ECLI:NL:PHR:2015:2120

ECLI:NL:PHR:2015:2120, Parket bij de Hoge Raad, 08-09-2015, 14/05803

Instantie Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak 08-09-2015
Datum publicatie Onbekend
Zaaknummer 14/05803
Rechtsgebied Strafrecht
Gerelateerde zaken
Formele relatie: ECLI:NL:HR:2015:3693
Jurisprudentie Netwerk (LiDo)
Verwijst naar 1 zaken
Aangehaald door 3 zaken
3 wettelijke verwijzingen

Verwijst naar

Aangehaald door

Wettelijke verwijzingen

BWBR0001830 BWBR0001854 BWBR0001903

Samenvatting

1. Slagende bewijsklacht. 2. Strafmotivering. De strafoplegging is ontoereikend gemotiveerd, nu het Hof in de strafmotivering verwijst naar de inhoud van een UJD dat zich niet bij de stukken bevindt, terwijl de zich wel bij de stukken bevindende UJD’s noch de overige stukken van het geding iets inhouden waaruit kan worden afgeleid dat verdachte “al vele malen eerder is veroordeeld ter zake geweldsmisdrijven” en ook het door het Hof genoemde trajectconsult zich niet bij de op de voet van art. 434.1 Sv aan de HR gezonden stukken bevindt.

Uitspraak

Klacht a t/m c

24. De eerste klacht van het middel (klacht a) houdt in dat het hof het vonnis van de rechtbank ten onrechte, althans onbegrijpelijk gemotiveerd heeft bevestigd nu de rechtbank haar oordeel heeft gebaseerd op de onjuiste veronderstelling dat er beelden zijn van beveiligingscamera’s in de buurt van of bij de woning van [betrokkene 1] in Zeist waar de onder 1 van parketnummer 05/0820239-13 tenlastegelegde overval heeft plaatsgevonden. De tweede klacht (b) keert zich tegen de weerlegging van het door het hof als “alternatief scenario” aangemerkte standpunt, nu daarbij een beroep is gedaan op de hiervoor genoemde camerabeelden die er (dus) niet zijn. Klacht c houdt in dat als wordt onderkend dat bedoelde camerabeelden niet bestaan, de overweging van het hof dat genoemd alternatief scenario niet aannemelijk is geworden gelet op de door de rechtbank gebruikte bewijsmiddelen onjuist en in elk geval onbegrijpelijk is.

25. Uit de door het hof overgenomen bewijsoverwegingen van de rechtbank kan worden afgeleid dat ten aanzien van de bewezenverklaring van de betrokkenheid van de verdachte bij de overval op [betrokkene 1] , een belangrijke bewijswaarde is toegekend aan het feit dat getuige [betrokkene 7] zijn auto, waarvan is vastgesteld dat verdachte daarin samen met zijn medeverdachte heeft gereden op de dag waarop de hier bedoelde overval is gepleegd, heeft herkend op camerabeelden bij de woning van [betrokkene 1] . De overige drie specifiek door de rechtbank genoemde omstandigheden waarop zij haar oordeel kennelijk heeft gebaseerd, vormen immers vooral bewijs voor het feit dat verdachte van [betrokkene 1] gestolen voorwerpen tot zijn beschikking heeft gehad maar niet direct voor zijn betrokkenheid bij de overval.

26. Het hof heeft vervolgens ter verwerping van het geschetste alternatieve scenario gewezen op die door de rechtbank gebezigde bewijsmiddelen en daarbij onder meer expliciet erop gewezen dat de auto die op camerabeelden bij de woning van [betrokkene 1] is te zien de auto is waarvan genoegzaam is vastgesteld dat verdachte die auto bestuurde nu hij op de beelden door meerdere verbalisanten is herkend als de chauffeur van die auto. Hoewel het hof ook aanhaalt dat de verdachte tot aan het onderzoek in hoger beroep geen enkel aanknopingspunt heeft geboden dat steun geeft aan het door de raadsman geschetste alternatieve scenario, verwijst naar de verklaring van [betrokkene 4] dat zij in de kofferbak van die auto op 8 augustus 2012 een televisie zag staan, die er aan het begin van de dag nog niet stond, terwijl bij de overval op [betrokkene 1] die dag een televisie is weggenomen, vormt de vaststelling dat op camerabeelden bij de woning van [betrokkene 1] die auto is te zien mijns inziens de belangrijkste grond voor de verwerping van het scenario dat verdachte niet betrokken is geweest bij de overval. De overige door het hof genoemde omstandigheden vormen immers geen van alle direct of doorslaggevend bewijs voor de betrokkenheid van verdachte bij de overval en passen bovendien in het alternatieve scenario van de verdachte dat hij niets te maken heeft gehad met de overval, maar enkel daarna de beschikking heeft gekregen over de gestolen passen en televisie.

27. Daarmee wordt de vraag of het dossier al dan niet beelden bevat, die zijn opgenomen bij de woning van [betrokkene 1] , waarop een auto is te zien die overeenkomsten vertoont met de Mercedes Benz van [betrokkene 7] van doorslaggevend betekenis voor de begrijpelijkheid van de verwerping van het alternatieve scenario. De rechtbank verwijst bij haar overweging dat de desbetreffende auto op camerabeelden is te zien bij de woning van [betrokkene 1] naar pagina 448 van het dossier. Dat betreft een “PV van bevindingen met betrekking tot informatie woningoverval Odijk/Zeist en uitgebrande Mercedes Benz A160 te België” en houdt in, voor zover hier van belang dat op beelden afkomstig van een beveiligingscamera een personenauto was te zien, ten aanzien waarvan [betrokkene 7] heeft verklaard dat die auto zijn ontvreemde Mercedes Benz A160 kan zijn. Het proces-verbaal houdt niet in waar de beelden zijn gemaakt of waarvan de beelden zijn. Ook blijkt niet dat afzonderlijk proces-verbaal is opgemaakt van de confrontatie van [betrokkene 7] met de beelden. In het overzichtsproces-verbaal wordt ten aanzien van de diefstal van de Mercedes slechts opgemerkt dat [betrokkene 7] is geconfronteerd met beelden van de gebruikte Mercedes in Zeist en Odijk en dat hij overeenkomsten zag met zijn weggenomen Mercedes. Daarbij wordt verwezen naar p. 1882 van het dossier welke pagina betrekking heeft op het rechtshulpverzoek dat naar aanleiding van het aldaar aantreffen van de (uitgebrande) Mercedes is gedaan aan België. Noch genoemd document noch de daar bij behorende stukken houden echter in dat sprake is van camerabeelden waarop bedoelde Mercedes is te zien bij de woning van [betrokkene 1] in Zeist. De rechtbank verwijst daarnaast nog naar camerabeelden gemaakt in Odijk waarop is te zien dat verdachte pint (met kennelijk de passen van [betrokkene 1] ) en naar camerabeelden gemaakt in Wekerom, waarop genoemde Mercedes Benz ook is te zien. De beelden van het pinnen in Odijk zien uiteraard niet op beelden van bij de woning van [betrokkene 1] in Zeist en Wekerom ligt blijkens een kaart op grotere afstand van Zeist dan Odijk, terwijl het bovendien beelden betreft die, gelet op de vermelde tijdstippen van 18.30 en verder, zien op een periode nadat de overval had plaatsgevonden. Op die beelden kan de rechtbank en dus ook het hof niet hebben gedoeld. Bij een weliswaar globale doorzoeking van het dossier heb ik dergelijke beelden ook niet aangetroffen, noch aanwijzingen gevonden dat deze überhaupt bestaan. Een en ander betekent dat mijns inziens terecht wordt geklaagd over de overweging van het hof dat er camerabeelden zijn van bij de woning van [betrokkene 1] waarop de Mercedes is te zien, zodat de verwerping door het hof van het alternatieve scenario niet begrijpelijk is nu deze in beslissende mate steunt op die vaststelling. Dat leidt tot de conclusie dat de bewezenverklaring onvoldoende met redenen is omkleed en de klachten a, b en c slagen.

Klacht e

28. Het voorgaande brengt mee dat ook de overweging van het hof, dat de door rechtbank gebezigde bewijsmiddelen dusdanig belastend zijn voor verdachte dat het minst genomen op zijn weg had gelegen om aan te geven waarom daaraan desondanks moet worden getwijfeld, niet begrijpelijk is, zoals in klacht e wordt gesteld. Die overweging is kennelijk in belangrijke mate gebaseerd op het feit dat die bewijsmiddelen onder meer als verklaring van getuige [betrokkene 7] inhouden, dat de auto die te zien is op de beelden bij de woning van [betrokkene 1] zijn Mercedes zou kunnen zijn, in combinatie met de vaststelling dat verdachte die auto bestuurde. Nu zoals ik hiervoor heb opgemerkt de vaststelling dát die auto bij de woning is gezien niet direct begrijpelijk is, geldt dat dus ook voor die daarop gebaseerde overweging. Klacht e slaagt ook.

Klacht d

29. Klacht d waarin wordt geklaagd dat de verwijzing van het hof naar het feit dat de verdachte tot aan het onderzoek in hoger beroep gebruik heeft gemaakt van zijn zwijgrecht in het kader van de beoordeling van het alternatieve scenario, onjuist en/of onbegrijpelijk is, kan niet tot cassatie leiden. Ik zie weliswaar – met de steller van het middel – niet in hoe het aanvankelijke beroep op het zwijgrecht bij kan dragen aan (de motivering van) de verwerping van het geschetste alternatieve scenario, maar ik lees de overwegingen anders. Deze vormt geen argument voor de verwerping van het alternatieve scenario maar bevat slechts de – feitelijk juiste – constatering dat eerder geen enkel aanknopingspunt is geboden voor het aannemen van dat alternatieve scenario. In die lezing kan de overweging verder buiten beschouwing blijven bij gebrek aan belang, nu deze de bestreden beslissing niet draagt.

Klacht f

30. Klacht f tenslotte houdt in dat het hof bij zijn verwerping van het alternatieve scenario ten onrechte een beroep heeft gedaan op de verklaring van medeverdachte [betrokkene 4] over de televisie die ze zou hebben gezien in de kofferbak van de hiervoor genoemde Mercedes, althans dat de verwijzing naar die verklaring in dat verband onbegrijpelijk is. De steller van het middel stelt terecht dat die verklaring op zich zelf niet in strijd is met de verklaring van verdachte over hoe die televisie in de auto is gekomen. Die verklaring van [betrokkene 4] houdt daaromtrent immers niets in. Dat betekent echter niet dat het hof die verklaring niet mede aan zijn verwerping van het alternatieve scenario ten grondslag heeft mogen en kunnen leggen. De waardering van het bewijs is immers voorbehouden aan de feitenrechter. In dat licht heeft het hof kunnen oordelen dat de omstandigheid dat de televisie kennelijk in de auto lag waarin de verdachte reed, terwijl bij de overval op [betrokkene 1] die dag een televisie was weggenomen, op zijn minst steun geeft aan zijn oordeel dat verdachte wel bij de overval betrokken is geweest en wel in de woning is geweest. Dat de verdachte anders heeft verklaard over hoe de televisie in de auto terecht is gekomen doet daaraan niet af. Het stond het hof immers vrij om die verklaring als niet geloofwaardig ter zijde te schuiven, hetgeen het kennelijk heeft gedaan.

31. Ten overvloede merk ik op dat het feit dat de verklaring van [betrokkene 4] niets inhoudt over hoe en door wie die televisie in de auto terecht is gekomen maakt, dat die verklaring op zich zelf onvoldoende is voor de verwerping van het alternatieve scenario. Nu ik, zoals hiervoor opgemerkt, bovendien van mening ben dat de kennelijk belangrijkste grond voor de verwerping, dat de Merceders bij de woning van [betrokkene 1] zou zijn gezien, niet zonder meer begrijpelijk is, maakt dat de verwerping van het alternatieve scenarioonvoldoende is gemotiveerd. Een en ander betekent echter niet dat de verklaring van [betrokkene 4] niet ten grondslag kan of mag worden gelegd aan die verwerping, dan wel dat het onbegrijpelijk is dat die verklaring in die zin door het hof is gebruikt.

32. De klachten a, b, c en e slagen, de klachten d en f falen. Het middels is dus grotendeels gegrond.

33. In het vierde middel wordt geklaagd dat het hof niet heeft gerespondeerd op een uitdrukkelijk onderbouwd standpunt dat de op basis van het dossier vast te stellen tijdslijn een hard alibi oplevert voor verdachte en zijn veronderstelde betrokkenheid bij de ten laste gelegde overval.

34. Gedoeld wordt op hetgeen de raadsman aan de hand van zijn ter terechtzitting op 1 september 2014 overgelegde pleitnotities heeft aangevoerd, voor zover inhoudend:

"28. (…) Zij (de rechtbank) gaat ervan uit dat de overval in de woning van [betrokkene 1] tussen 17:00 uur en 17:30 uur heeft plaatsgevonden. Maar dat kan helemaal niet. Als [verdachte] om 17:08 uur in Odijk is en om 17:30:41 uur loopt in de richting van de bank waar hij een goede minuut later de eerste pintransactie uitvoert, dan zou hij 22 minuten hebben gehad om op en neer te rijden naar Zeist en om aldaar een overval te plegen. Alleen al de reistijd van 10 minuten - dat wil zeggen: 5 minuten heen en 5 minuten terug - maakt die mogelijkheid illusoir. Ik laat dan elementaire zaken als parkeren, uitstappen en lopen - die ook allemaal tijd kosten - buiten beschouwing.

29. Volgens mij is de conclusie onontkoombaar: de veronderstelling van de rechtbank dat de overval op [betrokkene 1] tussen 17:00 uur en 17:30 uur is gepleegd, wordt door de feiten weerlegd. Die veronderstelling is niet meer geweest dan de uiting van de wens om [verdachte] voor die overval te veroordelen - hoezeer de feiten ook aantonen dat die beschuldiging onjuist is.

30. De conclusie is ook: de tijdslijn, die is gebaseerd op harde gegevens, laat zien dat [verdachte] niet bij de overval in Zeist betrokken kan zijn geweest. De verklaringen van [betrokkene 1] weerspreken de beschuldiging die in de tenlastelegging is geformuleerd en zelfs als aan die verklaringen voorbij wordt gegaan is het praktisch onmogelijk dat [verdachte] zich aan de overval in Zeist heeft bezondigd."

35. Voor hetgeen het hof (mede) daaromtrent heeft opgemerkt verwijs ik naar zijn bewijsoverweging zoals hiervoor onder punt 22 is weergegeven.

36. Het hof heeft hetgeen is aangevoerd omtrent de door de verdediging geconstrueerde tijdslijn kennelijk opgevat als een onderbouwing van het door de raadsman geschetste alternatieve scenario waarin niet verdachte maar anderen de overval hebben gepleegd en in welk scenario verdachte op de bewuste dag niet in de woning is geweest. Het hof heeft vervolgens geoordeeld dat dat alternatieve scenario niet aannemelijk is geworden gelet op de door de rechtbank gebezigde bewijsmiddelen. Het hof heeft overwogen dat het de eerste rechter volgt in het oordeel dat afdoende is komen vast te staan dat [betrokkene 1] zich heeft vergist in het aanvangstijdstip van de overval. Dat oordeel van de rechter houdt in dat het genoegzaam vast staat dat [betrokkene 1] zich in de tijd moet hebben vergist en dat de overval moet zijn gepleegd tussen 17.00 uur en 17.30 uur. Dat heeft rechtbank blijkens haar overwegingen afgeleid uit de tijdstippen waarop met de gestolen pinpassen is gepind, het moment waarop aangifte wordt gedaan alsmede de aanstraling van de masten in Odijk door de telefoon van verdachte. Daarnaast heeft de rechtbank in aanmerking genomen dat [betrokkene 1] in zijn tweede verklaring reeds heeft aangegeven dat hij niet helemaal zeker was van het door hem genoemde tijdstip.

37. Het aangevoerde houdt enerzijds in dat het “helemaal niet [kan]” dat de overval tussen 17.00 uur en 17.30 uur heeft plaatsgevonden, dat de conclusie “onontkoombaar” is dat de veronderstelling van de rechtbank dat de overval op [betrokkene 1] tussen 17:00 uur en 17:30 uur is gepleegd door de feiten wordt weerlegd en de verklaringen van [betrokkene 1] weerspreken. Dat duidt op een betwisting van het oordeel van de rechtbank dat de overval tussen 17.00 en 17.30 uur is gepleegd. Anderzijds wordt ook gesteld dat het illusoir is dat verdachte in de 22 minuten die hem (blijkens de geconstrueerde tijdlijn) ter beschikking stonden tussen 17.08 uur en 17.30.41 uur voldoende tijd heeft gehad om op en neer te rijden naar Zeist om daar een overval te plegen. Als ervan wordt uitgegaan dat de overval in Zeist tussen 17.00 en 17.30 uur is gepleegd zou het praktisch onmogelijk zijn dat verdachte zich aan die overval heeft bezondigd.

38. Het hof heeft met zijn overweging dat het met de eerste rechter van oordeel is dat afdoende is komen vast te staan dat [betrokkene 1] zich heeft vergist in het aanvangstijdstip van de overval en met zijn verwijzing naar de feiten en omstandigheden waarop de rechtbank dat oordeel heeft gebaseerd, mijns inziens voldoende gemotiveerd en niet-onbegrijpelijk aangegeven waarom het de eerst genoemde stelling dat de overval niet tussen 17.00 en 17.30 uur kan zijn gepleegd, niet volgt. Voor zover het middel klaagt dat de afwijking van dat standpunt niet of onvoldoende is gemotiveerd, faalt het.

39. Het hof is echter niet expliciet ingegaan op de tweede stelling, die behelst dat als wordt uitgegaan van het door de rechtbank vastgestelde tijdstippen van de overval tussen 17.00 en 17.30 uur, het gezien de beperkte tijd die de verdachte had op en neer naar Zeist te rijden, praktisch onmogelijk is dat hij betrokken is geweest bij de overval. Het is ten eerste de vraag of het hof die stelling had moeten aanmerken als een afzonderlijk, uitdrukkelijk onderbouwd standpunt waarop het gehouden was te reageren. De stelling is namelijk verweven in het verweer dat de overval niet tussen 17.00 uur en 17.30 uur kan zijn gepleegd. Als de tweede stelling slechts bedoeld was ter onderbouwing van de eerste stelling was het hof reeds daarom niet gehouden tot een nadere motivering van de afwijking daarvan.

Als we naar de inhoud van het verweer kijken ligt dat echter niet voor de hand. De stelling dat de verdachte te weinig tijd zou hebben gehad om in het gestelde tijdsbestek de overval te plegen is duidelijk niet bedoeld om te betogen dat de vastgestelde tijdstippen van de overval niet kloppen, maar om (subsidiair) te betogen dat verdachte niet betrokken kan zijn geweest bij die overval. Dat verweer is mijns inziens voldoende onderbouwd, nu uiteen is gezet dat en waarom de kennelijke tijdspanne de mogelijkheid illusoir maakt dat verdachte op en neer naar Zeist is gereden om daar een overval te plegen, terwijl dat standpunt bovendien niet zo kansloos is dat zonder motivering ook volstrekt duidelijk is waarom het niet is gevolgd. Daarbij neem ik in aanmerking dat bedoeld standpunt klemmender wordt als er tevens vanuit wordt gegaan dat er geen beelden zijn van de eerder genoemde Mercedes Benz bij de woning van [betrokkene 1] in Zeist. En dat laatste sluit ik bij mijn bespreking van het derde middel, niet uit.

40. Het middel slaagt.

41. In het vijfde middel wordt geklaagd over de strafmotivering.

42. Het bestreden arrest houdt daaromtrent in, voor zover van belang:

“Het hof heeft bij de straftoemeting rekening gehouden met:

- het uittreksel uit het algemeen documentatieregister betreffende verdachte van 13

oktober 2014; .

- (…)

- een trajectconsult, uitgevoerd door Verhoef, psychiater van 4 september 2012, betreffende verdachte;

(…)

Daarbij heeft het hof nog gelet op voormeld uittreksel uit het Justitieel Documentatieregister, blijkens welk uittreksel verdachte al vele malen eerder is veroordeeld ter zake geweldsdelicten, hetgeen verdachte er niet van heeft weerhouden op één en dezelfde dag de onderhavige feiten te plegen. Het hof acht daarom oplegging van een zeer langdurige gevangenisstraf onontkoombaar.”

43. Bij de aan de Hoge Raad toegezonden stukken van het hof heb ik niet het in de strafmotivering genoemde uittreksel justitiële documentatie van 13 oktober 2014 aangetroffen, noch (een verslag van) de door een psychiater uitgevoerd trajectconsult van 4 september 2012. Het kennelijk (gezien de datum) reeds voorafgaand aan het vonnis van de rechtbank uitgevoerde trajectconsult wordt door de rechtbank ook niet genoemd. In het dossier bevinden zich wel uittreksels justitiële documentatie van 13 januari, 19 juni en 18 augustus 2014. De meest recente houdt wat betreft volledig afgedane zaken betreffende misdrijven in dat verdachte eerder een transactie heeft voldaan wegens overtreding van art. 321 Sr (verduistering) en dat hij is veroordeeld wegens art. 3 onder C Opiumwet en wegens rijden onder invloed, en nog een keer wegens rijden onder invloed. Het houdt bij de onherroepelijke veroordelingen betreffende overtredingen verder in dat hij twee keer een transactie heeft voldaan wegens de overtreding van art. 5 WVW 1994. Een veroordeling wegens geweldsdelicten zie ik daarop niet staan, laat staan dat daaruit volgt dat verdachte “al vele malen eerder is veroordeeld ter zake geweldsdelicten” zoals het hof in zijn strafmotivering heeft overwogen. Gelet daarop en nu de hiervoor vermelde, door het hof genoemde stukken ontbreken in het dossier terwijl de omstandigheid dat verdachte vele malen eerder is veroordeeld wegens geweldsdelicten kennelijk wel van belang is geweest bij de beslissing om een zeer langdurige gevangenisstraf op te leggen, is de strafoplegging onvoldoende, althans onbegrijpelijk, gemotiveerd.

44. Het middel slaagt.

45. Het zesde middel tenslotte bevat de klacht dat het hof ten onrechte en zonder enige motivering voorbij is gegaan aan een verweer met betrekking tot de vordering van de benadeelde partijen [betrokkene 11] en [betrokkene 12] .

46. De (zich in het dossier bevindende) formulieren van beide benadeelde partijen vermelden als één van de schadeposten “voorschot preventieve maatregelen overval minus subsidie”. Ter toelichting op die post is bij beide formulieren opgemerkt dat zij elk de helft van de totale kosten hebben opgevoerd en dat als het Schadefonds Geweldsmisdrijven onverhoopt niet een subsidie voor deze maatregelen geeft, de benadeelde partijen zich het recht voorbehouden om eventueel overige schade in een civiele procedure van de verdachte te vorderen. Voorts is ter toelichting op post 4 (vergoeding mantelzorg ouders) onder meer opgemerkt dat beide benadeelde partijen aanvankelijke niet terug durfden te gaan naar hun eigen woning omdat ze veel te bang waren voor herhaling en hun leven niet zeker waren, en dat zij pas na vier maanden, na extra preventieve maatregelen in de vorm van extra verlichting en een uitgebreidere alarminstallatie, zijn teruggegaan. Blijkens de ter terechtzitting in hoger beroep van 1 september 2014 overgelegde pleitaantekeningen is onder meer namens de verdachte aangevoerd dat die post niet voor vergoeding in aanmerking komt, omdat deze geen betrekking heeft op schade die (rechtstreeks) door het strafbare feit is veroorzaakt.

47. Het hof heeft beide vorderingen volledig toegewezen en heeft ten aanzien van beide het volgende overwogen:

“Uit het onderzoek ter terechtzitting is voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolgvan het in de zaak met parketnummer 05-900998-2 onder 1 bewezenverklaarde handelen van verdachte rechtstreeks schade heeft geleden. Verdachte is tot vergoeding van die schade gehouden.“

48. Op grond van art. 361 lid 2 onder b Sv kan degene die rechtstreeks schade heeft geleden door een strafbaar feit, zich ter zake van zijn vordering tot schadevergoeding als benadeelde partij voegen in het strafproces. Voor toewijzing van die vordering tot schadevergoeding komt alleen die schade in aanmerking die rechtstreeks is geleden door het strafbare feit. Daarvan is sprake als de schade een rechtstreeks gevolg is van het tenlastegelegde feit (de causaliteit) en het slachtoffer is getroffen in een belang dat door de overtreden strafbepaling wordt beschermd (relativiteitseis). Voor het recht op schadevergoeding dient vastgesteld te worden dat de schade zou zijn uitgebleven als het feit niet zou zijn gepleegd (condicio sine qua non) en dat deze in redelijkheid kan worden toegerekend aan de dader. Daarnaast dient te worden vastgesteld dat het slachtoffer behoort tot de kring die door die strafbepaling wordt beschermd en dat de strafbepaling beoogt te beschermen tegen het soort schade dat is geleden.

49. Het begrip rechtstreekse schade wordt in de jurisprudentie in de regel ruim uitgelegd. Zo oordeelde de Hoge Raad dat het oordeel dat de kosten van een geneeskundige behandeling van de hond van het slachtoffer van een verkeersongeval die bij datzelfde ongeval verwondingen had opgelopen rechtstreekse schade oplevert, geen blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting. De Hoge Raad oordeelde gelijkluidend ten aanzien van het oordeel dat onder rechtstreekse schade kosten konden worden verstaan die door de benadeelde partij waren gemaakt om het gepleegde strafbare feit aan het licht te brengen en ten aanzien van het oordeel dat de kosten van vliegtickets voor de reis van de benadeelde partij naar Turkije ten behoeve van de begrafenis van het slachtoffer van het tenlastegelegde feit. Ik wijs voorts in het bijzonder nog op het oordeel van de Hoge Raad dat kosten van de benadeelde partij om zich bij een woningstichting in te schrijven voor een woning uit de buurt van de verdachte onder het begrip ‘rechtstreekse schade’ kunnen vallen.

50. Hoewel in de toelichting bij de vorderingen nauwelijks is ingegaan op de aard en omvang van de genomen preventieve maatregelen, heeft het hof gelet op het voorgaande en met name gelet op laatst genoemde uitspraak, de hier bedoelde kosten voor preventieve maatregelen zonder blijk te geven van een onjuiste rechtsopvatting kunnen aanmerken als rechtstreekse schade. Daarbij wijs ik erop dat namens de benadeelde partijen is aangevoerd dat die maatregelen niet zozeer zijn genomen om mogelijke overvallen in de toekomst te voorkomen (zoals in de toelichting op het middel wordt aangevoerd), maar om de psychische klachten als gevolg van het bewezenverklaarde feit te bestrijden. Nu namens de verdachte bovendien niet nader is toegelicht waarom geen sprake zou zijn van rechtstreekse schade en geen sprake is van een uitgebreide motiveringsverplichting in de zin van art. 359 lid 2 Sv, meen ik dat het hof de toewijzing weliswaar summier, maar voldoende heeft gemotiveerd met de hiervoor weergegeven overweging.

51. Het middel faalt.

52. Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.

53. Het derde, vierde, en vijfde middel slagen. Het eerste en tweede middel kunnen worden afgedaan met de aan art. 81 RO bedoelde motivering.

54. Deze conclusie strekt tot vernietiging van het bestreden arrest voor wat betreft feit 1 van parketnummer 05/820239-13, en de strafoplegging, tot terug- of verwijzing van de zaak om deze in zoverre opnieuw te laten berechten en afdoen en tot verwerping van het beroep voor het overige.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?