Nr. 14/01668
Zitting: 31 maart 2015
Mr. T.N.B.M. Spronken
Conclusie inzake:
[verdachte]
“hij op 26 april 2013 omstreeks 00.45 uur op de Voorstraat te Utrecht, opzettelijk niet heeft voldaan aan een bevel of een vordering, krachtens artikel 2:3 van de Algemene Plaatselijke Verordening Utrecht 2010 en het daarop gebaseerde uitvoeringsbesluit van 11 september 2012, in elk geval krachtens enig wettelijk voorschrift gedaan door de Burgemeester van Utrecht, namens deze de Wijkteamchef Binnenstad van de politie Utrecht, die was belast met de uitoefening van enig toezicht en die was belast met en bevoegd verklaard tot het opsporen en/of onderzoeken van strafbare feiten, immers heeft verdachte toen en daar opzettelijk, nadat deze ambtenaar hem had bevolen, althans van hem had gevorderd zich gedurende een termijn van een maand - ingaande 17 april 2013 te 20.45 uur - niette begeven ofte bevinden in: het gebied omsloten door en inclusief de Wittevrouwenstraat, Voorstraat, Jansveld, Lange Jansstraat, Potterstraat, Oudegracht, Zandbrug, Oudegracht, Weerdbrug, Bemuurde Weerd Oostzijde, Zwartewater, Gruttersdijk, Adelaarstraat, Koekoekstraat, Weerdsingel Oostzijde met inbegrip van de Vaaltbrug (gelegen ter hoogte van het Hooghiemstraplein), Wolvenstraat, Wolvenplein, Wittevrouwenkade, Lucasbolwerk met inbegrip van het plantsoen, Kloksteeg, Wittevrouwenstraat geen gevolg gegeven aan dit bevel of die vordering.”
5. Ter terechtzitting van het hof heeft de raadsvrouw van de verdachte vrijspraak bepleit en daartoe in essentie aangevoerd dat “een verblijfsontzegging geen bevel of vordering als bedoeld in artikel 184 van het Wetboek van Strafrecht is” en dat er “maar een ontzegging voor de duur van een week” had mogen worden opgelegd en dat de verdachte daarom niet in strijd met het besluit heeft gehandeld.
6. Het hof heeft dit verweer verworpen en daarbij het volgende overwogen:
“De raadsman heeft bepleit dat verdachte dient te worden vrijgesproken omdat een verblijfsontzegging geen bevel of vordering is als bedoeld in artikel 184 van het Wetboek van Strafrecht. De raadsman heeft voorts bepleit dat de verblijfsontzegging geen stand kan houden omdat verdachte niet in de gelegenheid is gesteld zijn zienswijze hieromtrent kenbaar te maken en het besluit voor een te lange duur is genomen. Het hof overweegt hieromtrent dat verdachte, indien hij van mening was dat het bestuursrechtelijke besluit geen stand kon houden, in bezwaar en eventueel daarna bij de bestuursrechter in beroep had moeten gaan om het besluit aan te vechten. Nu hij dit niet heeft gedaan is het besluit, de verblijfsontzegging, hiermee voor de strafrechter komen vast te staan en dient het hof uit te gaan van de rechtmatigheid van dat besluit. De verweren die erop gericht zijn dat het besluit geen stand kan houden worden hiermee verworpen.”
7. Ik bespreek alleen de tweede klacht omdat naar mijn mening hierin terecht aan de orde wordt gesteld dat het hof ten onrechte het beginsel van de formele rechtskracht heeft ingeroepen. Voor zover in cassatie de duur van de verblijfsontzegging aan de orde is, betekent dit voor de beoordeling van het middel het volgende. Ik volsta met het weergeven van de artikelen uit de APV waarop de verblijfsontzegging berust en de onderdelen van de regeling waarin is aangegeven om welke redenen en voor welke duur de verblijfsontzegging kan worden opgelegd. De wijze waarop het opleggen van de verblijfsontzegging is gemandateerd kan daarbij buiten beschouwing blijven.
8. Artikel 2:3 aanhef en lid 1 APV Utrecht 2010 houdt het volgende in:
“Artikel 2:3 Verblijfsontzegging
De burgemeester kan gebieden aanwijzen waar hij aan personen een verblijfsontzegging kan opleggen.”
9. Artikel 2:27 aanhef en lid 1 APV Utrecht 2010 houdt het volgende in:
“Artikel 2:27 Hinderlijk gedrag op openbare plaatsen
1. Het is verboden:
a. op een openbare plaats te klimmen of zich te bevinden op een beeld, monument, overkapping, constructie, openbare toiletgelegenheid, voertuig, hek, omheining of andere afsluiting, verkeersmeubilair of daarvoor niet bestemd straatmeubilair e.d.;
b. zich op een openbare plaats zodanig op te houden dat aan gebruikers of bewoners van nabij de openbare plaats gelegen woningen onnodig overlast of hinder wordt veroorzaakt”.
10. De Instructie behorende bij mandaatbesluit verblijfsontzeggingen Breedstraatbuurt/Bemuurde Weerd en omgeving (nummer 12.083648) (hierna: de Instructie), dat zich bij de stukken bevindt, houdt onder 1 het volgende in:
“1.Een verblijfsontzegging als bedoeld in artikel 2:3 lid1 van de APV zal worden opgelegd aan personen die in dit gebied:
[…]”
11. De Instructie houdt onder 11 het volgende in:
“11. De duur van de verstrekte verblijfsontzegging bedraagt voor de onder 1 genoemde handelingen:a. één week voor de eerste verblijfsontzegging;
b. één maand voor iedere volgende verblijfsontzegging die binnen een jaar na de vorige wordt opgelegd.”
12. Uit het Besluit verblijfsontzegging Breedstraatbuurt/Bemuurde Weerd en omgeving (hierna: Besluit), dat het hof onder 2 voor het bewijs heeft gebruikt, blijkt dat met ingang van op 17 april 2013 te 20.45 tot en met 17 mei 2013 te 20:45 uur aan de verdachte een verblijfsontzegging is opgelegd omdat is vastgesteld dat de verdachte is geverbaliseerd voor “in strijd met het verbod als bedoeld in artikel 2:27 lid 1 onder b van de Algemene plaatselijke verordening Utrecht 2010 zich zodanig op een openbare plaats op te houden dat aan gebruikers of gebruikers of bewoners van nabij de openbare plaats gelegen woningen onnodig overlast of hinder veroorzaakt wordt”.
12. Wat betreft de duur van de verblijfsontzegging blijkt uit de Instructie dat de duur van de verblijfsontzegging één week bedraagt voor de eerste verblijfsontzegging, en één maand voor iedere volgende verblijfsontzegging die binnen een jaar na de vorige wordt opgelegd. Uit het Besluit blijkt dat de aan de verdachte opgelegde verblijfsontzegging één maand bedraagt.
12. Uit het arrest noch uit de door het hof gebruikte bewijsmiddelen kan blijken dat de verblijfsontzegging waarvan de overtreding in de onderhavige zaak ten laste is gelegd en bewezen is verklaard, “is opgelegd binnen een jaar na de vorige”. Ook een blik over de papieren muur leverde hiervoor geen aanknopingspunten op.
12. Het oordeel van het hof, dat het bevel is gedaan “krachtens wettelijk voorschrift” als bedoeld in artikel 184 Sr, is zonder nadere motivering, die ontbreekt, niet zonder meer begrijpelijk.
12. Het middel is terecht voorgesteld. Mocht de Hoge Raad hierover anders oordelen dan wil ik nog graag in de gelegenheid worden gesteld nader te concluderen over de eerste klacht die in het middel wordt geformuleerd en een eventueel mede naar aanleiding daarvan ambtshalve te constateren grond die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoort te geven.
17. Bij deze stand van zaken heb ik ambtshalve geen grond aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoort te geven.
17. Deze conclusie strekt tot vernietiging van het bestreden arrest, en tot terugwijzing van de zaak naar het Hof Arnhem-Leeuwarden, teneinde op het bestaande hoger beroep opnieuw te worden berecht en afgedaan.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG