ECLI:NL:PHR:2015:210

ECLI:NL:PHR:2015:210, Parket bij de Hoge Raad, 13-01-2015, 13/04742

Instantie Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak 13-01-2015
Datum publicatie Onbekend
Zaaknummer 13/04742
Rechtsgebied Strafrecht
Gerelateerde zaken
Formele relatie: ECLI:NL:HR:2015:803
Jurisprudentie Netwerk (LiDo)
Verwijst naar 1 zaken
Aangehaald door 2 zaken
3 wettelijke verwijzingen

Verwijst naar

Aangehaald door

Wettelijke verwijzingen

BWBR0001830 BWBR0001854 BWBR0001903

Samenvatting

Kennelijke misslag tll. Grondslagverlating? Het Hof heeft in de aanvulling de bewezenverklaarde pleegplaats verbeterd. De HR neemt i.c. aan dat als gevolg van een onmiskenbare misslag de alternatieven “en/of Amstelveen, in elk geval in Nederland” niet zijn opgenomen in ’s Hofs weergave van de tll. in het bestreden arrest. De HR leest de in het bestreden arrest weergegeven tll. dienovereenkomstig verbeterd. Conclusie AG: anders.

Uitspraak

DATUM 19/11/07

TOTAAL 104,86

TOTAAL 50,00

TLV REK [0018]

VISA

TE BETALEN 54,86

CONTANT 50,90

CONTANT 5,00

Bij dit proces-verbaal is een bijlage gevoegd, zijnde een kopie van een e-mailbericht aan de politie Amsterdam van 21 november 2007 en inhoudende, voor zover van belang en zakelijk weergegeven:

Onderwerp: RE: skimzaak [A]

[0018]

Card is rechtmatig bij [A] aangeboden op 29 oktober.

7. De verklaring van de verdachte, afgelegd ter terechtzitting in hoger beroep van 12 augustus 2013.

Deze verklaring houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven:

Ik ben daar (het hof begrijpt: IKEA) destijds wel geweest (het hof begrijpt: op 19 november 2007).

Valse/ vervalste creditcard in woning verdachte

8. Een proces-verbaal van doorzoeking van 21 november 2007 (nummer 2007307739-9), in de wettelijke vorm opgemaakt door de bevoegde opsporingsambtenaar [verbalisant 4] (doorgenummerde pagina's 53 en 54).

Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als mededeling van verbalisant:

Verdachte

Naam : [verdachte]

Voornamen : [...] (het hof begrijpt: [...])

Geboren op : [geboortedatum]1984

Adres : [b-straat 1]

Plaats : [plaats]

In de woon-/ verblijfplaats van de verdachte heeft een doorzoeking plaatsgevonden. Tijdens de doorzoeking zijn o.a. de navolgende goederen/ bescheiden in beslag genomen:

b: een vermoedelijk vervalste betaalkaart (Visa Card).

9. Een proces-verbaal van verhoor van 11 augustus 2008 (nummer 2007307739-21 ), in de wettelijke vorm opgemaakt door de bevoegde opsporingsambtenaar [verbalisant 3] (doorgenummerde pagina's 67 t/m 69).

Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als mededeling van verbalisant:

Er is ook een valse creditcard op naam van [betrokkene 7] in de woning (het hof begrijpt: van de verdachte aan [b-straat 1] te [plaats]) aangetroffen.”

22. Het bestreden arrest houdt als nadere bewijsoverweging ten aanzien van het onder in zaak B onder 1 bewezenverklaarde het volgende in:

“Naar het oordeel van het hof volgt de bewezenverklaring niet uitsluitend uit de verklaring van de getuige [medeverdachte]. Anders dan de raadsvrouw is het hof van oordeel dat de inhoud van de verklaring van die medeverdachte voldoende steun vindt in ander bewijsmateriaal. Daartoe overweegt het hof als volgt.

Uit onderzoek door European Merchant Services (EMS) en Equens, dienstverleners op het gebied van creditcardbetalingen, is het navolgende gebleken (aangifte van [betrokkene 5] namens EMS van 13 november 2007, p. 6 t/m 16 en de aangifte van [betrokkene 6] namens Equens van 7 november 2007, p. 18 t/m 22).

Met creditcards met de in de tenlastelegging genoemde nummers zijn in Nederland transacties verricht door een ander of door anderen dan de rechtmatige creditcardhouders. Omdat de rechtmatige creditcardhouders ten tijde van die transacties nog in het bezit waren van hun (originele) creditcards en de gegevens van die creditcards overeen kwamen met de gegevens van de (valse) creditcards waarmee voornoemde transacties waren verricht, kan geconcludeerd worden dat de gegevens van de originele creditcards met behulp van elektronische apparatuur zijn gekopieerd, zijnde een wezenlijk onderdeel van het zogenaamde skimmen.

Uit onderzoek naar de door de rechtmatige creditcardhouders verrichte transacties is vervolgens gebleken dat de voornoemde creditcards in de maanden juni, juli en september 2007 door de creditcardhouders waren gebruikt bij coffeeshop [A] aan de [a-straat] in Amsterdam (het zogenaamde CCP, common point of purchase). Uit een vergelijking tussen de data en tijdstippen waarop de creditcardhouders de creditcards bij [A] hadden gebruikt en de (personeels)administratie van [A] is gebleken dat de medeverdachte [medeverdachte] bij [A] werkzaam was op de momenten dat de creditcards waren gebruikt.

Op 20 november 2007 is [medeverdachte] gehoord (processen-verbaal van verhoor van verdachte [medeverdachte] van 20 en 21 november 2007, p. 47 t/m 50 en 51 t/m 52). Zij heeft verklaard, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, dat zij op verzoek van haar vriend, de verdachte, creditcards door een skimapparaat heeft gehaald, dat zij het apparaat eerst rond mei 2007 van de verdachte heeft gekregen, dat de verdachte telkens na een periode van ongeveer één of twee weken aan haar heeft gevraagd het apparaat aan hem terug te geven om het vervolgens enkele dagen later weer aan haar te geven, dat zij één keer heeft gezien dat de verdachte verbinding heeft gemaakt tussen het apparaat en een laptop en dat zij op 19 november 2007 met de verdachte bij Ikea is geweest, waar de verdachte met behulp van een 'geskimde' creditcard een bedrag van € 50,00 heeft afgerekend en zij het resterende bedrag contant heeft

betaald.

Het hof is van oordeel dat de inhoud van die verklaring van [medeverdachte] steun vindt in de navolgende redengevende feiten en omstandigheden:

(a) in de tas van [medeverdachte] is een zogenaamd skimapparaat aangetroffen (proces-verbaal van [medeverdachte] van 20 november 2007, p. 48 en het proces-verbaal van kennisgeving van inbeslagneming van 22 november 2007, p. 81);

(b) onder [medeverdachte] is een kassabon van het winkelbedrijf Ikea in beslag genomen (proces-verbaal van kennisgeving van inbeslagneming van 20 november, p. 95 en 96), waaruit blijkt dat op 19 november 2007 een totaalbedrag van € 104,86 is voldaan met behulp van een creditcardbetaling voor een bedrag van € 50,00 en een contante betaling voor een bedrag van € 54,86 (kassabon Ikea, p. 99). De verdachte heeft op de terechtzitting in hoger beroep verklaard, zakelijk weergegeven, dat hij destijds in Ikea is geweest (proces-verbaal van de terechtzitting van 12 augustus 2013). De creditcard waarmee de voornoemde betaling is verricht, is op 29 oktober 2007 door de rechtmatige creditcardhouder gebruikt bij [A] (e-mailbericht aan de politie Amsterdam van 21 november 2007, p. 98);

(c) in de (toenmalige) woning van de verdachte is een valse of vervalste creditcard, op naam van [betrokkene 7], aangetroffen (proces-verbaal van doorzoeking van 21 november 2007, p. 53 en 54; proces-verbaal van verhoor van de verdachte van 11 augustus 2008, p. 68).

Gelet op het voorgaande in onderling verband en samenhang beschouwd en op de overige stukken in het dossier, is het hof van oordeel dat wettig en overtuigend bewezen is dat de verdachte, als medepleger, de creditcards met de in de tenlastelegging en de bewezenverklaring genoemde nummers heeft vervalst.

De raadsvrouw heeft voorts naar voren gebracht dat de credit card op naam van [betrokkene 7] al in mei 2007 was gestolen (waarvan aangifte is gedaan) en dus niet geskimmed had kunnen worden in september 2007.

Het hof passeert dit verweer nu ook een gestolen credit card zijn (rechtmatige) waarde behoudt en blijkbaar, volgens de bewijsmiddelen, is geskimmed in [A].”

23. Zoals de steller van het middel al opmerkt kan de klacht dat het Hof heeft verzuimd de dagvaarding ten aanzien van het in zaak B onder 1 tenlastegelegde feit nietig te verklaren, nu dit feit – kort gezegd – geen (begrijpelijke) beschrijving inhoudt van het feitelijk handelen van de verdachte met name omdat niet nader is omschreven waaruit de vervalsing zou hebben bestaan, niet tot cassatie leiden omdat een dergelijk verweer niet voor het eerst in cassatie kan worden gevoerd (vgl. HR 3 december 2013, ECLI:NL:HR:2013:1562). Blijkens de processtukken is in feitelijke aanleg geen beroep gedaan op de nietigheid van de dagvaarding, terwijl daartoe wel de gelegenheid was. Klaarblijkelijk was toen voor de verdediging voldoende duidelijk welke gedragingen de steller van de tenlastelegging voor ogen stond.

24. Voor zover het middel klaagt dat het Hof het bewezenverklaarde ten onrechte heeft gekwalificeerd als “medeplegen van opzettelijk een betaalpas bestemd voor het verrichten of verkrijgen van betalingen langs geautomatiseerde weg, vervalsen met het oogmerk zichzelf of een ander te bevoordelen, meermalen gepleegd” aangezien de feitelijke omschrijving van de tenlastegelegde gedragingen onvoldoende is, geldt dat – mede gelet op de bewijsvoering – de bewezenverklaring redelijkerwijs zo moet worden opgevat dat de nader omschreven bankpassen zo zijn gemanipuleerd dat betalingen of andere prestaties langs geautomatiseerde weg konden worden verricht of verkregen. Het Hof heeft het bewezenverklaarde terecht gekwalificeerd als voormeld.

25. Het vierde middel richt zich tegen de kwalificatiebeslissing van hetgeen ten laste van verdachte in zaak B onder 2 bewezen is verklaard.

26. Aan de verdachte is, na in eerste aanleg en in hoger beroep toegelaten wijzigingen, in zaak B onder 2 tenlastegelegd dat:

“hij in of omstreeks de periode vanaf 1 juni 2007 tot en met 13 juni 2008 te Amsterdam en/of Biddinghuizen en/of Amstelveen en/of Den Haag en/of Rotterdam en/of Utrecht en/of Diemen en/of Hoofddorp, in elk geval in Nederland, onder meer op of omstreeks 13 juni 2008 bij de Mediamarkt (vestiging Arena boulevard, 2.764 euro, kaartnummer [0019]) opzettelijk gebruik heeft gemaakt van een of meer valse of vervalste betaalpas(sen), waardekaart(en) of enige andere voor het publiek beschikbare kaart(en), bestemd voor het verrichten of verkrijgen van betalingen of andere prestaties langs geautomatiseerde weg, als ware deze pas(sen) of kaart(en) echt en onvervalst, bestaande het gebruikmaken hierin dat hij verdachte met die kaart(en) aankopen heeft gedaan/betalingen heeft verricht (totaal 14.578,91 euro) en/of die kaart(en) ter betaling ter verkrijging van enig goed, heeft aangeboden en bestaande die valsheid of vervalsing hierin dat de magneetstrips(s) van de kaart(en) en/of de gegevens van de kaarthouder(s) is/zijn gekopieerd/geskimd.”

27. Het Hof heeft daarvan bewezenverklaard dat:

“hij op 13 juni 2008 te Amsterdam, onder meer bij de Media Markt (vestiging Arena Boulevard, 2.764 euro, kaartnummer [0019]) opzettelijk gebruik heeft gemaakt van een vervalste betaalpas, bestemd voor het verrichten of verkrijgen van betalingen of andere prestaties langs geautomatiseerde weg, als ware deze pas echt en onvervalst, bestaande het gebruikmaken hierin dat hij verdachte met die kaart betalingen heeft verricht.”

28. Het Hof heeft het bewezenverklaarde strafbaar geacht en overwogen dat het oplevert: “opzettelijk gebruik maken van een valse pas, als bedoeld in artikel 232, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht, als ware deze echt en onvervalst”.

29. Nu het Hof de bewezenverklaring heeft gekwalificeerd overeenkomstig het bepaalde in art. 232, tweede lid, Sr, moet de vraag worden beantwoord of het Hof heeft mogen aannemen dat daarmee de in genoemd artikellid opgenomen bestanddelen zijn vervuld. In het middel wordt aangevoerd dat dit niet het geval is voor het bestanddeel “terwijl hij weet of redelijkerwijs moet vermoeden dat de pas of kaart bestemd is voor zodanig gebruik” en dat verdachte deswege had moeten worden ontslagen van alle rechtsvervolging.

30. Deze klacht mist feitelijke grondslag. Het Hof heeft het bewezen verklaarde gekwalificeerd zoals hierboven onder 28 vermeld. Het betreft een van de delicten van art. 232, tweede lid, Sr, te weten ‘hij die opzettelijk gebruik maakt van de valse of vervalste pas als ware deze echt en onvervalst”. Naast dit ‘gebruik maken’ behelst art. 232, tweede lid, Sr de delicten ‘afleveren’, ‘voorhanden hebben’, ‘ontvangen’, ‘zich verschaffen’, ‘vervoeren’, verkopen’ of ‘overdragen’. Deze delicten zijn opgenomen in het onderdeel van art. 232, tweede lid, Sr dat betrekking heeft op hij die ‘opzettelijk zodanige pas of kaart aflevert, voorhanden heeft, ontvangt, zich verschaft, vervoert, verkoopt of overdraagt, terwijl hij weet of redelijkerwijs moet vermoeden dat de pas of kaart bestemd is voor zodanig gebruik’. Het afleveren en voorhanden hebben zijn als delicten ingevoegd bij Wet van 1 juli 2000, Stb. 40. Met andere woorden, het bestanddeel ‘terwijl hij weet of redelijkerwijs moet vermoeden dat de pas of kaart bestemd is voor zodanig gebruik” maakt geen deel uit van het bewezen verklaarde feit noch van het feit zoals het Hof dit heeft gekwalificeerd.

31. Het middel faalt.

32. Het vijfde middel ziet op de strafmotivering. Deze zou onbegrijpelijk zijn voor zover het Hof ten nadele van verdachte heeft betrokken dat verdachte na de onderhavige feiten met politie en justitie in aanraking is gekomen.

33. In het bestreden arrest heeft het Hof ten aanzien van de strafoplegging, voor zover hier van belang, het volgende overwogen:

“Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf en maatregelen bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gelet op de persoon van de verdachte.

Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.

(…)

Het hof heeft acht geslagen op een uittreksel uit de Justitiële Documentatie van 26 juli 2013. Daaruit blijkt enerzijds dat de verdachte niet eerder voor soortgelijke feiten is veroordeeld en anderzijds dat de verdachte na de onderhavige feiten met politie en justitie in aanraking is gekomen voor (onder meer) het gebruik van een niet op zijn naam gesteld reisdocument.

De raadsvrouw van de verdachte heeft verzocht geen onvoorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen. Daartoe heeft de raadsvrouw in het bijzonder gewezen op de periode van juni 2011 tot maart 2013 (20 maanden) waarin de verdachte in Zwitserland in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, de rol van de verdachte ten aanzien van (enkele van) de ten laste gelegde feiten en (overige) persoonlijke omstandigheden van de verdachte.

Gelet op hetgeen het hof hiervoor heeft overwogen met betrekking tot het handelen van de verdachte en gelet op de tijd die is verstreken tussen de ten laste gelegde en bewezen verklaarde feiten en de onderhavige uitspraak van het hof, neemt het hof als uitgangspunt een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 20 tot 24 maanden.

Het hof houdt rekening met de periode waarin de verdachte in Zwitserland in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht en ziet daarin aanleiding een enigszins lagere dan voornoemde gevangenisstraf op te leggen. Anders dan de raadsvrouw is het hof van oordeel dat de (beweerdelijke) rol van de verdachte en diens (overige) persoonlijke omstandigheden niet nopen tot oplegging van een andere of lagere dan na te noemen straf.

Het hof acht, alles afwegende, een gevangenisstraf van na te melden duur passend en geboden.”

34. Bij de stukken van het geding bevindt zich het door het Hof genoemde Uittreksel Justitiële Documentatie van 26 juli 2013. Dat uittreksel vermeldt – voor zover hier van belang – onder “Openstaande zaken betreffende misdrijven” een gevangenisstraf van 10 weken wegens het opzettelijk gebruik maken van een niet op zijn naam gesteld reisdocument.

35. Door te overwegen dat de verdachte al eerder met politie en justitie in aanraking is gekomen heeft het Hof kennelijk niet gedoeld op eerdere veroordelingen maar op (een) eerdere strafza(a)k(en). Met zijn overweging heeft het Hof bedoeld aan te geven dat de verdachte in strafrechtelijke zin dus geen onbeschreven blad is. Nu het Hof mede in zijn overweging heeft betrokken dat de verdachte niet eerder voor soortgelijke feiten is veroordeeld, stond het het Hof vrij om de door de steller van het middel bestreden zinsnede in zijn motivering op te nemen.

36. Het middel faalt.

37. Het tweede middel slaagt. De overige middelen falen en kunnen worden afgedaan met de aan art. 81, eerste lid, RO ontleende overweging. Gronden waarop de Hoge Raad gebruik zou moeten maken van zijn bevoegdheid de bestreden uitspraak ambtshalve te vernietigen, heb ik niet aangetroffen.

38. Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden uitspraak voor zover het betreft de feiten in zaak A onder 3 en 4 en de strafoplegging en tot terugwijzing van de zaak naar het Gerechtshof Amsterdam, teneinde in zoverre op het bestaande beroep opnieuw te worden berecht en afgedaan.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?