ECLI:NL:PHR:2015:2239

ECLI:NL:PHR:2015:2239, Parket bij de Hoge Raad, 15-09-2015, 14/04310

Instantie Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak 15-09-2015
Datum publicatie Onbekend
Zaaknummer 14/04310
Rechtsgebied Strafrecht
Gerelateerde zaken
Formele relatie: ECLI:NL:HR:2015:3256
Jurisprudentie Netwerk (LiDo)
Verwijst naar 1 zaken
Aangehaald door 2 zaken
2 wettelijke verwijzingen

Verwijst naar

Aangehaald door

Wettelijke verwijzingen

BWBR0001830 BWBR0001854

Samenvatting

Grondslagverlating? Verhouding art. 282 (wederrechtelijke vrijheidsberoving) en 282a Sr (gijzeling). De aan het middel ten grondslag liggende opvatting dat art. 282a.1 Sr zich t.o.v. art. 282.1 Sr verhoudt als een bijz. tot een alg. strafbepaling in die zin dat in een geval als i.c. uitsluitend eerstgenoemde bepaling mag worden toegepast, is onjuist.

Uitspraak

Art. 282:

“1. Hij die opzettelijk iemand wederrechtelijk van de vrijheid berooft of beroofd houdt, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste acht jaren of geldboete van de vijfde categorie.

2. Indien het feit zwaar lichamelijk letsel ten gevolge heeft, wordt de schuldige gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste negen jaren of geldboete van de vijfde categorie.

3. Indien het feit de dood ten gevolge heeft, wordt hij gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste twaalf jaren of geldboete van de vijfde categorie.

4. De in dit artikel bepaalde straffen zijn ook van toepassing op hem die opzettelijk tot de wederrechtelijke vrijheidsberoving een plaats verschaft.”

Art. 282a:

“1. Hij die opzettelijk iemand wederrechtelijk van de vrijheid berooft of beroofd houdt met het oogmerk een ander te dwingen iets te doen of niet te doen wordt als schuldig aan gijzeling gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste vijftien jaren of geldboete van de vijfde categorie.

2. Indien het feit de dood ten gevolge heeft wordt hij gestraft met levenslange gevangenisstraf of tijdelijke van ten hoogste dertig jaren of geldboete van de vijfde categorie.

3. Het vierde lid van artikel 282 is toepasselijk.”

10. Bezien we de delictsbestanddelen van beide bepalingen nader, dan springt in de eerste plaats in het oog dat zij elk afzonderlijk beschouwd ten opzichte van het eigen eerste lid strafverzwarende omstandigheden kennen, art. 282 in het tweede en het derde lid en art. 282a in het tweede lid. Voorts valt op dat het eerste lid van art. 282a Sr dezelfde bestanddelen bevat als art. 282, eerste lid, Sr en twee extra bestanddelen, te weten “oogmerk” en “een ander te dwingen iets te doen of niet te doen”. Kunnen nu deze twee extra delictsbestanddelen tezamen genomen worden opgevat - in de woorden van Van Dorst - als een strafverzwarende omstandigheid of een omstandigheid die, indien bewezen, tot een gekwalificeerde logische specialis leidt?

11. Een korte blik op de wetgeschiedenis en –systematiek laat het volgende zien. Art. 282a Sr is op 5 januari 1989 in ons Wetboek van Strafrecht opgenomen bij Wet van 19 mei 988, 276, ter uitvoering van het op 17 december 1979 te New York gesloten Internationaal Verdrag tegen het nemen van gijzelaars (Trb. 1981, 53). De Memorie van Toelichting bij het wetsvoorstel dat heeft geleid tot de voormelde Wet van 19 mei 1988 houdt - voor zover hier van belang - het volgende in:

“B. Het Internationaal Verdrag tegen het nemen van gijzelaars

[…]

Het Verdrag bevat in artikel 1 een omschrijving van het misdrijf gijzeling. Die omschrijving bevat als element dat het motief van de dader erin gelegen moet zijn om een derde (een Staat, een internationale intergouvernementele organisatie, een natuurlijke of rechtspersoon of groep van personen) te dwingen iets te doen of na te laten. Het huidige artikel 282 van het Wetboek van Strafrecht, dat handelt over wederrechtelijke vrijheidsbeneming en dat voor de tenlastelegging van gijzelingen het meest in aanmerking komt, bevat een dergelijk element niet. Wij menen, dat er aanleiding is de wet aan te vullen met een zelfstandig delict gijzeling, dat door de toevoeging van het vereiste dat de vrijheidsbeneming geschiedt met het oogmerk een ander te dwingen iets te doen of niet te doen, geheel op de strekking van het thans uit te voeren Verdrag wordt toegesneden. Daartoe bestaan twee beweegredenen. In de eerste plaats menen wij, dat de laatste jaren de gijzeling van mensen, met het oogmerk anderen tot een bepaalde gedraging te dwingen, onrustbarend ernstige vormen heeft aangenomen. Zeker waar dit delict wordt uitgevoerd na zorgvuldige voorbereiding, met volledige minachting voor de waarde van het menselijk leven, doch wel speculerend op het respect daarvoor bij degenen, tot wie «eisen» worden gericht, soms ook met politieke motieven die een democratische samenleving als de Nederlandse volledig vreemd zijn, ja deze zelfs vijandig gezind zijn, vormt het, gebruik makend van de moderne massacommunicatiemiddelen, een nieuw type van criminaliteit, dat een uitermate schokkend effect op de samenleving heeft.

De huidige maximumstrafbedreiging van zulke feiten is, wanneer deze bij voorbeeld na een succesvolle ontzettingsoperatie niet heeft geleid tot de dood of zwaar lichamelijk letsel van de gijzelaars, zeven jaar en zes maanden gevangenisstraf. Heeft het feit zwaar lichamelijk letsel ten gevolge, dan is het maximum negen jaar en heeft het de dood ten gevolge, twaalf jaar.

In het voorliggende wetsontwerp wordt voorgesteld het strafmaximum voor de gevallen, die als gijzeling worden gekwalificeerd, een derde hoger te stellen (cursivering van mij, EH).

Weliswaar is Nederland in vergelijking tot sommige andere landen in nog betrekkelijk geringe mate met dergelijke gijzelingsacties geconfronteerd geweest, deze bleven ons land echter niet bespaard. En voor de toekomst is dat ook zeker niet te garanderen.

Het thans uit te voeren Verdrag heeft tot gevolg dat de Nederlandse justitie ook zal worden geconfronteerd met gijzelingsacties die zich buiten Nederland hebben afgespeeld. Daarin ligt een tweede beweegreden om een afzonderlijk delict «gijzeling» in de strafwet op te nemen. Het Verdrag vormt namelijk de grondslag voor de verplichting om daders van gijzelingsacties uit te leveren aan andere Verdragspartijen of, indien niet wordt uitgeleverd, de berechting van zulke daders zelf ter hand te nemen. Ten einde te weten hoever de Verdragsverplichtingen voor de Nederlandse justitie op deze punten zich uitstrekken, is het gewenst de door het Verdrag bestreken strafbare gedragingen zo nauwkeurig mogelijk in de Nederlandse wetgeving te identificeren en af te bakenen. Met het in het leven roepen van een afzonderlijk delict gijzeling, gekenmerkt door het oogmerk van de dader een ander te dwingen iets te doen of niet te doen, wordt duidelijk dat de verplichting tot uitlevering van buitenlandse verdachten aan Verdrags-partijen waarmee geen andere uitleveringsverdragsbetrekkingen bestaan, of - subsidiair - de verplichting hun zaak na geweigerde uitlevering aan het openbaar ministerie voor te leggen, alleen bestaat voor zover dit element aantoonbaar is. Om die reden wordt bij voorbeeld in de voorgestelde aanvulling van artikel 51 a van de Uitleveringswet volstaan met een verwijzing naar artikel 282a van het Wetboek van Strafrecht.

[…]

Ad F. Het nieuw in te voegen artikel 282a geschiedt ter uitvoering van het Internationaal Verdrag tegen het nemen van gijzelaars. Alleen wanneer wederrechtelijke vrijheidsberoving geschiedt met het oogmerk een ander (dus niet de gijzelaar) te dwingen iets te doen of niet te doen kan worden gesproken van gijzeling.

«Een ander» dient ruim te worden opgevat en heeft mede betrekking op de begrippen Staat, internationale intergouvernementele organisatie of rechtspersoon, zoals die in de definitie van het eerste lid van artikel 1 van het Verdrag voorkomen.”

12. Gelet op de geschiedenis van de totstandkoming van art. 282a Sr – ik wijs in het bijzonder op de hierboven door mij gecursiveerde passage – meen ik, dat het bepaalde in de eerste twee leden van art. 282a Sr als een strafverzwarende omstandigheid kan worden uitgelegd ten opzichte van het eerste respectievelijk het derde lid van art. 282 Sr. Dat art. 282a Sr als gekwalificeerde logische specialis moet worden beschouwd van art. 282 Sr, past ook in de wetssystematiek. Beide artikelen zijn opgenomen onder (dezelfde) titel XVIII van Boek 2 Sr, luidend: “Misdrijven tegen de persoonlijke vrijheid”, en aldus beschermen zij hetzelfde rechtsbelang. Dat bij art. 282a, eerste lid, Sr nog een specifiek oogmerk is vereist, gericht op het dwingen een ander iets te doen of niet te doen, maakt dat niet anders.

13. Afsluitend merk ik op dat verzoeker wat betreft (i) de kwalificatie “opzettelijke vrijheidsberoving” in plaats van “gijzeling” en (ii) de strafoplegging niet in enig belang is geschaad. Verzoeker en zijn rechtsgeleerde raadsman wisten heel goed wat verzoeker werd verweten en waartegen de verdediging moest worden gevoerd – er is vanuit het perspectief van de verdediging enkel sprake van een minder omvangrijke tenlastelegging, waarbij na ‘wegstrepen’ het verwijt en het gronddelict materieelrechtelijk in essentie gelijkblijven -, terwijl het strafmaximum van de vrijheidsbeneming als bedoeld in art. 282, eerste lid, Sr aanmerkelijk lager is dan dat van gijzeling in de zin van art. 282a, eerste lid, Sr.

14. Op grond van het voorgaande ben ik van oordeel dat in het onderhavige geval sprake is van een impliciet subsidiaire tenlastelegging, in dier voege dat de opzettelijke vrijheidsberoving (art. 282, eerste lid, Sr) in de tenlastelegging besloten ligt, en dat het Hof door dit feit bewezen te verklaren en te kwalificeren als “opzettelijk iemand wederrechtelijk van de vrijheid te beroven” met aanhaling van art. 282 Sr niet op ontoelaatbare wijze de grondslag van de tenlastelegging heeft verlaten.

15. Het middel faalt.

16. Het tweede middel bevat de klacht dat het Hof niet heeft gerespondeerd op het uitdrukkelijk onderbouwde standpunt dat (volgens de steller van het middel, EH) uit het over verzoeker opgemaakte psychologisch rapport naar voren komt dat hij enigszins verminderd toerekeningsvatbaar is hetgeen tot strafvermindering dient te leiden, althans het Hof de strafoplegging in onvoldoende mate heeft gemotiveerd aangezien niet is gebleken dat het Hof heeft rekening gehouden met de omstandigheid dat het bewezenverklaarde in enigszins verminderende mate aan rekwirant kan worden toegerekend.

17. Het Hof heeft de oplegging van de straf in het bestreden arrest als volgt gemotiveerd:

“De hierna te melden strafoplegging is in overeenstemming met de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, mede gelet op de persoon van verdachte, zoals van een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

Het hof heeft bij de straftoemeting in het bijzonder in aanmerking genomen -en vindt daarin de redenen die tot de keuze van een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf van de hierna,aan te geven duur leiden- dat verdachte op gruwelijke wijze zijn woede en zijn gekrenktheid op zijn levensgezel heeft afgereageerd. Hij heeft haar in haar eigen huiselijke omgeving, een plaats waar zij zich veilig zou moeten kunnen voelen, met uiterst grof geweld vanuit het niets overvallen. Nadat hij haar meermalen met een honkbalknuppel op haar hoofd heeft geslagen, heeft hij haar, terwijl hij haar forceerde tot het afleggen van een bekentenis waarvan hem de inhoud al bekend was, met die knuppel over haar hele lichaam geslagen. Hij heeft bovendien haar keel dichtgeknepen. Aldus heeft verdachte op verschillende wijzen potentieel dodelijk geweld jegens haar uitgeoefend. Dat dit voor het slachtoffer niet fataal is afgelopen, is niet aan verdachte te danken. Zij heeft gedurende ongeveer anderhalf à twee uur gevreesd voor haar leven. Uiteindelijk heeft ze kans gezien zwaar gewond en met diverse gebroken ledematen, over het tuinhek naar de buren te vluchten om zich van de noodzakelijke medische hulp te kunnen verzekeren. Aangeefster zal van haar verwondingen niet volledig herstellen en de restverschijnselen leiden blijvend tot fysieke beperkingen. Het slachtoffer zal dan ook nog gedurende lange tijd zowel de fysieke als de psychische gevolgen met zich meedragen. Het hof rekent dit verdachte zwaar aan.

Uit het verdachte betreffende Uittreksel uit de Justitiële Documentatie volgt dat verdachte niet eerder is veroordeeld.

Met betrekking tot de persoonlijke omstandigheden heeft het hof gelet op de over de persoon van verdachte opgemaakte rapporten en hetgeen de verdachte ter terechtzitting van het hof heeft verklaard. Uit de rapporten komt het volgende beeld van verdachte naar voren.

Verdachte imponeert als een dominante man met een narcistisch kantje en een rigide autistiforme inslag. Dit zijn aspecten die hem in relaties met anderen in de weg kunnen staan. Dit lijkt ook het geval te zijn geweest in de weken voorafgaand aan het ten laste gelegde. Het recidiverisico wordt niet hoog ingeschat.

Gelet op de ernst van het feit acht het hof enkel een forse geheel onvoorwaardelijke gevangenisstraf op zijn plaats. Het hof acht de straf zoals opgelegd door de rechtbank, een gevangenisstraf voor de duur van zes jaren, passend en geboden.”

18. Blijkens het daarvan opgemaakte proces-verbaal heeft de raadsman van verzoeker op ’s Hofs terechtzitting van 29 juli 2014 het woord tot verdediging gevoerd, waarbij hij op het onderhavige punt enkel naar voren heeft gebracht:

“[…] Mijn cliënt is volgens de psycholoog enigszins verminderd toerekeningsvatbaar. Wat mij betreft dient elke aantasting van de toerekeningsvatbaarheid door te werken in de straf.

[…]

Ik verzoek uw hof tot een andere bewezenverklaring en een beduidend lagere straf te komen dan de rechtbank. In andere huiselijk geweld zaken wordt over het algemeen lager gestraft.”

19. Het rapport van de GZ-psycholoog d.d. 7 april 2013 houdt, voor zover hier van belang, het volgende in (p. 21):

“Hoewel dit gedrag doet vermoeden dat de onderzochte wist waarmee hij bezig was, meen ik ook dat betrokkene vanuit de omstandigheid dat voorafgaand aan het tenlastegelegde sprake was van een emotionele disbalans en genoemde aanpassingsstoornis in de delictsituatie niet geheel meer in staat is geweest zijn gedrag overeenkomstig normale maatschappelijke inzichten aan te sturen. Op basis van dit argument adviseer ik in overweging te nemen de onderzochte het hem tenlastegelegde in enigszins verminderde mate toe te rekenen.”

20. De responsieplicht als bedoeld in art. 359, tweede lid, tweede volzin, Sv strekt zich mede uit tot uitdrukkelijk onderbouwde standpunten die zien op de straftoemeting. Niet elke opmerking die een raakvlak heeft met de straftoemeting kan als een uitdrukkelijk onderbouwd standpunt worden aangemerkt. Daarvan is pas sprake wanneer het gaat om een standpunt dat duidelijk, door argumenten geschraagd en voorzien van een ondubbelzinnige conclusie ten overstaan van het hof naar voren is gebracht.

21. Hetgeen de raadsman van verzoeker op de terechtzitting in hoger beroep op 29 juli 2014 heeft aangevoerd met betrekking tot de op te leggen straf, heeft het Hof kennelijk opgevat als een algemeen verzoek tot matiging van de straf op basis van persoonlijke omstandigheden en dus niet als een uitdrukkelijk onderbouwd standpunt in vorenbedoelde zin. Dat oordeel getuigt niet van een onjuiste rechtsopvatting en is niet onbegrijpelijk.

22. Ook het tweede middel faalt.

23. Beide middelen falen. Het tweede middel kan worden afgedaan met de in art. 81, eerste lid, RO bedoelde motivering.

24. Gronden waarop de Hoge Raad gebruik zou moeten maken van zijn bevoegdheid de bestreden uitspraak ambtshalve te vernietigen, heb ik niet aangetroffen.

25. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?