“ XXXVI
(…)
Onderdeel B strekt ertoe de in artikel 170 vervatte regeling inzake de tenuitvoerlegging van de bijkomende straf van ontzegging van de rijbevoegdheid ook van toepassing te doen zijn wanneer het gaat om een door een andere Lid-Staat van de Europese Gemeenschappen of door een andere staat die partij is bij de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte afgegeven rijbewijs, waarvan de houder zich heeft gevestigd in Nederland.”
Een meer inhoudelijke toelichting heb ik in de wetsgeschiedenis niet aangetroffen, maar in de systematiek van de WVW 1994 valt de toevoeging van dit (destijds) zevende lid goed te begrijpen. Uit de voorganger van de Derde Rijbewijsrichtlijn, te weten de Richtlijn 91/439/EEG van de Raad van 29 juli 1991 betreffende het rijbewijs (dus: de Tweede Rijbewijsrichtlijn) vloeide de gelijkstelling van het rijbewijs van de EU-onderdaan die in Nederland woonachtig was reeds voort.
De Rechtbank trekt uit art. 180 lid 8 WVW 1994 de terechte conclusie dat de houder van een andersoortig buitenlands rijbewijs – dus van een niet in Nederland woonachtige onderdaan van een EU-lidstaat - niet de verplichting rust zijn rijbewijs in te leveren, zodra de tegen hem uitgesproken ontzegging van de rijbevoegdheid onherroepelijk is geworden. Maar anders dan de Rechtbank lijkt te suggereren past dat zoals ik het zie geheel in het (gesloten) systeem van de WVW 1994 op het punt van de rijbewijzen. De in art. 180 beschreven inleverplicht heeft rechtsreeks verband met de door de ontzegging van de rijbevoegdheid ontstane ongeldigheid van het rijbewijs. Het ligt dan in de rede dat het aldus ongeldig geworden rijbewijs, voor zover dat nog in het bezit is van degene aan wie dat rijbewijs is afgegeven en niet al inmiddels is ingevorderd en nog steeds wordt ingehouden, door de houder van het rijbewijs moet worden ingeleverd. Echter, die ongeldigheid betreft alleen het Nederlandse rijbewijs alsmede het daarmee gelijk te stellen rijbewijs van de EU-onderdaan die in Nederland woonachtig is. De bepalingen die betrekking hebben op de koppeling van de inleverplicht aan de tenuitvoerlegging zijn dus niet van toepassing op buitenlandse rijbewijzen, over welker geldigheid de Nederlandse wetgever geen zeggenschap heeft. De OBM wordt dus ‘gewoon’ tenuitvoergelegd, zonder dat daaraan een inleverplicht van het rijbewijs aan is verbonden. Die situatie is overigens niet anders dan in de gevallen waarin een Nederlands rijbewijs al in de voorfase is ingehouden. De inleverplicht van het Nederlandse rijbewijs ontstaat blijkens art. 180 lid 4 WVW 1994 immers ook slechts in de gevallen waarin het rijbewijs niet ingevolge art. 164 WVW 1994 is ingevorderd en niet is teruggegeven. Art. 180 lid 8 schept op dat punt in het geheel niet een bijzondere situatie voor het ingevorderde ‘buitenlandse’ rijbewijs. Met de steller van het middel ben ik dus van mening dat de Rechtbank een rechtens onjuist uitgangspunt heeft gekozen door te stellen dat uit art. 180 lid 8 WVW 1994 voortvloeit dat een ingehouden buitenlands rijbewijs aan een in het buitenland wonende veroordeelde moet worden teruggegeven, zodra de ontzegging van de rijbevoegdheid onherroepelijk is geworden.
De vraag naar de al dan niet teruggave van een ingevorderd en niet teruggegeven rijbewijs moet dus in het door de wetgever van de WVW 1994 ontworpen stelsel geheel en al worden beantwoord aan de hand van art. 164 WVW 1994; de bepaling die betrekking heeft op de invorderingsbevoegdheid. Die regeling geldt, zoals blijkt uit lid 1 van dat artikel, ook voor de houder van een buitenlands rijbewijs, ongeacht de oorsprong van dat rijbewijs – al of niet in een andere EU-lidstaat afgegeven en ten aanzien van elke houder van dat buitenlandse rijbewijs, dus al of niet in Nederland woonachtig. Dat betekent dat de officier van justitie het rijbewijs onder zich mag houden, totdat, in het uiterste geval, het tijdstip waarop de inmiddels opgelegde onherroepelijke ontzegging van de rijbevoegdheid is verstreken (art. 180 lid 4 WVW 1994). Van enig verschil in behandeling van Nederlandse of buitenlandse bestuurders, waar de Rechtbank van uitgaat, is dus geen sprake, zo valt daaraan toe te voegen.
De Rechtbank heeft naar mijn mening blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting omtrent de verhouding tussen art. 180 lid 8 en art. 164 WVW1994.
Het middel is gegrond.
4. Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden beschikking en tot zodanige beslissing met betrekking tot verwijzen of terugwijzen als de Hoge Raad gepast zal voorkomen.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden