ECLI:NL:PHR:2015:2284

ECLI:NL:PHR:2015:2284, Parket bij de Hoge Raad, 13-11-2015, 14/06308

Instantie Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak 13-11-2015
Datum publicatie Onbekend
Zaaknummer 14/06308
Rechtsgebied Civiel recht
Gerelateerde zaken
Formele relatie: ECLI:NL:HR:2016:376
Jurisprudentie Netwerk (LiDo)
Aangehaald door 1 zaken
1 wettelijke verwijzingen

Aangehaald door

Wettelijke verwijzingen

BWBR0001830

Samenvatting

Appelprocesrecht. Pilotreglement. Ambtshalve akte niet-dienen zonder peremptoirstelling of waarschuwing. HR 17 april 2015, ECLI:NL:HR:2015:1064, NJ 2015/210.

Uitspraak

2. Bespreking van het cassatiemiddel

De cassatiedagvaarding vermeldt onder 13 dat de rechtsvragen die in de onderdelen 3 en 4 besloten liggen, reeds in twee eerdere zaken aan de Hoge Raad zijn voorgelegd maar dat op het moment van uitbrengen van de cassatiedagvaarding in die zaken nog geen arrest was gewezen. Indien een klacht zoals opgenomen in de onderdelen 3 en 4 in één van die zaken wordt verworpen, zal [eiseres] de desbetreffende klacht in de onderhavige zaak intrekken. Als dat niet het geval is, verzoekt [eiseres] Uw Raad het cassatieberoep af te doen op het principieelste onderdeel: onderdeel 3 respectievelijk onderdeel 4.

Daarmee kan het cassatieberoep aldus worden opgevat dat de onderdelen 3 en 4 primair worden opgeworpen en de onderdelen 1 en 2 subsidiair. De onderdelen 3 en 4 zal ik derhalve als eerste bespreken.

Onderdeel 3, met als opschrift “Het Pilot-Reglement is onverbindend althans moet (deels) buiten toepassing worden gelaten” klaagt in subonderdeel 3a dat het hof heeft miskend dat het pilotreglement van het gerechtshof Amsterdam geen recht is in de zin van art. 79 RO en derhalve geen rechtens verbindende regeling is. Het subonderdeel betoogt daartoe dat de formele wetgever in art. 35 lid 1 Rv uitsluitend aan de landelijk rechtsprekende macht de bevoegdheid delegeert om een landelijk procesreglement op te stellen, zodat het gerechtshof Amsterdam geen (zelfstandig) regelgevende bevoegdheid heeft om een lokaal rolreglement op te stellen. Voor zover het gerechtshof Amsterdam die bevoegdheid wel heeft en het pilotreglement wel recht is in de zin van art. 79 RO, heeft het hof volgens subonderdeel 3b miskend dat het pilotreglement buiten toepassing had moeten worden gelaten wegens strijd met art. 35 Rv, althans voor zover het pilotreglement afbreuk doet aan de rechten die het landelijk procesreglement aan partijen toekent.

Deze klachten zijn ook opgeworpen in de twee zaken waarin Uw Raad op 17 april 2015(met betrekking tot het pilotreglement van het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch) en op 4 september 2015 arrest heeft gewezen. In beide arresten zijn deze klachten als volgt verworpen (rov. 3.6.2 van het eerste arrest):

“ (…). Een procesreglement dat door een daartoe bevoegd rechterlijk orgaan is vastgesteld en behoorlijk is bekendgemaakt, moet worden aangemerkt als recht in de zin van art. 79 RO. Het hof heeft met juistheid overwogen dat de bevoegdheid tot het vaststellen van een procesreglement als het onderhavige voortvloeit uit art. 133 Rv. Voorts staat art. 35 lid 1 Rv niet aan de geldigheid van het pilotreglement in de weg. Die bepaling opent de mogelijkheid om bij algemene maatregel van bestuur regels te stellen met betrekking tot door de rechter te stellen termijnen voor het verrichten van proceshandelingen en het verlenen van uitstel daarvoor. Anders dan het onderdeel veronderstelt, delegeert deze bepaling geen bevoegdheden aan de (landelijke) rechterlijke macht, maar opent het de mogelijkheid tot het stellen van regels bij algemene maatregel van bestuur. De omstandigheid dat art. 35 Rv uniformering tot doel heeft, doet niet af aan de geldigheid van een bevoegdelijk vastgesteld procesreglement dat afwijkt van het landelijk procesreglement.”

Uit het hiervoor onder 2.1 vermelde volgt dat [eiseres] onderdeel 3 bij deze stand van het recht intrekt. Het onderdeel, dat op grond van het vorenstaande sowieso niet tot cassatie kan leiden, behoeft derhalve geen beoordeling.

Voor het geval het derde onderdeel faalt, klaagt onderdeel 4 dat het pilotreglement, althans de toepassing ervan, in strijd is met art. 133 lid 4 Rv en/of de goede procesorde.

Volgens subonderdeel 4a heeft het hof miskend dat op grond van artikel 2.28 van het pilotreglement nog een mogelijkheid bestond om uitstel te krijgen zodat artikel 1.7 waarin is bepaald dat het verval van het recht om een proceshandeling te verrichten mogelijk is wanneer die proceshandeling niet is verricht binnen de daarvoor gestelde termijn en daarvoor geen uitstel kan worden verkregen, zich niet voordoet.

Subonderdeel 4b klaagt dat het hof het pilotreglement in strijd met de goede procesorde heeft toegepast door na de termijn van zes weken voor het nemen van de memorie van grieven zonder vooraankondiging of zonder een terme de grâce te gunnen, akte niet-dienen te verlenen op de rol van 29 juli 2014.

Soortgelijke klachten heeft Uw Raad bij arresten van 17 april 2015 als volgt gegrond bevonden:

“(…). Het pilotreglement wordt toegepast bij wijze van experiment en wijkt aanmerkelijk af van het landelijk procesreglement in die zin, dat (a) sprake is van één termijn voor het indienen van memories, die niet wordt verlengd, terwijl (b) bij overschrijding van die termijn, zonder peremptoirstelling of voorafgaande waarschuwing, ambtshalve akte niet-dienen wordt verleend. In zoverre is sprake van een bijzondere situatie. Weliswaar is aan het pilotreglement de nodige bekendheid gegeven en wordt een advocaat op grond van zijn deskundigheid zonder meer geacht op de hoogte te zijn van de geldende termijnen en de verstrekkende gevolgen van overschrijding (vgl. HR 26 september 2014, ECLI:NL:HR:2014:2813, NJ 2014/417 en ECLI:NL:HR:2014:2798, NJ 2014/418), maar hier staat tegenover dat strikte naleving van het reglement meebrengt dat [appellanten] door het verzuim van hun advocaat definitief hun zaak niet in hoger beroep aan de rechter kunnen voorleggen. Zeker nu de toegang tot de (appel)rechter in het geding is, behoort de sanctie op het niet in acht nemen van de termijnen van het pilotreglement in een redelijke verhouding te staan tot het verzuim. Een goede procesorde brengt dan in de hiervoor onder (a) en (b) omschreven omstandigheden mee dat het belang van het voorkomen van onredelijke vertraging van het geding moet worden afgewogen tegen de ernst van het verzuim en de gevolgen die strikte naleving van het reglement zou hebben voor de procesvoering van de partij die erdoor wordt getroffen. Art. 1.6 van het pilotreglement maakt deze afweging ook mogelijk. In een geval als het onderhavige dient die afweging zonder meer te leiden tot het verlenen van een (korte) termijn van veertien dagen om het verzuim te herstellen (vgl. art. 2.28 van het reglement). Het hof heeft ten onrechte nagelaten een zodanige termijn te verlenen.”

In haar schriftelijke toelichting wijst [verweerster] er op dat Uw Raad in de ‘17 april-arresten’ overweegt dat de uitkomst van de afweging van het belang om onredelijke vertraging te voorkomen tegen de ernst van het verzuim en de gevolgen van strikte naleving van het reglement “in een geval als het onderhavige” zonder meer tot een korte termijn voor herstel verzuim dient te leiden.

Volgens [verweerster] dient haar zaak echter een andere uitkomst te hebben omdat deze op de volgende “twee springende punten” afwijkt van die van de ‘17 april-arresten’:

a) de zaak had al ernstige vertraging opgelopen voordat de advocaat van [eiseres] naliet tijdig van grieven te dienen, welke vertraging volledig is toe te schrijven aan [eiseres] . Zij heeft – nadat eerst werd verzuimd de zaak bij het hof ter rolle in te schrijven – de zaak pas twee weken na de roldag met een herstelexploot alsnog geïntroduceerd, waarna zij verzuimde de dagvaarding en het bestreden vonnis over te leggen; het hof heeft haar vervolgens gelegenheid geboden tot reparatie van dit herstel, waartoe zij niet is overgegaan, hetgeen leidde tot ambtshalve doorhaling van de zaak door het hof, waarna [eiseres] uiteindelijk enige tijd later alsnog voormelde stukken in het geding heeft gebracht en de zaak weer op de rol heeft geplaatst en

b) [verweerster] heeft een groot belang bij een definitieve beslissing in het slepende verdelingsgeding.

