ECLI:NL:PHR:2015:2293

ECLI:NL:PHR:2015:2293, Parket bij de Hoge Raad, 16-10-2015, 14/05096

Instantie Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak 16-10-2015
Datum publicatie Onbekend
Zaaknummer 14/05096
Rechtsgebied Civiel recht
Gerelateerde zaken
Formele relatie: ECLI:NL:HR:2015:3617
Jurisprudentie Netwerk (LiDo)
Verwijst naar 2 zaken
Aangehaald door 3 zaken
2 wettelijke verwijzingen

Verwijst naar

Aangehaald door

Wettelijke verwijzingen

BWBR0001827 BWBR0001830

Samenvatting

Art. 81 lid 1 RO. Arbeidsrecht. Vervolg van HR 9 december 2011, ECLI:NL:HR:2011:BT6408, NJ 2012/5. Beroep op beperkende werking van de redelijkheid en billijkheid; gezag van gewijsde, art. 236 lid 1 Rv.

Uitspraak

2. Het procesverloop

Op 16 april 2010 heeft [verweerder] TomTom c.s. gedagvaard voor de kantonrechter van de rechtbank Amsterdam. [verweerder] heeft onder meer gevorderd dat TomTom c.s. zullen worden veroordeeld tot betaling van € 206.854,59 ter zake van de bonusregeling alsmede € 5.936.736,74 als vergoeding voor de optierechten/aandelen van [verweerder] . De kantonrechter heeft bij vonnis van 5 oktober 2012 de vordering met betrekking tot de opties toegewezen en die met betrekking tot de bonus afgewezen.

TomTom c.s. hebben hoger beroep ingesteld bij het hof Amsterdam. Door [verweerder] is incidenteel beroep ingesteld.

Bij arrest van 1 juli 2014 heeft het hof het vonnis van de kantonrechter, voor zover in cassatie van belang, bekrachtigd. In cassatie zijn vooral de rechtsoverwegingen 3.7 en 3.8 relevant:

“3.7 Met het vorenstaande is ook gezegd dat TomTom c.s. geen nadeel hebben ondervonden van het feit dat [verweerder] in de procedure die tot het hofarrest heeft geleid (ter zake van zijn optie-aanspraak) slechts verklaringen voor recht heeft gevorderd met betrekking tot de toekenning aan hem van 6000 opties TomTom B.V. en de rechtsgeldige uitoefening daarvan op 6 juni 2005: welk bedrag gemoeid was met uitoefening van de opties en verkoop van de aandelen, in het geval TomTom c.s. aan de brief van 6 juni 2005 gevolg zouden hebben gegeven, was bij de aanvang van die procedure al bekend; daarvoor was een betalingsvordering niet nodig. Of in de bewuste procedure het exacte bedrag van meerbedoelde aanspraak van [verweerder] al dan niet is genoemd acht het hof, tegen die achtergrond, niet van belang (overigens heeft [verweerder] tijdens de pleidooien in hoger beroep aangevoerd dat dit bedrag destijds wel is genoemd, toen een van de leden van het hof daarnaar ter zitting - in de zaak die leidde tot het hofarrest - had gevraagd, en is van de zijde van TomTom c.s. dat niet weersproken).

Met [verweerder] is het hof van oordeel dat het gezag van gewijsde van het hofarrest in de weg staat aan een herhaald beroep van TomTom c.s. op de beperkende werking van de redelijkheid en billijkheid met betrekking tot de huidige vordering van [verweerder] ter zake van meerbedoelde opties. Vaststaat dat TomTom c.s. dat beroep ook hebben gedaan in de procedure die tot het hofarrest heeft geleid. Vaststaat ook dat het hof dat beroep niet heeft gehonoreerd en dat de Hoge Raad in zijn arrest van 9 december 2011 (ook) de daartegen gerichte cassatieklacht heeft verworpen. Dat het in de onderhavige procedure om een andere vordering gaat dan in die procedure doet niet ter zake. Het gaat erom dat in beide procedures dezelfde rechtsbetrekking aan de orde is, te weten of [verweerder] jegens TomTom c.s. aanspraak kan maken op de opties en het daarmee gemoeide bedrag.”

TomTom c.s. hebben bij cassatiedagvaarding van 1 oktober 2014 - tijdig - cassatieberoep ingesteld. [verweerder] heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep. Partijen hebben hun standpunten schriftelijk doen toelichten (zijdens TomTom c.s. mede door mr. L.J. Burgman). Daarna hebben partijen nog gerepliceerd en gedupliceerd.

3. De bespreking van het cassatiemiddel

Onderdeel 1 van het cassatiemiddel is gericht tegen rov. 3.8 van ’s hofs arrest, waarin is geoordeeld dat een herhaald beroep van TomTom c.s. op de beperkende werking van de redelijkheid en billijkheid, voor wat betreft de vordering inzake de opties, afstuit op het gezag van gewijsde. De klachten van het onderdeel - twee rechtsklachten en een motiveringsklacht - luiden, verkort weergegeven, als volgt.

Ten eerste klaagt onderdeel 1 dat het hof is uitgegaan van een onjuiste rechtsopvatting omdat het heeft miskend dat in de eerste bodemprocedure, waarin het hof heeft geoordeeld dat [verweerder] recht heeft op 6.000 optierechten, nog geen bindende beslissing was genomen over (1) de waarde van die opties op de uitoefendatum en (2) de vraag of integrale toewijzing van een met die waarde corresponderend bedrag naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is. Volgens het onderdeel komt aan het arrest in de eerste bodemprocedure ten aanzien van die beslissingen daarom geen gezag van gewijsde toe.

Dit geldt volgens het onderdeel temeer nu er in cassatie van moet worden uitgegaan (bij wijze van hypothetische feitelijke grondslag) dat [verweerder] zijn vorderingen inzake de opties willens en wetens heeft “opgeknipt” in (1) een vordering tot afgifte van een verklaring voor recht dat hem 6.000 opties waren toegekend en dat hij deze rechtsgeldig heeft uitgeoefend (de eerste bodemprocedure) en (2) een vordering tot betaling van € 5.936.736,34 (de tweede bodemprocedure), om zo de omvang van zijn vordering in de eerste procedure aan het zicht te onttrekken en het in de tweede procedure te kunnen doen voorkomen dat toewijzing bij wijze van automatisme zou dienen te geschieden.

Het onderdeel klaagt - ten tweede - dat, voor zover de beslissing van het hof in rov. 3.8 over het gezag van gewijsde voortbouwt op zijn beslissing in rov. 3.7 dat niet van belang is of “het exacte bedrag van de meerbedoelde aanspraak” van [verweerder] in de eerste procedure tussen partijen aan de orde is geweest, die beslissing rechtens onjuist is, omdat wel degelijk van belang is in hoeverre dat bedrag in de eerste procedure in het debat is betrokken, omdat dat (mede) bepaalt of dat bedrag onderdeel uitmaakte van de rechtsbetrekking (in de zin van art. 236 Rv) die in de eerste procedure aan de orde was.

Ten derde is ’s hofs oordeel volgens het onderdeel in elk geval onbegrijpelijk, omdat in de eerste bodemprocedure niet de rechtsbetrekking aan de orde was of - zoals het hof in rov. 3.8 heeft overwogen - “ [verweerder] jegens TomTom c.s. aanspraak kan maken op de opties en het daarmee gemoeide bedrag”. In de eerste procedure was het met de opties gemoeide bedrag juist geen onderwerp van geschil omdat daarin slechts een verklaring voor recht werd gevorderd dat [verweerder] recht had op de opties. De beslissing is volgens het middel eens te meer onbegrijpelijk nu het hof in rov. 3.7 heeft overwogen voor de hele beoordeling van het beroep op het gezag van gewijsde irrelevant te achten of het exacte met de opties gemoeide bedrag in de eerste procedure aan de orde was.

De klachten gaan alle over het gezag van gewijsde. Ik maak eerst enige algemene opmerkingen daarover.

Volgens art. 236 lid 1 Rv hebben beslissingen die de rechtsbetrekking in geschil betreffen en die zijn vervat in een in kracht van gewijsde gegaan vonnis, in een ander geding tussen dezelfde partijen bindende kracht. Deze regel is de neerslag van het algemene beginsel dat aan rechtsgeschillen eens een einde moet komen.

Wat precies moet worden verstaan onder “de rechtsbetrekking in geschil” wordt uit die term niet direct duidelijk. Het gaat echter in feite om “het aan de orde zijnde geschilpunt”. Zodra de rechter in een procedure over zo’n geschilpunt heeft beslist, kan dit in een volgende procedure niet met vrucht nogmaals ter discussie worden gesteld, ook niet als er nieuwe argumenten worden aangevoerd. Aldus wordt voorkomen dat beslissingen worden genomen die naar hun uitkomst niet met elkaar te verenigen zijn.

Het antwoord op de vraag of over een bepaald aan de orde zijnd geschilpunt al eerder bindend is beslist - en: of aan deze beslissing gezag van gewijsde toekomt - zal moeten worden gevonden door uitleg van het eerdere vonnis. De hieruit voortvloeiende beslissing is feitelijk. In cassatie kan deze beslissing in beginsel dus alleen getoetst worden op begrijpelijkheid en op toereikendheid van de motivering. Niet bepalend is overigens of in de beide procedures dezelfde vordering is ingesteld.

De eerste klacht - een rechtsklacht - komt erop neer dat het hof bij zijn oordeel over het gezag van gewijsde heeft miskend dat het hof in de eerste procedure geen oordeel heeft gegeven over de waarde van de opties.

De klacht faalt mijns inziens. Het hof heeft in het bestreden arrest geoordeeld “dat in beide procedures dezelfde rechtsbetrekking aan de orde is, te weten of [verweerder] jegens TomTom c.s. aanspraak kan maken op de opties en het daarmee gemoeide bedrag” (curs. A‑G)(rov. 3.8, slot). Met andere woorden: in het bestreden arrest is het eerdere arrest van 16 maart 2010 aldus uitgelegd dat hierin wel degelijk ook de hoogte van het met de opties gemoeide bedrag is betrokken. Dit oordeel geeft geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting en kan - nu het een feitelijk oordeel betreft - in cassatie alleen op begrijpelijkheid worden getoetst. Reeds hierom faalt deze rechtsklacht.

Dit wordt niet anders indien in cassatie ervan wordt uitgegaan (zoals het onderdeel voorstaat) dat [verweerder] bewust voor het procederen in twee stappen heeft gekozen met als doel in de eerdere procedure de omvang van zijn vordering aan het zicht te onttrekken. Dat doet immers niets af aan het feit dat, volgens het bestreden arrest, ook in de eerdere procedure de hoogte van het met de opties gemoeide bedrag (uiteindelijk) in de beoordeling is betrokken.

De tweede klacht van onderdeel 1 is opgeworpen voor zover de bestreden beslissing in 3.8 over het gezag van gewijsde voortbouwt op de overweging in rov. 3.7 dat niet van belang is of het exacte bedrag van de aanspraak van [verweerder] in de eerste procedure is genoemd.

Bij de vraag of van dit voortbouwen sprake is, is de context van de overweging in rov. 3.7 van belang. Rov. 3.7 gaat over het vermeende nadeel dat TomTom c.s. zouden hebben geleden als gevolg van het feit dat [verweerder] in de eerste procedure slechts een verklaring voor recht heeft gevorderd. Volgens het hof is van dat nadeel geen sprake, omdat - kort gezegd - TomTom c.s. wisten om welk bedrag het ging. In dát verband heeft het hof vervolgens overwogen dat niet van belang is of het exacte bedrag van de betreffende aanspraak al dan niet is genoemd. Ik zou, gelet hierop, menen dat rov. 3.8 niet voortbouwt op de betreffende beslissing in rov. 3.7, en dat dus aan de voorwaarde waaronder de klacht is aangevoerd niet is voldaan.

Ook los hiervan, is de klacht mijns inziens ongegrond. Wat ook zij van de bewuste overweging in rov. 3.7 (dat niet van belang is of het exacte bedrag van de aanspraak van [verweerder] in de eerdere procedure is genoemd), de juistheid (en de begrijpelijkheid) van het oordeel in rov. 3.8 over de toepasselijkheid van het gezag van gewijsde wordt hierdoor niet aangetast. Hoe dan ook was immers in de eerdere procedure bekend wat de orde van grootte van het met de opties gemoeide bedrag was. Reeds gelet daarop heeft het hof kunnen oordelen dat ook in de eerdere procedure de hoogte van het met de opties gemoeide bedrag in de beoordeling is betrokken en dat in beide procedures dezelfde rechtsbetrekking aan de orde is. Uit ’s hofs oordeel blijkt wat mij betreft dus geen onjuiste rechtsopvatting ten aanzien van het gezag van gewijsde.

Ook de derde klacht van het onderdeel (de motiveringsklacht) faalt mijns inziens. Onbegrijpelijk vind ik het oordeel van het hof over het gezag van gewijsde zeker niet. Indien het hof het herhaalde beroep op art. 6:248 lid 2 BW wel toelaatbaar zou hebben geacht, zou dat tot een met het eerdere arrest onverenigbare beslissing hebben kunnen leiden. Ik wijs er hierbij op dat uit het eerdere arrest (rov. 4.39) duidelijk blijkt dat TomTom c.s. hun beroep op art. 6:248 lid 2 BW ook betrokken hebben op de hoogte van het met de opties gemoeide bedrag en dat het hof dat beroep in zijn geheel heeft verworpen:

“Tenslotte hebben TomTom c.s. zich erop beroepen dat toekenning van de 6.000 optierechten naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is aangezien a) [verweerder] de beëindiging van de arbeidsovereenkomst in belangrijke mate aan zichzelf heeft te wijten en b) de hoogte van het met de opties gemoeide bedrag geen recht doet aan het feit dat [verweerder] nauwelijks heeft gewerkt. Dit verweer faalt. (…)” (curs., A-G).

Ik merk nog op dat niet van belang is dat [verweerder] in de eerste procedure voor wat betreft de opties slechts een verklaring voor recht heeft gevorderd. Zoals ook al uit mijn inleidende opmerkingen volgt, is voor de toepassing van het gezag van gewijsde niet bepalend welke vordering is ingesteld maar gaat het erom of in de eerdere procedure al dan niet reeds over een bepaald geschilpunt is beslist.

Voor wat de overweging in rov. 3.7 (dat niet van belang is of in de eerdere procedure het exacte bedrag van de aanspraak van [verweerder] is genoemd) betreft: deze overweging mag dan enigszins onduidelijk zijn, aan de begrijpelijkheid van ’s hofs oordeel over het gezag van gewijsde doet dit niet af. Ik verwijs op dit punt verder naar mijn bespreking van de tweede klacht van onderdeel 1 (zie hiervóór, onder 3.5).

Volgens onderdeel 2 van het cassatiemiddel bouwt rov. 3.20 voort op de beslissingen van het hof die door onderdeel 1 zijn bestreden en getuigt ook rov. 3.20 daarom van een onjuiste rechtsopvatting, althans is ook rov. 3.20 daarom onvoldoende gemotiveerd.

Nu onderdeel 1 ongegrond is, geldt dit ook voor onderdeel 2.

Ik merk - tot slot - het volgende op. In de schriftelijke toelichting zijdens TomTom c.s. (zie onder meer onder punt 47) is betoogd dat het gezag van gewijsde niet in de weg staat aan het slagen van het beroep van TomTom c.s. op de matigingsbevoegdheid van art. 6:109 BW. Voor zover TomTom c.s. hiermee een - zelfstandige - cassatieklacht hebben willen aanvoeren tegen het arrest van het hof, voldoet deze klacht niet aan de daaraan te stellen eisen. In de cassatiedagvaarding, die de middelen van cassatie dient te bevatten, is een dergelijke klacht immers niet te vinden.

4. De conclusie

De conclusie strekt tot verwerping.

De procureur-generaal bij de

Hoge Raad der Nederlanden,

Advocaat-Generaal

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl JAR 2016/18
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?