2. Bespreking van het cassatiemiddel
Het cassatiemiddel omvat vijf onderdelen (klachten), die zijn onderverdeeld in subonderdelen. De onderdelen 4 en 5 bevatten geen afzonderlijke klachten.
Onderdeel 1 is gericht tegen de rechtsoverwegingen 4.2-4.4, waarin het hof over de toepasselijke verjaringstermijn als volgt heeft geoordeeld:
“4.2. Met de voorzieningenrechter en [verweerder] is het hof voorshands van oordeel dat de afspraak die is neergelegd in het proces-verbaal ziet op een verbintenis tot nakoming uit een overeenkomst (tot vaststelling) tot een doen en dat verjaring van een dergelijke vordering is geregeld in artikel 3:307 lid 1 BW. Dat betekent dat de verplichting tot betaling van € 95.000 is verjaard vijf jaar na de aanvang van de dag, volgende op die waarop de vordering opeisbaar is geworden. Blijkens het proces-verbaal diende voornoemd bedrag door [verweerder] uiterlijk op 20 juli 2008 aan [eiseres] te zijn betaald. Derhalve is de verplichting tot betaling van dit bedrag opeisbaar op 21 juli 2008, zodat deze, behoudens stuiting (waarover hierna), op 21 juli 2013 was verjaard.
Het hof volgt het betoog van [eiseres] niet dat deze afspraak gelijk is of te stellen zou zijn met een rechterlijke uitspraak als bedoeld in artikel 3:324 BW. De wetgever heeft in artikel 3:324 BW immers slechts voor rechterlijke of arbitrale uitspraken een (specifieke) verjaringstermijn bepaald en niet ook voor andere executoriale titels. Artikel 3:324 BW dient volgens de parlementaire geschiedenis (Parl. Gesch. BW Boek 3 1981, p. 941 (nr. 7)) in samenhang te worden gelezen met artikel 3:316 BW en 319 BW, welk geval zich in dit geval niet voordoet, nu het hier niet gaat om een eis die door een rechterlijke toewijzing is gevolgd. Een overeenkomst (schikking; zie hierna) ter comparitie die in een (in executoriale vorm uit te geven) proces-verbaal wordt vastgelegd, is iets anders dan een toewijzing in een rechterlijke uitspraak, zelfs als deze voor de eisende partij in zoverre positieve gevolgen heeft dat een deel van diens eis materieel wordt ingewilligd. Hierbij is van belang dat in het op verlangen van een partij opgemaakte proces-verbaal volgens artikel 87 lid 3 Rv de verbintenissen, die partijen als gevolg van de schikking op zich nemen, worden vastgelegd. Duidelijk is dat het zodoende gaat om een vastlegging van de afspraken tussen partijen aangaande de tussen hen bereikte schikking en niet om een rechterlijke uitspraak. Het proces-verbaal wordt bovendien in dat artikel ook niet als uitspraak gekwalificeerd. Bepaald wordt slechts dat het in executoriale vorm wordt uitgegeven, waardoor het volgens artikel 430 Rv rechtstreeks ten uitvoer kan worden gelegd. De door [eiseres] aangevoerde omstandigheid dat de afgifte in executoriale vorm geschiedt door een rechter maakt dit niet tot een rechterlijke uitspraak, al niet omdat het een vastlegging van tussen en door partijen [curs. hof] getroffen verbintenissen betreft en niet een gemotiveerde afdoening of toewijzing door een rechter. Grief 3 faalt derhalve.
Uit het voorgaande volgt dat het hof ook het betoog van [eiseres] dat in de wet geen verjaringstermijn zou zijn bepaald passeert. Het betreft een afspraak tussen partijen die valt onder het regime van artikel 3:307 lid 1 BW. Grieven 4 en 5 falen. ”
Subonderdeel 1.1 bevat een inleiding over de gedachte achter de verjaring van een rechtsvordering, te weten dat een partij die kan worden aangesproken moet weten dat hij zijn bewijsmateriaal nog niet moet weggooien en dat voor een rechtsvordering tot nakoming van een verbintenis uit overeenkomst tot een geven of een doen daarom, in afwijking van de hoofdregel, in art. 3:307 BW een – overzichtelijke – termijn van vijf jaar is bepaald. Subonderdeel 1.2 klaagt vervolgens dat het hof in rechtsoverweging 4.2 heeft miskend dat art. 3:307 BW in beginsel is uitgewerkt, althans niet meer aan de orde is in het geval in een procedure waarin een rechtsvordering tot nakoming is ingesteld, ter comparitie een schikking is getroffen die is vastgelegd in een proces-verbaal. Een dergelijke procedure is, aldus het subonderdeel, dan al (op tegenspraak) gevoerd en kan niet nogmaals worden ingesteld zodat de termijn van art. 3:307 BW niet meer van toepassing is. In dit geval is de wederpartij al aangesproken en heeft dit geresulteerd in een schikking.
Subonderdeel 1.3 betoogt dat in de ontstaansgeschiedenis van art. 3:324 BW een in een grosse opgenomen proces-verbaal van een ter comparitie bereikte schikking niet als zodanig wordt genoemd en waarschijnlijk door de wetgever over het hoofd is gezien. Volgens het subonderdeel wordt ook de term rechterlijke uitspraak niet in de parlementaire geschiedenis gedefinieerd, zodat een in een grosse opgenomen proces-verbaal van een ter comparitie bereikte schikking daaronder wel degelijk ook moet worden verstaan en is een andersluidende opvatting onwenselijk. Het subonderdeel klaagt vervolgens dat het hof door in rechtsoverweging 4.3 te oordelen dat artikel 3:324 BW niet van toepassing is, een en ander heeft miskend, althans geen inzicht heeft gegeven in zijn gedachtegang op dit punt, althans een onbegrijpelijk oordeel heeft gegeven.
De subonderdelen 1.4 en 1.5 bouwen op de vorige subonderdelen voort en klagen – zakelijk en verkort weergegeven – dat het hof in de rechtsoverwegingen 4.2 en 4.3 uitgaat van een onjuiste rechtsopvatting omdat het miskent dat art. 3:307 BW in dit geval toepassing mist en art. 3:324 BW rechtstreeks van toepassing is dan wel analoog moet worden toegepast. Indien het hof dit niet heeft miskend, heeft het geen inzicht gegeven in zijn gedachtegang, althans heeft het een onbegrijpelijk oordeel gegeven. Volgens subonderdeel 1.5 gaat het om meer dan alleen een afspraak, te weten een grosse waarbij een schikking is vastgelegd en die ten overstaan van de rechter is getroffen, na een op tegenspraak gevoerde procedure op basis waarvan een partij (al dan niet gedeeltelijk) zijn vordering kan executeren. Een partij die op de zitting instemt met een regeling in plaats van het op een vonnis of een arrest laten aankomen, mag door die keuze wat betreft verjaring niet in een slechtere positie geraken doordat die overeenkomst andermaal binnen het regime van art. 3:307 BW zou komen. Volgens het subonderdeel miskent het hof bovendien dat, indien art 3:324 BW toepassing zou missen en een grosse niet als rechterlijke uitspraak in de zin van art. 3:324 BW kan worden gezien, de wet niet voorziet in een specifieke, van de hoofdregel van art. 3:306 BW afwijkende verjaringstermijn voor grossen. Het hof had dit, al dan niet de rechtsgronden ambtshalve aanvullend op grond van art. 25 Rv moeten beoordelen.
De subonderdelen lenen zich voor een gezamenlijke behandeling omdat zij alle tot uitgangspunt nemen dat een ter comparitie getroffen schikking die is vastgelegd in een proces-verbaal een rechterlijke uitspraak is dan wel daaraan moet worden gelijkgesteld.
Schikking
Een schikking is een vaststellingsovereenkomst. De vaststellingsovereenkomst is een obligatoire overeenkomst als bedoeld in art. 6:213 BW, waarbij partijen zich binden aan een tot een vaststelling leidende beslissing over wat tussen hen rechtens is om een geschil of onzekerheid te beëindigen dan wel te voorkomen. Zij aanvaarden daarbij dat deze vaststelling mogelijk afwijkt van wat tussen hen rechtens wás. De uitvoering van de vaststellingsovereenkomst vergt een beslissing. Deze beslissing bepaalt welke verbintenissen uit de vaststellingsovereenkomst ontstaan en dus welke prestaties partijen moeten verrichten. Vaststelling is de term die wordt gebruikt voor de nieuwe rechtstoestand.
Een tijdens een comparitie van partijen (art. 87 Rv) getroffen schikking, die een vastlegging is van de afspraken die partijen hebben gemaakt met betrekking tot de tussen hen ter zitting bereikte overeenstemming, kan op de voet van art. 87 lid 3 Rv op verlangen van een partij worden vastgelegd in een door partijen ter terechtzitting mede ondertekend proces-verbaal. De uitgifte van het proces-verbaal van een schikking geschiedt in executoriale vorm.
Vastlegging in een proces-verbaal van ten overstaan van de rechter verrichte handelingen geschiedt voor verschillende doeleinden, zoals bijvoorbeeld het geven van inlichtingen (art. 88 Rv). Andere voorbeelden zijn de vastlegging in een proces-verbaal van hetgeen getuigen hebben verklaard (art. 180 Rv), het mondelinge verslag van een deskundige (art. 198 lid 5 Rv) en het proces-verbaal van een plaatsopneming (art. 201 Rv). Deze voorbeelden betreffen de dagvaardingsprocedure. Ook in verzoekschriftprocedures worden verrichtingen vastgelegd in een proces-verbaal, zie bijvoorbeeld art. 279 lid 4 Rv.
Sommige van dergelijke processen-verbaal kunnen in executoriale vorm worden uitgegeven, zoals het al genoemde proces-verbaal van de ter comparitie bereikte schikking (art. 87 lid 3 Rv) en het bevelschrift tot betaling van het resterende bedrag aan schadeloosstelling en loon van deskundigen in geval de deskundige mondeling verslag uitbrengt (art. 199 lid 2 Rv).
Daardoor kan hetgeen in het proces-verbaal is vastgelegd op de voet van art. 430 lid 1 Rv in geheel Nederland ten uitvoer worden gelegd. In geval van een ter comparitie bereikte schikking betekent uitgifte van het proces-verbaal in executoriale vorm dat de wederpartij van de partij die de schikking niet nakomt, na voorafgaande betekening van het proces-verbaal aan die partij, direct tot executie kan overgaan (art. 430 lid 3 Rv).
Op de voet van art. 232 Rv kan in de dagvaardingsprocedure een mondeling tussenvonnis worden gewezen. Daarvan kan de rechter gebruik maken indien bijvoorbeeld ter comparitie van partijen getuigen worden meegenomen, die – als de tijd het toelaat – na de comparitie onmiddellijk kunnen worden gehoord. De bewijsopdracht die de basis vormt voor het getuigenverhoor, kan dan mondeling worden verstrekt en op schrift worden gesteld in het proces-verbaal van de zitting. Een dergelijke in een proces-verbaal vastgelegde rechterlijke beslissing is uiteraard een vonnis.
Overigens wordt in het hiervoor al genoemde Wetsvoorstel vereenvoudiging en digitalisering procesrecht de mogelijkheid om mondeling vonnis te wijzen in art. 30p Rv verder uitgewerkt.
Toepasselijke verjaringstermijn
De verjaring van de bevoegdheid tot tenuitvoerlegging van rechterlijke en arbitrale uitspraken is geregeld in art. 3:324 BW. Lid 1 stelt de verjaringstermijn in beginsel op twintig jaren, ook wanneer voor de verjaring van de rechtsvordering een kortere termijn gold, omdat door het bestaan van de desbetreffende verplichting dwingend is vastgesteld en de eisende partij heeft doen blijken nakoming te wensen. Omdat het voorschrift van art. 3:324 BW uitsluitend de bevoegdheid tot tenuitvoerlegging treft, betreft het alleen die uitspraken die een veroordeling van enigerlei aard inhouden.
De wet bevat geen voorschrift met betrekking tot de verjaring van de bevoegdheid tot tenuitvoerlegging van een executoriale titel. Bepalend derhalve is de rechtsvordering die in de executoriale titel is neergelegd, zodat moet worden aangesloten bij de verjaring van rechtsvorderingen. Daarbij wordt in de art. 3:306 BW e.v. de verjaring verbonden aan de materiële strekking van elke rechtsvordering.
Niet de vorm maar de inhoud is bepalend
Anders dan onderdeel 1 tot uitgangspunt neemt, is niet de vorm – het mede door de rechter en de griffier ondertekende proces-verbaal – maar de inhoud van hetgeen daarin wordt vastgelegd bepalend voor de kwalificatie van het proces-verbaal en de toepasselijke verjaringsregel.
Een in een proces-verbaal opgetekend mondeling vonnis is een vonnis, waarop de verjaringstermijn van twintig jaar van art. 3:324 BW van toepassing is.
Een in een proces-verbaal opgenomen schikking is echter, zoals gezegd, een vaststellingsovereenkomst tussen partijen en het is deze vaststellingsovereenkomst die de verjaringstermijn bepaalt.
Een proces-verbaal uitgegeven in executoriale vorm kent derhalve niet steeds eenzelfde verjaringstermijn gelet op de inhoud van het proces-verbaal.
In het onderhavige geval is sprake van een geldlening waarover partijen ter comparitie overeenstemming hebben bereikt. In de vaststellingsovereenkomst is bepaald dat [verweerder] aan [eiseres] uiterlijk op 20 juli 2008 een bedrag van € 95.000,- zal betalen waarna [eiseres] ervoor zal zorgen dat het beslag wordt opgeheven. Het uit deze schikking voortvloeiende vorderingsrecht van [eiseres] ten bedrage van € 95.000,-, is de vervanging van haar vorderingsrecht uit onder 1.1 genoemde geldleningen, dat op een bedrag van € 150.000,- was begroot (zie hiervoor onder 1.3).
Art. 3:307 BW, dat de bijzondere verjaringsregel van de vordering tot nakoming bevat, bepaalt in het eerste lid dat een rechtsvordering tot nakoming van een verbintenis uit overeenkomst tot een geven of doen door verloop van vijf jaren na de aanvang van de dag, volgende op die waarop de vordering opeisbaar is geworden, verjaart. In dit geval is de vordering op 21 juli 2008 opeisbaar geworden en derhalve op 21 juli 2013 verjaard. De tenuitvoerlegging van het proces-verbaal in executoriale vorm had dan ook voor 21 juli 2013 moeten plaatsvinden, tenzij er in de tussenliggende periode stuiting heeft plaatsgevonden (waarover hieronder onderdeel 2).
Nu alle klachten van onderdeel 1 erop neerkomen dat het hof voor de verjaring aansluiting had moeten zoeken bij art. 3:324 BW en dat betoog niet opgaat omdat dat voorschrift alleen ziet op de tenuitvoerlegging van rechterlijke en arbitrale uitspraken en een vaststellingsovereenkomst opgemaakt in een proces-verbaal in executoriale vorm geen rechterlijke uitspraak is, faalt het onderdeel in al zijn subonderdelen.
Stuiting
Onderdeel 2, dat deels als subsidiaire klacht is geformuleerd voor zover onderdeel 1 niet zou slagen, richt zich tegen de rechtsoverwegingen 4.5-4.6 waarin het hof als volgt heeft geoordeeld:
“4.5. Vervolgens heeft [eiseres] in grief 2 de stelling ingenomen dat de verjaring tussentijds is gestuit. [eiseres] stelt dat het door haar op 31 mei 2007 gelegde conservatoire beslag doorlopende stuitende werking zou hebben. Dat betoog wordt verworpen. Ten eerste overweegt het hof dat het beslag is gelegd voorafgaand aan de afspraak als neergelegd in het proces-verbaal en derhalve niet na-, maar voordat de verjaring een aanvang heeft genomen. Ook gaat het beroep dat [eiseres] doet op HR 7 juni 1935, NJ 1935, p. 1276, respectievelijk HR 9 september 2011, NJ 2011, 553 (ECL1:NL:HR:2011:BQ7066) of Hof Den Haag 22 mei 2012, NJF 2012, 302 (ECLI: NL:GHSGR:2012:BW7226) niet op, al niet omdat in die zaken de betreffende beslagen waren gelegd nadat de verjaringstermijn een aanvang had genomen en deze bovendien werden gevolgd door een nog lopende (inhoudelijke) procedure. In deze zaak is de (inhoudelijke) procedure, die op het beslag is gevolgd, "op andere wijze geëindigd" in de zin van artikel 3:316, tweede lid BW met het schikkings-proces-verbaal (en dus niet in een toewijzing door een rechterlijke uitspraak zoals hiervoor overwogen). Ten slotte is nog op te merken dat [eiseres] het proces-verbaal eerst op 23 december 2013 aan de Staat heeft doen betekenen, waardoor het conservatoire beslag ook niet voor afloop van de verjaringstermijn in de executoriale fase is overgegaan (704 lid 1 Rv). Grief 2 moet op het voorgaande stranden.
[eiseres] komt in zijn elfde grief evenwel terecht op tegen het oordeel van de voorzieningenrechter dat de verjaringstermijn op 21 maart 2013 is verstreken. Hiervoor is reeds overwogen dat deze is begonnen op 21 juli 2008 toen de vordering opeisbaar werd en derhalve liep tot 21 juli 2013. Dit verschil is in deze zaak echter niet relevant, nu de voorzieningenrechter terecht aanneemt dat de betekening van het schikkingsproces-verbaal aan [verweerder] op 18 september 2008 de verjaring heeft gestuit en tevens dat daardoor de vordering pas per 18 september 2013 is verjaard. Deze grief kan daarom niet leiden tot het daarmee beoogde doel.”
Subonderdeel 2.1 dat onder verwijzing naar onderdeel 1 klaagt dat moet worden aangenomen dat art. 3:324 BW van toepassing is en uit dien hoofde er van verjaring reeds hierom geen sprake is, deelt in het lot van onderdeel 1 en faalt op de hiervoor uiteengezette gronden.
Subonderdeel 2.2 en het daarop voortbouwende subonderdeel 2.3 klagen dat het hof heeft miskend dat een conservatoir beslag, zolang het voortduurt, ten aanzien van een verjaring voortdurend stuitende werking heeft.
Art. 3:317 lid 1 BW bepaalt dat de verjaring van een rechtsvordering tot nakoming van een verbintenis wordt gestuit door een schriftelijke aanmaning of door een schriftelijke mededeling waarin de schuldeiser zich ondubbelzinnig zijn recht op nakoming voorbehoudt. Vaste rechtspraak is dat deze omschrijving van de schriftelijke mededeling moet worden begrepen in het licht van de strekking van een stuitingshandeling van deze aard, die neerkomt op een - voldoende duidelijke - waarschuwing aan de schuldenaar dat hij er rekening mee moet houden dat hij de beschikking houdt over zijn gegevens en bewijsmateriaal, opdat hij zich tegen een dan mogelijkerwijs alsnog door de schuldenaar ingestelde vordering behoorlijk kan verweren.
Kerngedachte achter een stuitingshandeling is dus dat de schuldeiser de schuldenaar met een voldoende duidelijke schriftelijke actie laat weten dat hij zich nog immer zijn recht op nakoming van de rechtsvordering voorbehoudt. Gelet op deze ratio heeft ook het leggen van beslag stuitende werking, hetgeen in de rechtspraak is aanvaard.
Door stuiting wordt verjaring van de rechtsvordering voorkomen en begint een nieuwe verjaringstermijn te lopen. Stuitingshandelingen kunnen uit de aard der zaak slechts worden verricht zolang de verjaringstermijn nog niet is verstreken. Uit het wezen van de stuiting volgt echter aan de andere kant dat slechts een lopende verjaring kan worden gestuit en niet een toekomstige verjaring.
In het onderhavige geval is op 31 mei 2007 ten laste van [verweerder] conservatoir derdenbeslag gelegd en hebben partijen op 20 maart 2008 een vaststellingsovereenkomst gesloten, waaruit de verbintenis van [verweerder] om uiterlijk op 20 juli 2008 aan [eiseres] een bedrag van € 95.000,- te betalen, is ontstaan. De verjaring van deze verbintenis is daags na die datum gaan lopen en kon derhalve niet (op voorhand) worden gestuit door het derdenbeslag van een jaar daarvoor.
Ik wijs daarnaast op het volgende. In het exploot van 18 september 2008 waarbij [eiseres] het proces-verbaal heeft laten betekenen aan [verweerder] (zie hiervoor onder 1.5) wordt aangezegd dat bij niet en/of niet tijdige voldoening aan dit bevel zal worden overgegaan tot de tenuitvoerlegging van voormelde titel door de inbeslagname van de roerende en/of onroerende zaken van de gerekwireerde en voorts door alle andere wegen en middelen rechtens en dat gerekwireerde voorts ingevolge het bepaalde in de wet gehouden is om terstond naar ommekomst van de gestelde termijn aan de gerechtsdeurwaarder, zijn/haar bron(nen) van inkomsten en die van de partner, met wie een gezamenlijke huishouding wordt gevoerd, op te geven. Het eerder gelegde beslag wordt derhalve in dit exploot niet genoemd, laat staan dat daaraan voortdurende stuitende werking wordt toegekend of ontkend.
De klacht faalt mitsdien.
Onderdeel 3 is gericht tegen rechtsoverweging 4.7 waarin het hof het volgende heeft geoordeeld:
“Met grief 6 heeft [eiseres] zich op de beperkende werking van de redelijkheid en billijkheid beroepen, stellende dat het proces-verbaal volgens de in Nederland heersende rechtsopvatting gelijk zou staan met een rechterlijke uitspraak en derhalve eerst na 20 jaar zou verjaren. Uit het voorgaande moet evenwel reeds worden afgeleid dat die opvatting onjuist is, daargelaten dat [eiseres] op geen enkel juridisch wetenschappelijke verhandeling heeft gewezen waarin die door haar genoemde rechtsopvatting zou zijn neergelegd. Anders dan [eiseres] stelt, valt reeds uit de arresten van de hoven te Arnhem (12 juni 2007, ECLI:NL:GHARN:2007:BA9020, rechtsoverweging 3.4) en Amsterdam (28 december 1995, KG 1996, 330, ECLI:NL:GHAM:1995:AH5710) af te leiden dat niet alle in executoriale vorm opgemaakte stukken gelijk te stellen zijn aan rechterlijke uitspraken in de zin van artikel 3:324 BW, terwijl De Swart in De Gerechtsdeurwaarder 2009, nr. 4, p. 22 opmerkt dat het in executoriale vorm opgemaakte proces-verbaal van een ter comparitie bereikte schikking ex artikel 87 lid 3 Rv niet onder de werking van 3:324 BW valt. Grief 6 faalt. ”
Subonderdeel 3.1 klaagt dat het hof in de tweede volzin van rechtsoverweging 4.7 heeft miskend hetgeen in de onderdelen 1 en 2 is aangevoerd.
Nu beide onderdelen ongegrond zijn bevonden, faalt ook deze klacht.
Subonderdeel 3.2 klaagt dat het hof in de tweede helft van de tweede volzin van rechtsoverweging 4.7 miskent dat het niet aan [eiseres] – als verwerende partij – is om te verwijzen naar een juridisch wetenschappelijke verhandeling waarin haar opvatting is neergelegd en dat het hof aldus het beroep op de redelijkheid en billijkheid op onjuiste en onbegrijpelijke gronden heeft verworpen.
Deze klacht mist belang en kan daarom verder onbesproken blijven.
De onderdelen 4 en 5 zijn ‘voortbouwklachten’ en delen derhalve in het lot van de voorgaande onderdelen.
3. Conclusie
De conclusie strekt tot verwerping van het cassatieberoep.
De Procureur-Generaal bij de
Hoge Raad der Nederlanden
A-G