2. Bespreking van het incidentele verzoek
In dit incident verzoekt mr. Dekker dat aan Sypesteyn wordt bevolen om zekerheid te stellen voor de proceskosten, en wel binnen een door de Hoge Raad te bepalen termijn en voor een zodanig bedrag als de Hoge Raad in goede justitie vermeent te behoren, en op straffe van niet-ontvankelijkheid van het door Sypesteyn ingestelde cassatieberoep (art. 224 jo. art. 414 Rv).
Aan dit incidentele verzoek legt mr. Dekker ten grondslag dat Sypesteyn statutair gevestigd is te Amsterdam, maar staan ‘ingeschreven’ op een postadres te Dubai, in de Verenigde Arabische Emiraten. De Verenigde Arabische Emiraten zijn geen partij bij het Haags Rechtsvorderingsverdrag 1954 en tegen Sypesteyn is in Nederland geen verhaal mogelijk voor de proceskosten. Sypesteyn betaalt de proceskosten ook niet vrijwillig. Mr. Dekker wijst er op dat het hof Sypesteyn bij arrest van 7 juli 2015, dat in zoverre uitvoerbaar bij voorraad is verklaard, veroordeeld heeft in de proceskosten. Aan deze proceskostenveroordeling heeft Sypesteyn, ondanks een daartoe gedaan verzoek, niet voldaan; aldus telkens mr. Dekker.
Sypesteyn, SCPD en Crescendo voeren verweer tegen het incidentele verzoek. Zij stellen dat Sypesteyn statutair gevestigd is te Amsterdam, en dat zij gezien het bepaalde in art. 1:10 lid 2 BW dus woonplaats heeft in Nederland. Voor een bevel tot zekerheidstelling ex art. 224 jo. art. 414 Rv zou om die reden geen ruimte zijn. Verder zou Sypesteyn in deze procedure niet beschouwd kunnen worden als degene die een vordering instelt of die zich voegt of tussenkomt in een geding, een en ander als bedoeld in art. 224 lid 1 Rv. Het bepaalde in art. 224 Rv is in een faillissementsprocedure als de onderhavige bovendien helemaal niet van toepassing; aldus telkens Sypesteyn, SCPD en Crescendo.
Het incidentele verzoek tot zekerheidstelling ex art. 224 jo. art. 414 Rv is mijns inziens niet toewijsbaar. Zowel mr. Dekker als Sypesteyn, SCPD en Crescendo stellen dat Sypesteyn statutair gevestigd is te Amsterdam. Sypesteyn, SCPD en Crescendo wijzen er terecht op dat een vennootschap die statutair gevestigd is te Amsterdam, gezien het bepaalde in art. 1:10 lid 2 BW, aldaar ook (in elk geval mede) woonplaats heeft. Art. 224 Rv biedt geen grond voor een bevel tot zekerheidstelling voor proceskosten aan een partij die woonplaats heeft in Nederland. Hieruit volgt reeds dat het incidentele verzoek van mr. Dekker afgewezen dient te worden. Dat een eventuele proceskostenveroordeling van Sypesteyn mogelijk niet met succes op deze vennootschap verhaald kan worden, kan daaraan niet afdoen.
3. Conclusie
De conclusie strekt tot afwijzing van het incidentele verzoek tot zekerheidstelling.
De Procureur-Generaal bij de
Hoge Raad der Nederlanden
A-G