2. VRAAGSTELLING
1. Vertonen de in deze zaak in beslag genomen wapens van het merk Benjamin, type BP2263 (…), voor wat betreft hun vorm en afmetingen een sprekende gelijkenis met voorwerpen als vermeld op de lijst a dan wel b van bijlage I bij de Regeling wapens en munitie(RWM)?
2. Vertonen de in beslag genomen wapens voor wat betreft hun vorm en afmetingen een sprekende gelijkenis met vuurwapens of met voor ontploffingen bestemde voorwerpen?
3. Onder welke categorie van de Wet wapens en munitie dienden deze in beslag genomen wapens te worden gerubriceerd?
4 Zijn er nog opmerkingen die naar het oordeel van de deskundige in dit verband dienen te worden gemaakt?
(…)
5. CONCLUSIE
Vraag 1
De in beslag genomen wapens van het merk Benjamin, type BP2263 (…) vertonen, voor wat betreft hun vorm en afmetingen, geen sprekende gelijkenis met voorwerpen als vermeld op de lijst a dan wel b van bijlage I bij de Regeling wapens en munitie(RWM).
Vraag 2
De in beslag genomen wapens van het merk Benjamin, type BP2263 (…) vertonen, voor wat betreft hun vorm en afmetingen, geen sprekende gelijkenis met vuurwapens of met voor ontploffingen bestemde voorwerpen.
Vraag 3
De in beslag genomen wapens van het merk Benjamin, type BP2263 (…) zijn luchtdrukgeweren vallend onder categorie IV, sub 4° in categorie van Art. 2.1 van de WWM.
Vraag 4
Voor de vaststelling of lucht-, gas- en veerdrukwapens een 'sprekende gelijkenis met vuurwapens' vertonen, geeft de WWM geen eenduidige criteria. Dit leidt regelmatig tot discussie, en vermoedelijk ook tot verschillen in de handhaving per handhavende instantie.
(…)
Ik verklaar dit rapport naar waarheid, volledigheid en naar beste inzicht te hebben opgesteld als NFI-deskundige wapens en munitie.
Plaats: Den Haag
Datum: 14 januari 2013
(handtekening, AG)
W. Kerkhoff”
8. Als de betekenis van het “lex certa”-beginsel - dat niet toevallig in het allereerste artikel van ons Wetboek van Strafrecht besloten ligt - ergens op de proef wordt gesteld, is het wel in zaken als de onderhavige. Volgens (gerechtelijk) “deskundigen wapens en munitie” bevindt zich tussen de wapens van categorie I respectievelijk categorie IV een grijs gebied waarbij de beantwoording van de vraag of een luchtdrukgeweer wel of niet een sprekende gelijkenis met een vuurwapen vertoont geheel afhankelijk is van de subjectieve opvatting van een buitengewoon opsporingsambtenaar. Als deze opsporingsambtenaren het al niet met zekerheid weten en onderling tot uiteenlopende interpretaties komen, wat mag dan eigenlijk in redelijkheid aan ‘foreseeability' van de gewone burger worden verwacht? En dan heb ik het nog niet eens over de eventueel vervelende consequenties voor degene die vanwege dergelijke onduidelijke wetgeving opeens geen ‘blanco strafblad’ meer heeft. Iemand zal maar een scholarship voor een jaar in een buitenland kunnen krijgen of in een buitenland een werkbezoek moeten afleggen, maar de toegang daartoe worden geweigerd op grond van het feit dat hij (nu) een strafblad heeft. Tegen deze achtergrond is het goed dat in deze zaak rapporten van wapendeskundigen zijn ingebracht over het luchtdrukgeweer van het merk Benjamin, type BP2263, dit is blijkens het rapport van Fare consultans hetzelfde wapen als de Benjamin Marauder waarom het in de onderhavige herzieningsaanvraag gaat.
9. Deze deskundigenrapporten waren ten tijde van de behandeling van de strafzaak door het Hof niet voorhanden. Het FARE-deskundigenrapport is vervolgens, maar te laat, in de cassatiefase aan de stukken van het geding toegevoegd. Uiteraard oordeelde de Hoge Raad daarover: “(…) nu niet blijkt dat dit rapport aan het Hof is overgelegd en een beroep op dit rapport niet voor het eerst in cassatie kan worden gedaan, aangezien de beoordeling daarvan een onderzoek van feitelijke aard vergt, waarvoor in cassatie geen plaats is”. Dat de Hoge Raad in cassatie op dat stuk geen acht kon slaan had ook mijn ambtgenoot Machielse in zijn conclusie vastgesteld, maar weerhield hem er overigens niet van om nog onder de aandacht te brengen dat het Hof wat hem betrof zelf een oordeel had moeten vormen over de hoedanigheid van een wapen en daartoe zelf onderzoek had moeten doen, nu het om een “normatieve” conclusie van een WWM-deskundige verbalisant gaat, die is genomen op basis van waarnemingen en vergelijkingen die betwist werden.
10. Het Hof heeft zijn oordeel dat sprake is van een wapen van de bewezenverklaarde categorie in beslissende mate doen steunen op de inhoud van het ambtsedige proces-verbaal van de genoemde WWM-deskundige verbalisant, de taakaccenthouder Wet wapens en Munitie. Ik ga er zonder meer vanuit dat ook deze verbalisant deskundig is op het gebied van de WWM en dat hij zijn proces-verbaal naar beste inzicht heeft opgesteld. Dat neemt lijkt mij niet weg dat de individuele bevinding van een WWM-deskundige verbalisant niet op één lijn is te stellen met deskundigenrapporten als die welke thans aan het herzieningsverzoek zijn gehecht en waaruit ik hierboven heb geciteerd. In dat opzicht is geen sprake van slechts een verschil van mening tussen “deskundigen”, hetgeen aan een gegrondverklaring in een herzieningszaak in de weg zou staan.
11. Voorts wijs ik erop dat als bijlagen bij de herzieningsaanvraag een viertal arresten van het Hof Amsterdam van 22 oktober 2013 zijn gevoegd. Het lijkt er sterk op dat daarin thans een vaste lijn in rechtspraak is ontwikkeld en dat het voorliggende luchtdrukgeweer door het Hof Amsterdam niet langer als een wapen van categorie I onder 7° WWM wordt aangemerkt. Ook deze gerechtelijke uitspraken waren ten tijde van het wijzen van het arrest waarvan herziening wordt gevraagd nog niet gewezen en dus nog niet bekend in de zin van art. 457, eerste lid aanhef en onder c, Sv.
12. Uit het bovenstaande volgt naar mijn inzicht dat in deze herzieningszaak sprake is van een gegeven als bedoeld in art. 457, eerste lid aanhef en onder c, Sv, een gegeven dus dat, kort gezegd, het ernstige vermoeden doet ontstaan dat indien het Hof daarmee bekend was geweest het onderzoek van de zaak zou hebben geleid tot vrijspraak.
13. Op grond daarvan strekt deze conclusie ertoe dat de Hoge Raad de aanvraag tot herziening gegrond zal verklaren en de zaak zal verwijzen naar een Gerechtshof opdat de zaak op de voet van art. 472, tweede lid (aanhef en onder b), Sv opnieuw zal worden behandeld en afgedaan.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG