1. Het gerechtshof te Amsterdam heeft bij arrest van 17 september 2013 de verdachte niet-ontvankelijk verklaard in het namens haar ingestelde hoger beroep.
2. Namens de verdachte is cassatie ingesteld. Mr. B. Molleman, advocaat te Amersfoort, heeft bij schriftuur twee middelen van cassatie voorgesteld.
3. In mijn standpunt van 19 mei 2015 kwam ik na bestudering van de zaak tot de slotsom dat de aangevoerde klachten geen behandeling in cassatie rechtvaardigen omdat de partij die het cassatieberoep heeft ingesteld klaarblijkelijk onvoldoende belang heeft bij het cassatieberoep dan wel de klachten klaarblijkelijk niet tot cassatie kunnen leiden. Op verzoek van de Hoge Raad bespreek ik thans alsnog de voorgestelde middelen.
4. Het eerste middel keert zich tegen het oordeel van het hof dat de verdachte niet-ontvankelijk is in het door haar ingestelde hoger beroep.
5. De bestreden uitspraak is bij verstek gewezen. Het hof heeft de verdachte met toepassing van art. 416, tweede lid, Sv niet-ontvankelijk verklaard in het hoger beroep.
6. De stukken van het geding houden wat betreft de procesgang in hoger beroep, en voor zover voor de beoordeling van het middel van belang, het volgende in:
- De appelakte van 4 december 2012 houdt in dat M. Veenboer, ambtenaar ter griffie van de rechtbank te ’s Gravenhage, daartoe gemachtigd door de bepaaldelijk gevolmachtigde raadsvrouwe van verdachte, hoger beroep heeft ingesteld tegen het vonnis van de politierechter te Amsterdam d.d. 5 november 2012; aan die akte is gehecht een brief van de raadsvrouwe, mr. R.M. Maliepaard, waarin op verzoek van de verdachte als postadres het adres van de raadsvrouwe wordt vermeld: [b-straat] , [plaats] . De appelakte vermeldt dit adres niet.
- Het aan het dubbel van de appeldagvaarding gehechte identiteitsstaat uit de SKDB van 26 juli 2013 houdt in dat de verdachte per 8 januari 2013 ingeschreven stond aan de [c-straat] , [plaats] . De dagvaarding is blijkens de akte van uitreiking op 10 juli 2013 op dit adres uitgereikt aan [betrokkene] . Uit de stukken van het geding blijkt niet dat een afschrift van de dagvaarding is verstuurd naar het adres van de raadsvrouwe, zijnde het door de verdachte opgegeven postadres.
- Op de terechtzitting van 17 september 2013 is de verdachte noch haar raadsvrouwe verschenen en heeft het hof verstek verleend tegen de verdachte.
7. Uit de toelichting blijkt dat het middel in de kern klaagt over het oordeel van het hof dat verstek kon worden verleend tegen de niet-verschenen verdachte, terwijl verzuimd is een afschrift van de appeldagvaarding te versturen naar het in de volmacht genoemde postadres. De steller van het middel betoogt dat het onderzoek ter terechtzitting en de naar aanleiding daarvan gegeven uitspraak nietig zijn, aangezien het hof het onderzoek ter terechtzitting had moeten schorsen teneinde de verdachte alsnog in de gelegenheid te stellen bij het onderzoek ter terechtzitting aanwezig te zijn.
8. Ik stel voorop dat de vermelding in de schriftelijke volmacht van het adres van de raadsvrouwe, [b-straat] , [plaats] , als postadres van de verdachte, bezwaarlijk anders worden verstaan dan als een opgave van een adres in de zin van art. 588a, eerste lid aanhef en onder c, Sv waaraan mededelingen over de strafzaak kunnen worden toegezonden. Zoals reeds hiervoor onder 6 weergegeven, wordt dit adres niet vermeld op de appelakte.
9. Indien door of namens de verdachte bij het instellen van hoger beroep in de appelakte (tevens) een ander adres (waaronder mede is begrepen een postadres of postbus) is opgegeven dan dat waarop hij is ingeschreven in de gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens (GBA), en de appeldagvaarding weliswaar volgens de wettelijke voorschriften (niet in persoon) is betekend aan dat GBA-adres, maar deze hem niet tevens aan dat in de appelakte vermelde postadres is toegezonden, kan de rechter die de zaak in hoger beroep behandelt niet op de enkele grond dat de verdachte niet op de terechtzitting is verschenen aannemen dat deze van zijn recht om in zijn tegenwoordigheid te worden berecht vrijwillig afstand heeft gedaan.
10. In het onderhavige geval heeft de verdachte bij het instellen van het hoger beroep een ander adres dan haar GBA-adres opgegeven voor toezending van het afschrift van de appeldagvaarding. Uit de stukken van het geding kan niet blijken dat een afschrift van de appeldagvaarding aan voornoemd adres is toegezonden, zodat het er in cassatie voor moet worden gehouden dat dit niet is geschied. Evenmin houden de stukken iets in waaruit kan volgen dat die verzending ingevolge het derde lid van art. 588a Sv achterwege kon blijven. Daarom had het hof ervan blijk moeten geven te hebben onderzocht of er reden was het onderzoek ter terechtzitting te schorsen teneinde de verdachte in de gelegenheid te stellen alsnog bij het onderzoek op de terechtzitting tegenwoordig te zijn. Van een zodanig onderzoek blijkt niet. Dat verzuim leidt tot nietigheid van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep en de naar aanleiding daarvan gegeven uitspraak.
11. Het eerste middel is terecht voor gesteld.
12. Nu het eerste middel slaagt, behoeft het tweede middel, dat ook klaagt over schending van het aanwezigheidsrecht, geen bespreking. Uiteraard ben ik bereid, indien de Hoge Raad van oordeel is dat het eerste middel geen doel treft, desgewenst nader te concluderen.
13. Ambtshalve heb ik geen grond aangetroffen die tot vernietiging van het bestreden arrest aanleiding behoort te geven.
14. Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden uitspraak en tot terugwijzing dan wel verwijzing van de zaak, opdat de zaak op het bestaande hoger beroep opnieuw wordt berecht en afgedaan.
De procureur-generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden,
AG