ECLI:NL:PHR:2015:2056

ECLI:NL:PHR:2015:2056, Parket bij de Hoge Raad, 25-08-2015, 14/00423

Instantie Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak 25-08-2015
Datum publicatie Onbekend
Zaaknummer 14/00423
Rechtsgebied Strafrecht
Gerelateerde zaken
Formele relatie: ECLI:NL:HR:2015:3029
Jurisprudentie Netwerk (LiDo)
Verwijst naar 3 zaken
Aangehaald door 1 zaken
2 wettelijke verwijzingen

Verwijst naar

Aangehaald door

Wettelijke verwijzingen

BWBR0001830 BWBR0001854

Samenvatting

1. HR: art. 81.1 RO. 2. Openlijk in vereniging plegen van geweld, art. 141.1 Sr. In vereniging gepleegd? HR verwijst naar ECLI:NL:HR:2003:AL6209. Blijkens de wetsgeschiedenis is van het “in vereniging” plegen van geweld sprake indien de betrokkene een voldoende significante of wezenlijke bijdrage levert aan het geweld, zij het dat deze bijdrage zelf niet van gewelddadige aard behoeft te zijn. De enkele omstandigheid dat iemand aanwezig is in een groep die openlijk geweld pleegt is dus niet z.m. voldoende om hem te kunnen aanmerken als iemand die “in vereniging” geweld pleegt. HR verwijst naar ECLI:NL:HR:2015:713. De rechter zal moeten beoordelen of de door de verdachte geleverde - intellectuele en/of materiële - bijdrage aan het delict van voldoende gewicht is. I.c. is ’s Hofs oordeel dat de bijdrage van de verdachte voldoende is om ten aanzien van hem te kunnen spreken van het “in vereniging” plegen van het bewezenverklaarde geweld, dat heeft bestaan uit het met vuurwapens schieten op twee woningen, niet onbegrijpelijk. Daarbij neemt de HR in aanmerking dat het Hof heeft vastgesteld dat de verdachte het adres heeft gegeven, dat hij samen met vijf anderen naar die woning is gereden, dat hij tweemaal op de deur van de woning heeft geklopt, de naam van de bewoner heeft geroepen en de groep getalsmatig heeft versterkt. 3. Inzendtermijn, HR vermindert de gevangenisstraf en bepaalt de proeftijd op twee jaren. Conclusie AG over middel 2: anders.

Uitspraak

3. Toereikend bewijs voor poging tot doodslag

Anders dan de raadsman heeft aangevoerd, namelijk dat niet kan worden vastgesteld dat er een aanmerkelijke kans op de dood van de in de woningen aanwezige personen bestond, is het hof van oordeel dat er toereikend bewijs is om het grondfeit – poging tot doodslag – wettig en overtuigend bewezen te verklaren.

Met de rechtbank is het hof namelijk: van oordeel dat, gelet op:

- de inrichting van de benedenverdiepingen van de percelen 5 en 7,

- de omstandigheid dat ten tijde van het schietincident in beide percelen personen aanwezig waren in de keuken dan wel de woonkamer,

- het forensisch onderzoek waaruit blijkt dat kogels/hulzen (al dan niet via ricochet) aangetroffen zijn in de keuken en woonkamer van beide percelen,

er een aanmerkelijke kans bestond dat ten gevolge van het schieten de personen die zich beneden - en in het schootsveld - in de woningen bevonden dodelijk zouden worden geraakt. Deze gedragingen zijn naar hun uiterlijke verschijningsvorm zo zeer gericht op een bepaald gevolg dat het niet anders kan zijn dan dat de schutter(s), door op zodanige wijze te schieten, bewust die aanmerkelijke kans op het gevolg heeft/hebben aanvaard.

Op grond van het voorgaande is het hof van oordeel dat er sprake is geweest van voorwaardelijk opzet op de dood van de in de woningen aanwezige personen.

4. Ontoereikend bewijs voor medeplegen van poging tot doodslag

Met de advocaat-generaal en de verdediging is het hof van oordeel dat verdachte dient te worden vrijgesproken van het onder 1 primair ten laste gelegde medeplegen van poging tot doodslag.

[…]

6. Openlijke geweldpleging

Uit de hiervoor bij het onder 1 ten laste gelegde genoemde feiten en omstandigheden volgt dat er op 21 augustus 2011 te Almere openlijk geweld is gepleegd.

Het hof is - zoals overwogen - van oordeel dat wettig en overtuigend kan worden bewezen dat verdachte samen met onder meer medeverdachte [medeverdachte 1] naar de woning aan de [a-straat] nummer 7 is gegaan en dat er op de woningen aan de [a-straat] nummers 5 en 7 is geschoten, terwijl zich in die woningen meerdere personen bevonden.

Verdachte heeft verklaard dat hij dacht dat er klappen zouden vallen. Hij heeft zich dan ook van tevoren gerealiseerd dat er geweld gepleegd zou worden. Niettemin heeft verdachte het adres gegeven, is hij samen met [medeverdachte 1] - en twee andere auto’s met daarin meerdere personen - naar de woning gereden en heeft hij op de deur van de woning geklopt. Door mee te gaan heeft hij bovendien de groep getalsmatig versterkt.

Gelet op het voorgaande is het hof van oordeel dat verdachte en zijn mededaders door meermalen op die woningen te schieten openlijk in vereniging geweld hebben gepleegd tegen de zich daarin bevindende personen. Het onder 2 ten laste gelegde kan aldus wettig en overtuigend bewezen worden.”

Het eerste middel klaagt over de bewezenverklaring van het onder 1 subsidiair ten laste gelegde en richt zich tegen het oordeel van het Hof dat sprake was van de voor voorwaardelijk opzet vereiste aanmerkelijke kans, alsmede tegen het oordeel dat de schutters die aanmerkelijke kans bewust hebben aanvaard.

Bij de beoordeling van het middel moet het volgende worden vooropgesteld. Voorwaardelijk opzet op een bepaald gevolg is aanwezig indien de verdachte zich bewust heeft blootgesteld aan de aanmerkelijke kans dat dat gevolg zal intreden.

De beantwoording van de vraag of de gedraging de aanmerkelijke kans op een bepaald gevolg in het leven roept, is afhankelijk van de omstandigheden van het geval, waarbij betekenis toekomt aan de aard van de gedraging en de omstandigheden waaronder deze is verricht. Er is geen grond de inhoud van het begrip 'aanmerkelijke kans' afhankelijk te stellen van de aard van het gevolg. Het zal in alle gevallen moeten gaan om een kans die naar algemene ervaringsregels aanmerkelijk is te achten.

Voor de vaststelling dat de verdachte zich willens en wetens heeft blootgesteld aan zulk een kans is niet alleen vereist dat de verdachte wetenschap heeft van de aanmerkelijke kans dat het gevolg zal intreden, maar ook dat hij die kans ten tijde van de gedraging bewust heeft aanvaard (op de koop toe heeft genomen). Bepaalde gedragingen kunnen naar hun uiterlijke verschijningsvorm worden aangemerkt als zo zeer gericht op een bepaald gevolg dat het - behoudens contra-indicaties - niet anders kan zijn dan dat de verdachte de aanmerkelijke kans op het desbetreffende gevolg heeft aanvaard.

In het geval dat op de buitenzijde van een woning is geschoten, lijkt voor het bestaan van een aanmerkelijke kans dat een zich in die woning bevindend persoon (dodelijk) wordt getroffen doorslaggevende betekenis toe te komen aan het antwoord op de vraag of de persoon in kwestie zich in een vertrek bevond waarin de afgevuurde kogel kon doordringen.

Dat het bestaan van een aanmerkelijke kans als objectief vereiste in dergelijke situaties op zodanige wijze pleegt te worden ingevuld, kan bijvoorbeeld worden afgeleid uit de volgende drie gevallen in de jurisprudentie van de Hoge Raad, die met het onderhavige geval enige gelijkenis vertonen.

In HR 6 september 2005, ECLI:NL:HR:2005:AT2760, NJ 2006/50 had de verdachte vanaf de straat met een vuurwapen een schot gelost op een raam van de woonkamer van een appartement op de tweede etage. In dat appartement bevonden zich naar de verdachte wist op dat moment twee vrouwen. Het Hof nam voorwaardelijk opzet aan omdat de verdachte willens en wetens de aanmerkelijke kans had aanvaard dat de kogel via het plafond of via een ander voorwerp van baan zou veranderen en een persoon zou raken. Nu was het probleem dat ten aanzien van één van de twee vrouwen niet uit de bewijsmiddelen kon worden afgeleid dat zij zich op het moment van schieten in de woonkamer bevond. Volgens de Hoge Raad schoot de motivering van het bewezenverklaarde (voorwaardelijk) opzet tekort voor zover het die vrouw betrof. Ten aanzien van de andere vrouw, van wie wel vaststond dat zij zich op het moment van schieten in de kamer bevond, was dat anders.

In HR 20 april 2010, ECLI:NL:HR:2010:BL6765, NJ 2010/250 schoot de verdachte op en door de voordeur van een woning. De Hoge Raad oordeelde het bewijs van voorwaardelijk opzet onvoldoende omdat het slachtoffer zich op het moment van schieten niet in de achter de voordeur gelegen gang had bevonden, maar in de slaapkamer, 'terwijl die slaapkamer niet in het verlengde van de voordeur was gelegen.'

In HR 17 januari 2012, ECLI:NL:HR:2012:BU5260, NJ 2012/131 had de verdachte meermaals geschoten in de richting van de ramen van de slaapkamer waarin de in de bewezenverklaring genoemde personen aanwezig waren. De Hoge Raad verwierp het door de verdachte ingestelde cassatieberoep en overwoog dat het oordeel van het Hof dat de gedragingen van de verdachte de aanmerkelijke kans op de dood van deze personen in het leven hadden geroepen niet van een onjuiste rechtsopvatting getuigde en evenmin onbegrijpelijk was.

Anders dan in HR 6 september 2005 blijkt hier uit het bestreden arrest niet slechts dat de in de bewezenverklaring genoemde personen in de bewuste woningen aanwezig waren, doch ook in welke ruimte ieder van hen zich bevond. Het Hof heeft immers overwogen dat ten tijde van de in de bewezenverklaring genoemde schoten in beide percelen personen aanwezig in de keuken of de woonkamer. De in de woning [a-straat] 7 aanwezige personen bevonden zich in de woonkamer en de keuken van die woning, terwijl de in de woning [a-straat] 5 aanwezige personen zich in de woonkamer van die woning bevonden.

Het Hof heeft vastgesteld dat de afgevuurde kogels beide woningen door de keukenramen zijn binnengedrongen (in het keukenraam van nummer 7 zijn twee gaten aangetroffen en ook in het keukenraam van nummer 5 zaten twee kogelgaten en een derde beschadiging plus kogel). Voorts heeft het Hof vastgesteld dat in de betreffende woningen de keuken aan de voorzijde is gelegen en richting de achterzijde rechtstreeks doorloopt in de woonkamer. Keuken en woonkamer vormen een aaneengesloten ruimte, die niet middels deuren of muren wordt gescheiden. Anders dan in HR 20 april 2010 doet zich hier dus niet het geval voor dat de aanwezige personen zich in een ruimte bevonden die niet in het verlengde lag van de plek waar de kogels de woning zijn binnengedrongen. Sterker, bij forensisch onderzoek zijn in zowel de keukens als de woonkamers van beide woningen (fragmenten van) kogels aangetroffen. In de woning op nummer 7 werden zelfs achterin de woonkamer fragmenten van projectielen aangetroffen en in de woning op nummer 5 is munitie aangetroffen in de directe nabijheid van de bank waar de aanwezigen ten tijde van het schietincident zaten. In beide woningen zijn projectielen tegen de keukenmuur gericocheerd. Kortom: de in de bewezenverklaring genoemde personen bevonden zich in vertrekken waar de afgevuurde kogels konden doordringen en ook zijn doorgedrongen.

In het verlengde daarvan ligt dat de klacht over het gebruik van de term 'schootsveld' door het Hof niet kan slagen. Met die term bedoelt het Hof kennelijk de optelsom van alle plaatsen waar de door de schutters afgevuurde kogels hadden kunnen terechtkomen. In dat licht bezien en gelet op de uitkomsten van het forensisch onderzoek, is de bewuste overweging van het Hof geenszins onbegrijpelijk.

In het onderhavige geval staat vast dat, toen de schutters herhaaldelijk schoten op de keukenramen van de twee woningen, de in elke woning aanwezige personen zich in de direct achter deze keukenramen gelegen ruimte bevonden. Daaruit kan het bestaan van een objectief gezien aanmerkelijke kans dat de genoemde personen door de kogels werden getroffen mijns inziens zonder meer worden afgeleid. Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen getuigt 's Hofs oordeel dat een aanmerkelijke kans bestond dat de afgevuurde kogels de in de woningen aanwezige personen dodelijk zouden raken niet van een onjuiste rechtsopvatting en is dat oordeel evenmin onbegrijpelijk.

In de hiervoor onder 3.4 weergegeven overwegingen van het Hof ligt als diens oordeel besloten dat de gedragingen van de schutters, het schieten van kogels door de keukenramen van de desbetreffende woningen, naar hun uiterlijke verschijningsvorm zo zeer zijn gericht op een bepaald gevolg, te weten de dood van de in de ruimte achter die ramen aanwezige personen, dat het niet anders kan zijn dan dat de schutters door op zodanige wijze te schieten bewust de aanmerkelijke kans op dat gevolg hebben aanvaard. Gelet op de specifieke omstandigheden van het geval, zoals die door het Hof zijn vastgesteld, geeft ook dit oordeel geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting en is het evenmin onbegrijpelijk.

Het middel faalt.

Het tweede middel klaagt over de bewezenverklaring van het onder 2 ten laste gelegde en richt zich tegen het – kennelijke – oordeel van het Hof dat verdachte een significante of wezenlijke bijdrage heeft geleverd aan het door anderen gepleegde geweld.

Het bij art. 141, eerste lid, Sr strafbaar gestelde "in vereniging plegen" van geweld eist dat de verdachte "een voldoende significante of wezenlijke bijdrage aan het geweld" heeft geleverd, zij het dat deze bijdrage zelf niet van gewelddadige aard behoeft te zijn geweest. De enkele omstandigheid dat iemand aanwezig is in een groep die openlijk geweld pleegt is dus niet zonder meer voldoende om hem te kunnen aanmerken als iemand die "in vereniging" geweld pleegt.

In zijn arrest van 2 december 2014, ECLI:NL:HR:2014:3474 heeft de Hoge Raad enige algemene overwegingen over het medeplegen gegeven, in het bijzonder gericht op de afbakening tussen medeplegen en medeplichtigheid en meer in het bijzonder met het oog op gevallen waarin het medeplegen niet bestaat in gezamenlijke uitvoering. Voor de kwalificatie medeplegen is vereist dat sprake is van nauwe en bewuste samenwerking. Die kwalificatie is slechts gerechtvaardigd als de bewezenverklaarde - intellectuele en/of materiële - bijdrage van de verdachte aan het delict van voldoende gewicht is.

Het voorgaande geldt in vergelijkbare zin indien het medeplegen - bijvoorbeeld in de vorm van 'in vereniging' - een bestanddeel vormt van de delictsomschrijving. Ook in een geval waarin de tenlastelegging het delictsbestanddeel 'gepleegd door twee of meer verenigde personen' bevat, zal de rechter derhalve moeten beoordelen of de door de verdachte geleverde bijdrage aan het delict van voldoende gewicht is.

De bijdrage van de medepleger zal in de regel worden geleverd tijdens het begaan van het strafbare feit in de vorm van een gezamenlijke uitvoering van het feit. Ook indien de verdachte hoofdzakelijk gedragingen voor en/of na de uitvoering van het strafbare feit heeft verricht, is in uitzonderlijke gevallen medeplegen echter denkbaar. Zeker in dergelijke, in zekere zin afwijkende of bijzondere, situaties dient in de bewijsvoering aandacht te worden besteed aan de vraag of wel zo bewust en nauw is samengewerkt bij het strafbare feit dat van medeplegen kan worden gesproken, in het bijzonder dat en waarom de bijdrage van de verdachte van voldoende gewicht is geweest. Een geringe rol of het ontbreken van enige rol in de uitvoering van het delict zal in dergelijke uitzonderlijke gevallen wel moeten worden gecompenseerd, bijvoorbeeld door een grote(re) rol in de voorbereiding.

In het oordeel van het Hof dat verdachte niet als medepleger van poging tot doodslag is aan te merken (arrest onder 4) is als zijn oordeel vervat dat geen sprake is van nauwe en bewuste samenwerking tussen verdachte en de schutters. Dat verdachte naar het oordeel van het Hof wel opzet heeft gehad op een deel ([poging tot zware] mishandeling) van het door de schutters gepleegde gronddelict (poging tot doodslag), blijkt uit ’s Hofs overwegingen ten aanzien van de vraag of verdachte als medeplichtige aan poging tot doodslag is aan te merken (arrest onder 5). Uit het oordeel dat verdachte niet kan worden aangemerkt als medepleger van poging tot doodslag (arrest onder 4) kan dan ook bezwaarlijk anders worden begrepen dan dat het Hof van oordeel is dat verdachte geen significante of wezenlijke bijdrage heeft geleverd aan het gepleegde geweld.

