15. Het eerste middelfaalt in beide onderdelen.
16. Het tweede middel klaagt dat het Hof geen beslissing heeft gegeven op de door de advocaat-generaal gevorderde verbeurdverklaring.
17. Het arrest bevat in dat verband de volgende overweging:
“De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de woning aan de [a-straat 1] te Badhoevedorp en de BMW X3 verbeurd worden verklaard. Het hof overweegt dat op de woning en het voertuig conservatoir beslag rust in de zin van artikel 94a Sv. Op basis van HR 19 februari 2008, NJ 2008, 129, is het onmogelijk om goederen waarop conservatoir beslag rust, verbeurd te verklaren. Gelet op het karakter van het gelegde beslag zal het hof daarom niet beslissen op het beslag.”
18. In het middel wordt een beroep gedaan op beschouwingen van mijn voormalig ambtgenoot C.J.G. Bleichrodt en de reactie van de Hoge Raad daarop. De conclusie houdt onder meer in:
“ 4.1 Ambtshalve vraag ik aandacht voor het volgende.
Het Hof heeft onder meer verbeurdverklaard een bedrag van fl. 4054,10 en BEF 600.(4)
Het proces-verbaal van politie (blz. 194) houdt in dat deze bedragen op de voet van art. 94a Sv in beslag genomen zijn. Dat was mogelijk omdat de opzettelijke overtreding van art. 8.1 van de Wet Milieubeheer is bedreigd met een geldboete van de vijfde categorie (art. 1a onder 1° in verbinding met art. 2, eerste lid en art. 6 onder 1° WED).
Het geld is dus voor een bepaald doel inbeslaggenomen, te weten met het oog op het verhaal van een eventueel op te leggen geldboete (of betalingsverplichting ex art. 36e Sr). Het kan daartoe in dit geval ook dienen, nu onder meer een geldboete van € 5000, - is opgelegd.
Het karakter van een dergelijk beslag verschilt van een beslag ex art. 94 Sv. Er is ook verschil voor wat betreft de toepasselijke wetsbepalingen (vgl. art. 94c Sv). Bij de einduitspraak hoeft de rechter noch in de hoofdzaak noch in een eventuele ontnemingszaak over een zodanig beslag een beslissing te geven; het beslag gaat bij het onherroepelijk worden van de uitspraak van rechtswege over in een executoriaal beslag (vgl. art. 574 Sv en HR 13 juni 1995, NJ 1995, 654). Op het inbeslaggenomen voorwerp kan dan een boete of een verplichting tot het betalen van een bedrag ter ontneming van wederrechtelijk voordeel worden verhaald. Daarbij past ook dat een zodanig beslag kan worden opgeheven indien zekerheid wordt gesteld.
Dat tussen de verschillende soorten beslagen moet worden onderscheiden volgt ook uit de rechtspraak die inhoudt dat een art. 94 Sv beslag op de juiste wijze zal moeten worden "omgezet" in een art. 94a Sv beslag wil men voor een boete etc. verhaal kunnen nemen op wat inbeslaggenomen is.(5) Ook in een beklagprocedure zal de status van het beslag moeten worden vastgesteld, omdat de criteria voor de beoordeling van een klaagschrift verschillen, al naar gelang er sprake is van een beslag ex art. 94 Sv of van een beslag op grond van art. 94a Sv.
Daarvoor vatbare voorwerpen kunnen worden verbeurdverklaard (art. 33a Sr). Die voorwerpen hoeven niet te zijn inbeslaggenomen, zoals ook volgt uit art. 34 Sr, al is dat bijna altijd wel het geval. De wettelijke regeling houdt in dat de veroordeelde ofwel het verbeurdverklaarde voorwerp (indien dat niet is inbeslaggenomen) alsnog uitlevert ofwel dat bij voorafgaande inbeslagneming de verbeurdverklaring wordt tenuitvoergelegd ten aanzien van het beslagen voorwerp.
