DE BESLISSING
De rechtbank verklaart het klaagschrift gegrond.
De rechtbank gelast de teruggave dan wel heft op het conservatoir beslag inzake:
- de onroerende zaken staande en gelegen te [plaats] aan de [a-straat 1] en [b-straat 1] ;
- de auto’s, merk Porsche, voorzien van kentekens [AA-00-AA] en [BB-00-BB] ;
- de bankrekening(en) (tezamen) een bedrag van € 726.302,00 belopend;
- contant geld tot een bedrag van € 6.654,32;
- effecten/aandelen ten tijde van de inbeslagname een waarde belopend van €168.833,00.”
Uit de beschikking van de Rechtbank kan worden ontleend dat het beslag is gegrond op artikel 94a Sv. Met toepassing van de juiste maatstaf bij de beoordeling van een op de voet van art. 94a Sv gelegd beslag heeft de Rechtbank beoordeeld of zich hier het geval voordoet dat niet hoogst onwaarschijnlijk is dat de strafrechter, later oordelend, aan de klaagster een verplichting tot betaling van een geldbedrag van ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel zal opleggen. De Rechtbank heeft dat hoogst onwaarschijnlijk geacht. Aan haar oordeel heeft de Rechtbank in het bijzonder ten grondslag gelegd - kort gezegd - dat in raadkamer onweersproken naar voren is gebracht dat de belastingdienst de boekhouding van de coffeeshop heeft bijgehouden en dat steeds goed heeft bevonden, dat de hoge omzetten van de coffeeshop bij de overheid bekend waren, dat over de omzet belasting is betaald en dat van illegale geldstromen niets is gebleken. Tevens heeft de Rechtbank in aanmerking genomen dat de klaagster in de tegen haar gerichte strafzaak bij (niet onherroepelijk) vonnis van 25 februari 2014 schuldig is verklaard zonder oplegging van straf of maatregel ex art. 9a Sr. Door aldus te oordelen is de Rechtbank in haar overwegingen voorbij gegaan aan het summiere en voorlopige karakter van de beklagprocedure. De Rechtbank is immers met haar beslissing in de beklagprocedure vooruitgelopen op een mogelijke uitkomst van een nog te voeren ontnemingszaak tegen de klaagster.
In voormeld strafvonnis is de klaagster veroordeeld voor een tweetal feiten, te weten het medeplegen van het opzettelijk handelen in strijd met het in art. 3 onder B en C van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd, en het als oprichter en leider deelnemen door de klaagster aan een organisatie als bedoeld in art. 140 Sr die tot oogmerk had het plegen van Opiumwetmisdrijven. In het strafvonnis is voorts overwogen dat sprake was van ernstig en stelselmatig overtreden door de klaagster van het gestelde criterium inzake de handelsvoorraad.De Hoge Raad heeft in zijn arrest van 4 maart 2003, ECLI:NL:HR:2003:AF1965, bepaald dat in een zodanig geval in beginsel al het uit die handel in softdrugs verkregen voordeel geacht moet worden wederrechtelijk verkregen te zijn, dus niet alleen dat voordeel dat is verkregen uit de verkoop van softdrugs voor zover dat de te gedogen hoeveelheid te boven gaat. De Rechtbank lijkt het een en ander te miskennen. Evident is echter dat de Rechtbank op de stoel van de ontnemingsrechter is gaan zitten, terwijl de door haar in aanmerking genomen feiten en omstandigheden niet zonder meer meebrengen dat het hoogst onwaarschijnlijk is dat de later oordelende ontnemingsrechter aan de klaagster geen ontnemingsmaatregel zal opleggen. Daarbij is van belang dat de officier van justitie in raadkamer heeft aangevoerd dat er een ontnemingsprocedure zal plaatsvinden en dat de raadsman van de klaagster heeft aangegeven dat de ontnemingsvordering op 14 januari 2013 bij requisitoir is aangekondigd.
Voor zover de Rechtbank in haar overwegingen heeft betrokken dat in de strafzaak tegen de klaagster art. 9a Sr is toegepast merk ik het volgende op. Op de vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel kan slechts worden beslist als er sprake is van een veroordeling als bedoeld in art. 36e Sr. Onder veroordeling wordt mede begrepen de schuldigverklaring zonder straf of maatregel als bedoeld in art. 9a Sr. Ook in dit opzicht is het oordeel van de Rechtbank, zonder nadere motivering, niet begrijpelijk.
De beslissing van de Rechtbank is ontoereikend gemotiveerd. Het middel klaagt daarover terecht.
5. Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden beschikking en tot zodanige beslissing met betrekking tot verwijzen of terugwijzen als de Hoge Raad gepast zal voorkomen.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden