2. Bespreking van het cassatiemiddel
Het middel bestaat uit twee onderdelen (klachten).
Onderdeel I klaagt dat het hof heeft miskend dat het gehouden was om aan de hand van hetgeen ten processe is gebleken, ambtshalve en kenbaar te onderzoeken of een terugbetalingsverplichting ten laste van de vrouw in redelijkheid van haar kan worden gevergd en dat het daarbij niet afhankelijk is van een daartoe strekkend verweer van de vrouw. Het hof was daartoe gehouden, aldus het onderdeel, omdat het, als gevolg van de vernietiging van de beschikking van de rechtbank, de door de rechtbank vastgestelde alimentatiebedragen heeft gewijzigd met ingang van een vóór zijn uitspraak gelegen datum (namelijk 25 januari 2013). De vrouw heeft weliswaar geen expliciet beroep gedaan op de ingrijpende gevolgen van een terugbetalingsverplichting, doch het hof had voor dat ambtshalve onderzoek voldoende feitelijke grondslag, terwijl daarnaast uit de in rechtsoverweging 2.5 opgenomen vaststellingen van de inkomsten en uitgaven van de vrouw volgt dat een dergelijke verplichting ingrijpende gevolgen heeft voor de vrouw en de vrouw voorts expliciet heeft aangevoerd dat haar inkomen zelfs onder het bijstandsniveau ligt, welke stelling zij met stukken heeft onderbouwd. De vrouw heeft ter nadere onderbouwing van haar benarde financiële situatie ook nog allerlei stukken betreffende haar huidige woonlasten, haar achterstanden daarbij én haar negatief banksaldo over 2013 en haar zeer geringe positieve banksaldo over 2014 overgelegd, waarvan de inhoud door de man niet is weersproken.
Het onderdeel klaagt daarnaast dat mede gelet op het voorgaande, het oordeel van het hof ook onbegrijpelijk is.
Het eerste lid van art. 1:402 BW bepaalt dat de rechter, die het bedrag van een uitkering tot levensonderhoud wijzigt, tevens de dag vaststelt waarop de gewijzigde alimentatie ingaat. Daarbij heeft de rechter de vrijheid die datum te stellen op een dag die vóór de dag van zijn uitspraak ligt, nu de omvang van de onderhoudsverplichting wordt bepaald door (het moment van) de wijziging van omstandigheden.
Vaste – recentelijk meermalen herhaalde – rechtspraak is dat zowel de rechter in eerste aanleg als de rechter in hoger beroep in het algemeen behoedzaam gebruik moeten maken van de bevoegdheid om de wijziging van de onderhoudsverplichting te laten ingaan op een vóór de uitspraak gelegen datum, met name indien dit ingrijpende gevolgen kan hebben voor de onderhoudsgerechtigde in verband met een daardoor in het leven geroepen verplichting tot terugbetaling van hetgeen in de daaraan voorafgaande periode in feite is betaald of verhaald.
Deze behoedzaamheid brengt mee dat de rechter naar aanleiding van hetgeen partijen hebben aangevoerd, zal moeten beoordelen of, en in hoeverre, in redelijkheid van de onderhoudsgerechtigde terugbetaling kan worden verlangd van hetgeen in overeenstemming met diens behoefte aan levensonderhoud reeds is uitgegeven, en dat de rechter, indien dit naar zijn oordeel het geval is, van zijn beoordeling rekenschap zal moeten geven in de motivering.
De rechter die een onderhoudsverplichting verlaagt met ingang van een vóór zijn uitspraak gelegen datum, zal steeds aan de hand van hetgeen ten processe is gebleken, moeten beoordelen in hoeverre een daaruit voortvloeiende terugbetalingsverplichting in redelijkheid kan worden aanvaard. Hij is derhalve bij die beoordeling niet afhankelijk van een door de onderhoudsgerechtigde gevoerd, op die terugbetaling betrekking hebbend verweer. Bij die beoordeling is onder meer van belang: de omvang van de eventuele terugbetalingsverplichting, hetgeen is gebleken omtrent de financiële situatie van partijen, in hoeverre de eerdere bijdragen reeds zijn verbruikt, of deze bijdragen in overeenstemming waren met de behoefte, en het belang van onder meer de onderhoudsplichtige bij terugbetaling van de door hem te veel betaalde bedragen.
In mijn conclusie vóór HR 6 februari 2015 heb ik uit de hiervoor weergegeven regels afgeleid dat de door de Hoge Raad aan de (appel)rechter opgelegde behoedzaamheid dus ook in diens uitspraak tot uitdrukking moet worden gebracht en voorts dat het feit dat partijen geen debat hebben gevoerd over een eventuele verplichting om te veel ontvangen alimentatie terug te betalen, onverlet laat dat de (appel)rechter in ogenschouw neemt, bijvoorbeeld aan de hand van de vastgestelde draagkracht en andere financiële omstandigheden van de onderhoudsgerechtigde, of het redelijk is dat die verplichting ontstaat door zijn beslissing. Uw Raad heeft in genoemde beschikking geoordeeld dat de rechter de hiervoor genoemde regels kenbaar moet toepassen en moet onderzoeken of een terugbetalingsverplichting in redelijkheid kan worden aanvaard en de bestreden beschikking van het hof vernietigd. Dat betekent mijns inziens dat een en ander uit de uitspraak moet blijken en derhalve moet zijn gemotiveerd.
In de onderhavige zaak heeft de rechtbank bij beschikking van 15 januari 2014 bepaald dat de man met ingang van 25 januari 2013, derhalve bijna een jaar eerder, een bijdrage van € 727,- per maand in het levensonderhoud van de vrouw moet betalen. Uit de gedingstukken blijkt dat de vrouw op 12 maart 2014 is overgegaan tot het leggen van derdenbeslag en dat de man vervolgens (in ieder geval vóór indiening van zijn beroepschrift) onder protest de achterstallige bedragen heeft betaald. Door vernietiging van de beschikking van de rechtbank en de beslissing van het hof op 25 november 2014 dat het verzoek van de vrouw tot vaststelling van partneralimentatie wordt afgewezen, is een terugbetalingsverplichting voor de vrouw ontstaan.
De advocaat van de vrouw heeft, naar aanleiding van de mededeling van de advocaat van de man ter zitting in hoger beroep dat de vrouw een terugbetalingsverplichting heeft, blijkens het proces-verbaal slechts opgemerkt dat terugbetaling niet mogelijk is. Dat is summier, maar zoals uit het voorgaande blijkt laat dit m.i. onverlet dat de rechter het vereiste onderzoek doet. Ook de omstandigheid dat gesteld noch gebleken is dat de vrouw de ontvangen bijdragen reeds conform haar behoefte heeft verbruikt en dat om die reden een terugbetalingsverplichting ingrijpende gevolgen voor haar heeft, doet aan het vereiste onderzoek door de rechter niet af.
Het hof heeft in rechtsoverweging 2.5 ten aanzien van de vrouw vastgesteld dat:
- blijkens de jaaropgave over 2013 haar fiscaal loon uit loondienst € 2.238,- bedroeg;
- zij tot 26 september 2013 een WW-uitkering ontving en haar fiscaal loon in zoverre in dat jaar € 10.464,- bedroeg;
- de vrouw met ingang van 26 september 2013 een ziektewetuitkering ontving, in welk verband haar fiscaal loon in 2013 € 4.092,- beliep;
- zij aan huur en enige servicekosten een bedrag van € 608,- per maand betaalt en aan premie voor een zorgverzekering een bedrag van € 130,- per maand.
Deze ten processe gebleken feiten had het hof bij zijn onderzoek kunnen gebruiken.
Met betrekking tot de beoordeling van het belang van de man bij terugbetaling van de door hem te veel betaalde bedragen had het hof kunnen putten uit de processtukken, waarin de man heeft gesteld dat hij de achterstanden heeft voldaan middels opname van gelden uit het zakelijk krediet van de eenmanszaak van zijn partner, dat hij het bedrag van die rekening heeft geleend en dat deze rekening nagenoeg volledig in het rood staat, terwijl gelden op deze rekening daar evenwel geparkeerd staan ter voldoening van de belastinggelden.
Evenals in de zaak die heeft geleid tot de beschikking van de Hoge Raad van 26 juni 2015, heeft het hof in de onderhavige zaak geen woord gewijd aan het gevolg van zijn beslissing om de verlaging van de partneralimentatie op een eerder moment te laten ingaan dan de datum van zijn uitspraak. Uit de bestreden beschikking blijkt derhalve niet of het hof het hiervoor bedoelde onderzoek heeft verricht. Voor zover het oordeel van het hof aldus moet worden verstaan dat de uit de verlaging voortvloeiende terugbetalingsplicht van de vrouw in redelijkheid kan worden aanvaard, is dat oordeel onvoldoende gemotiveerd.
Onderdeel I slaagt mitsdien.
Onderdeel II komt op tegen het oordeel van het hof in rechtsoverweging 4.6 dat de man zowel in de periode van 25 januari 2013 tot 25 januari 2014, de periode van 25 januari 2014 tot 1 juli 2014, als in de periode met ingang van 1 juli 2014 geen draagkracht heeft om een uitkering in het levensonderhoud van de vrouw te voldoen. De vrouw heeft op grond van de door het hof gehanteerde uitgangspunten in de rechtsoverwegingen 4.5 en 2.4 van de bestreden beschikking een herberekening gemaakt, waaruit blijkt dat de man wel enige draagkracht heeft. Het onderdeel klaagt dat het oordeel van het hof gelet daarop niet aan de minimale motiveringseisen voldoet die aan een draagkrachtberekening door de alimentatierechter worden gesteld, nu het noch controleerbaar noch aanvaardbaar is.
Bij de vaststelling van onderhoudsbijdragen geniet de rechter grote vrijheid. Aan de motivering kunnen in het algemeen geen hoge eisen worden gesteld. De beslissingen zijn slechts beperkt toetsbaar in cassatie. De rechter is niet verplicht alle berekeningen in zijn beschikking op te nemen, mits uit de beschikking voldoende blijkt van welke gegevens hij gebruik maakt. Wel geldt ook hier het grondbeginsel van een behoorlijke rechtspleging dat elke rechterlijke beslissing zodanig moet worden gemotiveerd dat zij voldoende inzicht geeft in de aan haar ten grondslag liggende gedachtegang om de beslissing zowel voor partijen als voor derden - in geval van openstaan van hogere voorzieningen: de hogere rechter daaronder begrepen - controleerbaar en aanvaardbaar te maken.
Uit de in het onderdeel genoemde rechtsoverwegingen blijkt van welke gegevens het hof bij het vaststellen van de draagkracht van de man is uitgegaan. Het hof was niet verplicht de draagkrachtberekeningen in zijn beschikking op te nemen. De enkele omstandigheid dat de vrouw er bij herberekening op uitkomt dat de man wel, zij het beperkte, draagkracht heeft, maakt het oordeel van het hof nog niet onbegrijpelijk.
Terzijde wijs ik er op dat mijn ambtgenoot Keus onlangs naar aanleiding van een soortgelijke klacht uitgebreid aandacht heeft besteed aan de onvrede die er heerst ten aanzien van de wijze waarop rechters alimentatiebeslissingen motiveren. Een in de literatuur en in initiatiefwetgeving geopperde oplossing is dat de rechter zijn draagkrachtberekening aan de uitspraak hecht. Vooralsnog is de stand van het recht hetgeen hiervoor onder 2.12 is vermeld. Onder die omstandigheden faalt onderdeel II.
3. Conclusie
De conclusie strekt tot vernietiging en verwijzing.
De Procureur-Generaal bij de
Hoge Raad der Nederlanden
A-G