Dat laatste kan echter mijns inziens niet ingeval het gaat om een beslag ex art. 94a Sv. Dat strekt immers tot het veiligstellen van het verhaal van een opgelegde vermogenssanctie en niet om het inbeslaggenomen goed voorwerp te maken van een afzonderlijke, toe te voegen, sanctie. Dat is in deze zaak uit het oog verloren. Met als gevolg dat de verdachte niet alleen een geldboete kreeg opgelegd, maar het Hof tevens de verbeurdverklaring heeft uitgesproken van een geldbedrag dat nu juist met het oog op het verhaal van een eventuele geldboete inbeslaggenomen was. Naar mijn mening is er dus sprake van een misslag in het bestreden arrest waardoor de verdachte daadwerkelijk is geschaad.”
19. De Hoge Raad overwoog als volgt:
“ Nu het middel niet tot cassatie kan leiden, terwijl de Hoge Raad ook geen grond aanwezig oordeelt waarop de bestreden uitspraak ambtshalve zou behoren te worden vernietigd, moet het beroep worden verworpen. Daarbij heeft de Hoge Raad in aanmerking genomen dat een brief van 22 september 2002 van de Officier van Justitie aan de raadsman van de verdachte inhoudt dat de Officier van Justitie heeft beslist dat de geldbedragen waarop conservatoir beslag is gelegd aan de verdachte dienen te worden teruggegeven. Een aantekening op het zich in het dossier bevindende bewijs van ontvangst houdt in dat het geld daadwerkelijk aan de verdachte is teruggegeven.”
20. Uit het arrest van de Hoge Raad lijkt mij (anders dan het Hof kennelijk meent) niet veel meer af te leiden dan dat enige beslissing op het ambtshalve aangestipte punt in de betreffende zaak niet meer noodzakelijk was. Aan het conservatoir beslag kwam immers door (de toezegging omtrent de) teruggave een einde. Als ik het goed zie is ook in het onderhavige geval het door mijn voormalig ambtgenoot ambtshalve aangestipte punt niet beslissend. Het Hof heeft immers een geldboete opgelegd en het conservatoir beslag is bedoeld en kan worden aangewend voor de tenuitvoerlegging daarvan. Waarom in een dergelijk geval een beslissing omtrent dat conservatoir beslag noodzakelijk zou zijn zie ik niet in. Integendeel geldt dat het conservatoir beslag bestemd is voor de tenuitvoerlegging van de boete, althans voor het geval dat, zoals hier, een boete wordt opgelegd. Het is dus niet onjuist of onbegrijpelijk dat het Hof (gelet op de oplegging van de geldboete) overweegt dat verbeurdverklaring van (ten behoeve van de tenuitvoerlegging van een geldboete gelegd) conservatoir beslag niet mogelijk is. Wellicht kan dat in bijzondere (hier niet aanwezige) gevallen anders liggen wanneer vanwege het openbaar ministerie gegevens worden verstrekt die de schatting van de inbeslaggenomen verbeurd te verklaren voorwerpen op een geldelijk bedrag mogelijk maken zodat desgewenst, zo nodig onder toepassing van art. 33c Sr, voorwerpen kunnen worden verbeurd verklaard. Als tenslotte (schriftuur 2.4.1) wordt geklaagd over het ontbreken van een beslissing over verbeurdverklaring mist dat feitelijke grondslag. De vordering tot verbeurdverklaring is (impliciet) afgewezen en de rechter is niet gehouden die beslissing (expliciet) in het vonnis of arrest op te nemen of nader te motiveren.
21. De slotsom is dat ook het tweede middelfaalt.
22. De middelen falen en kunnen worden afgedaan met de aan art. 81 RO ontleende overweging. Gronden waarop de Hoge Raad gebruik zou moeten maken van zijn bevoegdheid de bestreden uitspraak ambtshalve te vernietigen, heb ik niet aangetroffen.
22. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG