2. Bespreking van het cassatiemiddel
Het cassatiemiddel, dat onder 1.1-1.6 een omschrijving van de kern van de zaak en het procesverloop bevat, bestaat uit vier onderdelen (2.1-2.4). Deze zijn gericht tegen de rechtsoverwegingen 3.3-3.5 en de beslissing onder 4 om [eiser] in zijn hoger beroep niet-ontvankelijk te verklaren. In genoemde rechtsoverwegingen heeft het hof als volgt geoordeeld:
“3.3 De termijn van hoger beroep bedraagt ingevolge artikel 339 lid 1 Rv drie maanden, te rekenen van de dag van de uitspraak van het vonnis. Dit betekent dat de termijn om hoger beroep in te stellen tegen het vonnis van 17 oktober 2007 voor [eiser] op 17 januari 2008 is verstreken. [eiser] kan dan ook niet in zijn eerst bij dagvaarding van 19 juni 2013 ingestelde hoger beroep worden ontvangen.
Het is het hof ambtshalve bekend dat tegen het bestreden vonnis van 17 oktober 2007 bij exploot van 10 januari 2008 hoger beroep is ingesteld door [verweerder]. In die procedure (bekend onder nummer 200.005.109) is [eiser], evenals de andere geïntimeerden, niet verschenen en daarin is op 18 december 2012 eindarrest gewezen. Voor zover [eiser] bedoeld mocht hebben tegen dat verstekarrest in verzet te komen, kan hem dat niet baten. Het exploot van 19 juni 2013 kan niet anders worden uitgelegd dan als een appeldagvaarding waarmee hoger beroep is ingesteld tegen het vonnis van 17 oktober 2007. De wet voorziet niet in de mogelijkheid van conversie van het rechtsmiddel hoger beroep in het rechtsmiddel verzet.
De slotsom is dat [eiser] niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in het hoger beroep en dat hij als de in het ongelijk gestelde partij de proceskosten van het hoger beroep dient te dragen.”
De onderdelen 1, 2 en 4 klagen – samengevat en zakelijk weergegeven – dat een appellant die (i) bij verstek is veroordeeld in een vonnis dat wordt beschouwd op tegenspraak te zijn gewezen, (ii) pas na het verstrijken van de appeltermijn van dat vonnis op de hoogte is geraakt, en (iii) vervolgens binnen veertien dagen na kennisname van dat vonnis appel instelt, in aanmerking behoort te komen voor een verschoonbare termijnoverschrijding en in ieder geval in de gelegenheid behoort te worden gesteld om een beroep daarop te doen. Nu het hof arrest heeft gewezen op de lege appeldagvaarding en [eiser] niet in de gelegenheid heeft gesteld om een memorie van grieven te nemen of anderszins uit de doeken te doen waarom de uitzondering van verschoonbare termijnoverschrijding in zijn geval van toepassing was, heeft het hof, aldus nog steeds de onderdelen, art. 6 EVRM geschonden, alsmede het beginsel van hoor en wederhoor en de goede procesorde, althans zijn oordeel onbegrijpelijk gemotiveerd.
De Hoge Raad heeft op 3 oktober 2014 uitspraak gedaan in een geval dat gelijkenis vertoont met het onderhavige geval. De Hoge Raad overwoog:
“3.4.1 Als een eiser meer dan één gedaagde heeft gedagvaard en ten minste één van de gedaagden in het geding verschijnt, wordt tegen de niet verschenen gedaagden verstek verleend en wordt voortgeprocedeerd (art. 140 lid 1 Rv). Tussen alle partijen wordt één vonnis gewezen, dat als een vonnis op tegenspraak wordt beschouwd (art. 140 lid 3 Rv). In de dagvaarding moet hierop worden gewezen (art. 111 lid 2, aanhef en onder j, Rv).
Deze regeling strekt ertoe dat in alle gevallen waarin een vordering tegen meer gedaagden wordt ingesteld, tussen de eiser(s) en de gedaagden geen tegenstrijdige vonnissen ten aanzien van een zelfde rechtsbetrekking worden gewezen (vgl. HR 28 mei 1999, ECLI:NL:HR:1999:ZC2911, NJ 2000/290).
De gedaagde die bij verstek is veroordeeld in een vonnis dat volgens art. 140 lid 3 Rv een vonnis op tegenspraak is, heeft slechts het rechtsmiddel van hoger beroep. Termijnen voor het instellen van een rechtsmiddel, zoals hier die van art. 339 Rv, zijn van openbare orde. In het belang van een goede rechtspleging moet duidelijkheid bestaan omtrent het tijdstip waarop een termijn voor het aanwenden van een rechtsmiddel aanvangt en eindigt. Aan rechtsmiddelentermijnen moet strikt de hand worden gehouden. Slechts onder bijzondere omstandigheden is plaats voor een uitzondering (vgl. HR 21 februari 2014, ECLI:NL:HR:2014:413, NJ 2014/131).
De toepassing van de art. 140 en 339 Rv in een concreet geval mag niet tot gevolg hebben dat het recht op toegang tot de rechter in de kern wordt aangetast (vgl. voor de regeling van de verzettermijnen: HR 5 september 2014, ECLI:NL:HR:2014:2629). Daarom is overschrijding van de appeltermijn niet zonder meer fataal in een geval als het onderhavige, waarin de inleidende dagvaarding niet in persoon is betekend, en (zoals hier in cassatie uitgangspunt is, zie de conclusie van de Advocaat-Generaal onder 2.23) het vonnis aan de bij verstek veroordeelde niet bekend is geworden voorafgaand aan het verstrijken van de appeltermijn. Niet-ontvankelijkverklaring wegens termijnoverschrijding moet dan achterwege blijven indien de veroordeelde hoger beroep heeft ingesteld binnen een redelijke termijn. Die termijn bedraagt veertien dagen – of zoveel minder als overeenstemt met een kortere wettelijke beroepstermijn – en vangt aan op de dag volgend op die waarop het vonnis aan de veroordeelde in persoon is betekend dan wel deze anderszins met het vonnis bekend is geraakt.
Het vonnis is op 21 maart 2011 aan [betrokkene] in persoon betekend. Hij heeft op 18 april 2011 het appelexploot doen uitbrengen. De zojuist bedoelde termijn van veertien dagen is dus overschreden. Aangezien evenwel eerst door het onderhavige arrest duidelijk wordt welke weg moet worden gevolgd in een geval als het onderhavige, behoort in dit geval te worden geoordeeld dat het hoger beroep aldus tijdig is ingesteld.”
Met dit arrest heeft de Hoge Raad aanvaard dat een uitzondering kan worden aangenomen op de regel dat aan beroepstermijnen strikt de hand moet worden gehouden in gevallen waarin een uitspraak is gewezen dat overeenkomstig art. 140 lid 3 Rv als vonnis op tegenspraak moet worden beschouwd, de niet verschenen gedaagde pas na het verstrijken van de beroepstermijn op de hoogte raakt van de (inhoud van de) uitspraak en hij hoger beroep instelt binnen veertien dagen – of zoveel minder als overeenstemt met een kortere wettelijke beroepstermijn – volgend op die waarop het vonnis aan de veroordeelde in persoon is betekend dan wel deze anderszins met het vonnis bekend is geraakt.
De appeltermijn is in het onderhavige geval aangevangen op 18 oktober 2007, de dag nadat het eindvonnis is gewezen, en verstreek derhalve op 17 januari 2007. De appeldagvaarding is pas op 19 juni 2013 (bijna vijf en een half jaar later) uitgebracht, zodat dit in beginsel tot niet-ontvankelijkverklaring leidt.
Het cassatiemiddel voert ter rechtvaardiging van de verschoonbaarheid van de termijnoverschrijding (onder meer) de volgende omstandigheden aan:
(i) De inleidende dagvaarding is niet (rechtsgeldig) aan [eiser] betekend en hij heeft deze in elk geval destijds niet ontvangen.
(ii) [eiser] is niet bekend met het vonnis van 17 oktober 2007 en evenmin op de hoogte van de (inhoud van de) appelprocedure.
(iii) [eiser] is van 1 november 2006 tot eind 2012 failliet geweest en hoewel [verweerder] een – door [eiser] betwiste – vordering ter verificatie bij de curator heeft ingediend, heeft [verweerder] in dat verband geen beroep gedaan op het vonnis van 17 oktober 2007 en ook tijdens de verificatievergadering van 13 november 2008 is een (appel)procedure niet aan de orde geweest.
(iv) [eiser] is op 17 juni 2013 telefonisch via de Sociale verzekeringsbank op de hoogte geraakt van het feit dat een deurwaarder namens [verweerder] beslag had gelegd op zijn AOW uitkering.
(v) Op 18 juni 2013 heeft de door [eiser] daarop ingeschakelde advocaat van de deurwaarder een afschrift van het aan dat beslag ten grondslag liggende vonnis van 17 oktober 2007 verkregen.
(vi) Op 19 juni 2013 heeft de advocaat van [eiser] een appeldagvaarding doen uitgaan tegen 17 december 2013, tegen welke datum de zaak ook is aangebracht.
Ervan uitgaande dat het vonnis van 17 oktober 2007 nimmer in persoon aan [eiser] is betekend en het vonnis op 18 juni 2013 aan hem bekend is geworden, leiden de onder 2.5 genoemde omstandigheden, indien juist, er m.i. toe dat [eiser] ontvankelijk is in zijn hoger beroep nu het is ingesteld binnen veertien dagen nadat hij met het vonnis van 17 oktober 2007 bekend is geraakt. Het hof heeft over deze omstandigheden evenwel niets vastgesteld en – anders dan in het geval dat aan de orde was in het arrest van 3 oktober 2014 – partijen ook niet in de gelegenheid gesteld om zich uit te laten over de ontvankelijkheid van het hoger beroep.
De onderdelen zijn derhalve in zoverre terecht voorgesteld.
Het bestreden arrest kan mitsdien niet in stand blijven. Aangezien het hof zich inhoudelijk nog niet over de zaak heeft uitgelaten, kan terugwijzing plaatsvinden.
Onderdeel 3 dat klaagt dat het hof buiten het partijdebat is getreden door in rechtsoverweging 3.4 een ambtshalve aan hem bekend feit aan het niet-ontvankelijkheidsoordeel ten grondslag te leggen, waarmee die beslissing tevens een ontoelaatbare verrassingsbeslissing is, behoeft gezien het voorgaande geen bespreking.
3. Conclusie
De conclusie strekt tot vernietiging van het arrest van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, locatie Arnhem, van 28 januari 2014 en terugwijzing.
De Procureur-Generaal bij de
Hoge Raad der Nederlanden
A-G