Blijkens zijn overweging dat ‘verdachte en zijn mededaders door meermalen op die woningen te schieten openlijk in vereniging geweld hebben gepleegd tegen de zich daarin bevindende personen’ (arrest onder 6) is het Hof van oordeel dat de bijdrage van de verdachte wél van voldoende gewicht is geweest om te spreken van het 'in vereniging' plegen van geweld.

Te dien aanzien heeft te gelden dat, indien het tenlastegelegde medeplegen in de kern niet bestaat uit een gezamenlijke uitvoering, maar uit gedragingen die met medeplichtigheid in verband plegen te worden gebracht (zoals het verstrekken van inlichtingen, op de uitkijk staan, helpen bij de vlucht), op de rechter de taak rust om in het geval dat hij toch tot een bewezenverklaring van het medeplegen komt, in de bewijsvoering - dus in de bewijsmiddelen en zo nodig in een afzonderlijke bewijsoverweging - dat medeplegen nauwkeurig te motiveren.

Voor zover het Hof in haar oordeel ten aanzien van het onder 2 ten laste gelegde tot uitdrukking heeft willen brengen dat met betrekking tot het bij art. 141, eerste lid, Sr strafbaar gestelde "in vereniging plegen" een andere maatstaf dient te worden gehanteerd ten aanzien van de vereiste nauwe en bewuste samenwerking dan in gevallen waarin het medeplegen geen bestanddeel van de delictsomschrijving vormt, geeft dat oordeel, gelet op hetgeen hiervoor onder 5.2 is vooropgesteld, blijk van een onjuiste rechtsopvatting.

Indien het Hof niet van bovenstaande onjuiste opvatting is uitgegaan en de juiste maatstaf heeft gehanteerd, is het oordeel van het Hof dat de bijdrage van de verdachte (hoewel geen significante of wezenlijke bijdrage aan het gepleegde geweld inhoudend, zie hiervoor onder 5.3) van voldoende gewicht is geweest om te spreken van het 'in vereniging' plegen van geweld, niet zonder meer begrijpelijk.

De overwegingen van het Hof ten aanzien van de onder 2 ten laste gelegde openlijke geweldpleging behelzen immers in wezen niet meer dan een samenvatting van de eerder in het arrest als medeplichtigheidshandelingen aangemerkte gedragingen van verdachte en het gepleegde geweld, waaraan enkel wordt toegevoegd dat verdachte door mee te gaan de groep getalsmatig heeft versterkt. Maar met slechts dat laatste punt wordt de drempel van het medeplegen niet adequaat gepasseerd. Deze motivering schiet naar ik meen tekort.

De bewezenverklaring van het onder 2 ten laste gelegde is dus ontoereikend gemotiveerd. Het middel klaagt daarover terecht.

Het derde middel klaagt over schending van de redelijke (inzend)termijn in de cassatiefase.

De verdachte heeft op 23 december 2013 beroep in cassatie ingesteld. De stukken van het geding zijn eerst op 7 januari 2015 ter griffie van de Hoge Raad ontvangen. Dat brengt mee dat de inzendtermijn van acht maanden is overschreden. Deze overschrijding kan bovendien niet door een bijzonder voortvarende behandeling in cassatie worden gecompenseerd. De overschrijding van de redelijke termijn dient te leiden tot een verlaging van de opgelegde gevangenisstraf.

Het middel is terecht voorgesteld.

7. Het eerste middel faalt. Het tweede middel slaagt, evenals het derde middel.

8. Gronden waarop de Hoge Raad gebruik zou moeten maken van zijn bevoegdheid de bestreden uitspraak ambtshalve te vernietigen heb ik niet aangetroffen.

9. Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden uitspraak voor wat betreft de bewezenverklaring onder 2 en de strafoplegging, met terugwijzing van de zaak naar het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Leeuwarden, teneinde op het bestaande hoger beroep opnieuw te worden berecht en afgedaan.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl JIN 2015/229 met annotatie van M.L.C.C. de Bruijn-Lückers
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?