Daarnaast voert [verweerster] aan dat [eiseres] haar met de late indiening van het uitstelverzoek de mogelijkheid ontnam om op het uitstelverzoek te kunnen reageren door niet de ‘klemmende reden regeling’ te volgen, hetgeen in strijd is met het fundamentele rechtsbeginsel van hoor en wederhoor.

Evenals in het hiervoor onder 2.6 geciteerde ‘17 april-arrest’ gaat het in onderhavige zaak om het pilot-reglement van het gerechtshof Amsterdam waarin in afwijking van het Landelijke procesreglement één termijn voor het indienen van memories wordt gegeven, die niet wordt verlengd, terwijl bij overschrijding van die termijn, zonder peremptoirstelling of voorafgaande waarschuwing, ambtshalve akte niet-dienen wordt verleend.

In de onderhavige zaak is, aldus [eiseres] , door een verzuim van haar advocaat niet tijdig van grieven gediend en kan zij haar zaak definitief niet in hoger beroep aan de rechter voorleggen.

De door [verweerster] aan (de advocaat van) [eiseres] verweten ernstige vertraging behoeft relativering: [eiseres] is bij exploot van 22 april 2014 in hoger beroep gekomen en heeft daarbij [verweerster] opgeroepen om ter rolle van 6 mei 2014 te verschijnen. Op de rol van 17 juni 2014 is de in het pilotreglement genoemde termijn van zes weken voor het nemen van een memorie van grieven verleend.

In de ‘17 april-zaak’ betreffende het Bossche reglement werd de appeldagvaarding op 21 november 2012 uitgebracht en is op de rol van 5 maart 2013 een (tweede) termijn voor memorie van grieven verleend. In de ‘Amsterdamse 17 april-zaak’ dateert de appeldagvaarding van 10 juli 2013 en is ter rolle van 1 oktober 2013 bepaald dat op 12 november 2013 zou moeten worden gediend van grieven.

In de onderhavige zaak beslaat de periode tussen uitbrengen van het appelexploot en de roldatum waarop is bepaald dat (uiteindelijk) van grieven moet worden gediend dus 8 weken, in de twee ‘17 april-zaken’ was dat respectievelijk 15 en 12 weken.

Dat de wederpartij, zoals [verweerster] , een groot belang heeft bij een definitieve beslissing, speelde en speelt ook in andere zaken. Dit rechtvaardigt op zichzelf echter niet dat de in de ‘17 april-arresten’ voorgeschreven belangenafweging achterwege kan blijven of anders uit moet vallen.

De stelling van [verweerster] dat [eiseres] haar met de late indiening van het uitstelverzoek de mogelijkheid ontnam om op het uitstelverzoek te kunnen reageren, is niet in overeenstemming met de omstandigheid dat [verweerster] nog vóór de rolbeslissing van het hof op 29 juli 2014 haar bezwaren tegen verlenging van de termijn voor indiening van de memorie van grieven aan het hof kenbaar heeft gemaakt door inzending van een H14-formulier op 28 juli 2014 (zie hiervoor onder 1.14). Bovendien miskent [verweerster] dat het in de onderhavige zaak alsmede in de ‘17 april-zaken’ om de situatie gaat dat de advocaat in de veronderstelling verkeert dat het Landelijk procesreglement van toepassing is, in welk geval de ‘klemmende reden-regeling’ bij een eerste uitstel nog niet hoeft te worden gevolgd.

Slotsom is derhalve dat ook in deze zaak de sanctie op het niet in acht nemen van de termijn voor indiening van de memorie van grieven niet in redelijke verhouding staat tot het verzuim. Onderdeel 4 slaagt mitsdien.

Dit brengt mee dat de eerste twee, als subsidiair aangemerkte, onderdelen geen bespreking meer behoeven.

3. Conclusie

De conclusie strekt tot vernietiging van het arrest van het gerechtshof Amsterdam van 26 augustus 2014 alsmede van de rolbeslissingen van 29 juli en 1 augustus 2014 en tot terugwijzing naar dit hof.

De Procureur-Generaal bij de

Hoge Raad der Nederlanden

A-G

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl JBPr 2016/22
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?