horen ten grondslag gelegd dat deze personen wellicht hun reeds eerder afgelegde verklaringen dat verdachte geen betrokkenheid had bij de illegale gokactiviteiten nader kunnen toelichten. Ook kan door het horen van deze getuigen de validiteit en betrouwbaarheid van (de verklaringen van) [betrokkene 2] worden vastgesteld. Bovendien kunnen de getuigen worden bevraagd naar aanleiding van de verklaring van [betrokkene 6] die weer een ander licht op de zaak heeft geworpen. Het Hof, dat voor het toewijzen van het herhaald verzoek van de raadsman geen noodzaak ziet, heeft, voor zover het de getuigen betreft die reeds eerder bij tussenarrest zijn afgewezen, het verzoek op dezelfde gronden afgewezen als die waarop dat verzoek de vorige keer is afgewezen. Het gegeven dat daarna de getuigen [betrokkene 6] en [betrokkene 2] zijn gehoord maakt dat niet anders. Voor het toewijzen van het verzoek de getuigen [betrokkene 6] en [betrokkene 2] te horen ziet het Hof evenmin noodzaak, nu deze getuigen ten overstaan van het Hof zijn gehoord en van noodzaak tot het opnieuw horen niet is gebleken. Het Hof heeft de juiste maatstaf toepast. Nu in de motivering van de afwijzing besloten ligt dat het Hof zich voldoende ingelicht achtte, is deze beslissing ook zonder nadere motivering niet onbegrijpelijk.

30. Het middel faalt.

31. Ambtshalve vestig ik de aandacht op het volgende. Bij inleidende dagvaarding is aan de verdachte onder “meer subsidiair” tenlastegelegd, zakelijk weergegeven, het (medeplegen van) het (opzettelijk) zonder vergunning exploiteren van (een) speelautoma(a)t(en), begaan op één of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 12 juni 2003 tot en met 18 maart 2005, althans op of omstreeks18 maart 2005. Het Hof heeft bewezenverklaard, zakelijk weergegeven, het medeplegen van het opzettelijk zonder vergunning exploiteren van speelautomaten, begaan in de periode van 12 juni 2003 tot en met 18 maart 2005, en heeft verdachte veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van één maand voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren en tot een geldboete van € 1.000,-, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 20 dagen hechtenis.

32. Het hiervoor vermelde feit is bij art. 30h, eerste lid, Wok jo. art. 1, aanhef en onder 3°, WED jo. art. 2, derde lid, WED jo. art. 31, eerste lid, Wok jo. art. 6, eerste lid aanhef en onder 2°, WED strafbaar gesteld als misdrijf waarop een gevangenisstraf van ten hoogste twee jaren is gesteld.

33. Het feit is volgens de tenlastelegging begaan op één of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 12 juni 2003 tot en met 18 maart 2005, althans op of omstreeks 18 maart 2005. Op grond van art. 70, eerste lid aanhef en onder 2°, Sr jo. art. 72, tweede lid, Sr jo. art. 91 Sr beloopt de verjaringstermijn in het onderhavige geval ten hoogste twee maal zes jaren (dus in totaal twaalf jaren). Voor zover het meer subsidiair tenlastegelegde feit zou zijn begaan tot twaalf jaren vóór de uitspraakdatum van de Hoge Raad, derhalve in de periode van 12 juni 2003 tot 6 oktober 2003, is het recht tot strafvordering dan ook wegens verjaring vervallen, in aanmerking genomen dat de Hoge Raad (vooralsnog) op 6 oktober 2015 uitspraak zal doen in de onderhavige zaak.

34. De Hoge Raad kan de bestreden uitspraak vernietigen voor wat betreft de beslissingen ter zake van het onder meer subsidiair tenlastegelegde, voor zover dit zou zijn begaan in de periode van 12 juni 2003 tot 6 oktober 2003, en de officier van justitie in zoverre alsnog niet-ontvankelijk verklaren in de vervolging. Voor het verminderen van de duur van de opgelegde straf zie ik geen grond, aangezien de partiële niet-ontvankelijkheid slechts betrekking heeft op een klein gedeelte van de gehele bewezenverklaarde periode van 12 juni 2003 tot en met 18 maart 2005 en de aard en de ernst van hetgeen overigens is bewezenverklaard niet aantast.

35. De middelen falen en kunnen worden afgedaan met de aan art. 81 RO ontleende motivering.

36. Andere gronden dan de hiervoor onder 31 tot en met 34 vermelde gronden waarop de Hoge Raad gebruik zou moeten maken van zijn bevoegdheid de bestreden uitspraak ambtshalve te vernietigen, heb ik niet aangetroffen.

37. Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden uitspraak, maar uitsluitend wat betreft de beslissingen ten aanzien van het onder meer subsidiair tenlastegelegde, voor zover dat is begaan vóór 6 oktober 2003, behoudens voor zover daarbij het vonnis van de politierechter in de Rechtbank is vernietigd, en tot niet-ontvankelijkverklaring van de officier van justitie in de vervolging van dat feit voor zover dat is begaan vóór 6 oktober 2003 en tot verwerping van het beroep voor het overige.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden,

AG

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?