1. Het Gerechtshof te Amsterdam heeft bij arrest van 16 november 2011 verdachte niet-ontvankelijk verklaard in het hoger beroep.
2. Namens verdachte is beroep in cassatie ingesteld en heeft mr. B.P. de Boer, advocaat te Amsterdam, bij schriftuur een middel van cassatie voorgesteld.
3. Het middel klaagt er over dat het Hof de dagvaarding in hoger beroep niet nietig heeft verklaard, dat het Hof verstek heeft verleend en dat het Hof niet de schorsing van het onderzoek ter terechtzitting heeft bevolen, althans over de motivering van deze en daarmee samenhangende beslissingen.
4. Het bestreden arrest is bij verstek (raadsman niet gemachtigd) gewezen en houdt, voor zover voor de beoordeling van het middel van belang, het volgende in:
“Nu de verdachte geen schriftuur houdende grieven heeft ingediend, noch mondeling zijn bezwaren tegen het vonnis heeft opgegeven en ook overigens niet is gebleken van enig rechtens te beschermen belang dat is gediend met enig onderzoek van de zaak zelf, zal hij gelet op het bepaalde in artikel 416, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering niet ontvankelijk verklaard worden in het ingestelde hoger beroep.”
5. De overige stukken van het geding houden, voor zover voor de beoordeling van het belang, het volgende in:
- De dagvaarding in hoger beroep is blijkens een akte van uitreiking op 28 maart 2011 uitgereikt aan de griffier van de rechtbank, omdat van de geadresseerde geen woon- of verblijfplaats bekend is.
- Een ID-staat SKBD van 28 maart 2011 meldt als GBA-adres sinds 8 juli 2005: [a-straat 1] [plaats] Spanje. Voorts is vermeld dat verdachte niet gedetineerd is en dat zijn laatste woon- of verblijfplaats niet beschikbaar is.
- Een (andere) akte van uitreiking van de dagvaarding vermeldt dat de gerechtelijke brief op 28 maart 2011 aangetekend is verzonden naar het zojuist vermelde adres in Spanje.
- Een beschikking van de voorzitter van het Gerechtshof Amsterdam van 30 juli 2010 met bevel dat de zaak ter terechtzitting aanhangig zal worden gemaakt, vermeldt als adres [b-straat 1], (België).
- Een brief van verdachte van 12 april 2010 aan de strafgriffie van de Rechtbank Amsterdam en aldaar blijkens een op de brief geplaatst stempel ingekomen op 14 april 2010 bevat een verzoek hoger beroep in te stellen en vermeldt als huidig adres [b-straat 1] te [plaats] (Be).
- Een akte instellen rechtsmiddel van 23 april 2010 vermeldt naast het Spaanse GBA-adres als post/verblijf/huidig adres [b-straat 1].
- Een bij verstek gewezen uitspraak van de Politierechter van 8 december 2009 bevat naast het Spaanse GBA-adres als huidig verblijfsadres: [b-straat 1], [plaats], België.
6. Voor de beoordeling van het middel zijn de volgende overwegingen uit een arrest van uw Raad van 8 juli 2008, ECLI:NL:HR:2008:BD2547, NJ 2008/428 van belang:
“3.3. Blijkens art. 1 van de Wet gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens (hierna: Wet GBA) wordt onder ingezetene verstaan de ingeschrevene op wiens persoonslijst niet het gegeven van zijn overlijden of van zijn vertrek uit Nederland als actueel gegeven is opgenomen. Ingevolge art. 68, eerste lid, Wet GBA is de ingezetene die naar redelijke verwachting gedurende een jaar ten minste twee derden van de tijd buiten Nederland zal verblijven, verplicht bij het college van burgemeester en wethouders van de gemeente van inschrijving binnen vijf dagen voor zijn vertrek uit Nederland schriftelijk aangifte van vertrek te doen. Ingevolge het tweede lid van dat artikel doet hij in die aangifte mededeling van dat vertrek, van het volgende land van verblijf en van het eerste adres van verblijf in dat land.
3.4. Gelet op het onder 3.2 vermelde GBA-overzicht moet worden aangenomen dat de verdachte aan laatstbedoelde verplichting heeft voldaan en dat hij als eerste adres van verblijf in het land waarnaar hij is vertrokken heeft opgegeven [b-straat 1] [postcode] [plaats B] (België). Dat brengt mee dat hij na zijn vertrek niet langer kan worden aangemerkt als ingezetene in de zin van de Wet GBA en dus ook niet als ingezetene in de zin van art. 588, eerste lid, aanhef en onder b, Sv, zulks ondanks de vermelding van zijn adres in de GBA. Wel kan een dergelijk, bij vertrek opgegeven adres worden aangemerkt als bekende woon- of verblijfplaats in het buitenland in de zin van art. 588, tweede lid, Sv. Dat lijdt evenwel uitzondering indien - zoals hier - de verdachte nadien in het kader van een tegen hem ingestelde strafvervolging een ander adres in het buitenland heeft opgegeven. In dat geval moet dat opgegeven adres als adres in het buitenland worden aangemerkt, waarop gerechtelijke stukken zoals de dagvaarding in hoger beroep moeten worden betekend.
3.5. In het licht van hetgeen hiervoor onder 3.4 is overwogen is het in de bestreden uitspraak besloten liggende oordeel van het Hof dat de dagvaarding in hoger beroep rechtsgeldig is betekend niet zonder meer begrijpelijk. Het middel is terecht voorgesteld. De Hoge Raad zal de appeldagvaarding om doelmatigheidsredenen nietig verklaren.”
7. De onder 5 vermelde gegevens betekenen in het licht van de overwegingen van Uw Raad onder 6 dat het in de bestreden uitspraak besloten liggende oordeel van het Hof dat de dagvaarding in hoger beroep rechtsgeldig is betekend niet zonder meer begrijpelijk is. Het middel is terecht voorgesteld. Het ligt voor de hand dat de Hoge Raad de appeldagvaarding om doelmatigheidsredenen nietig zal verklaren.
8. Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden uitspraak en tot nietig verklaring van de dagvaarding in hoger beroep.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG