ECLI:NL:PHR:2015:231

ECLI:NL:PHR:2015:231, Parket bij de Hoge Raad, 13-03-2015, 14/03601

Instantie Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak 13-03-2015
Datum publicatie Onbekend
Zaaknummer 14/03601
Rechtsgebied Civiel recht
Gerelateerde zaken
Formele relatie: ECLI:NL:HR:2015:1284
Jurisprudentie Netwerk (LiDo)
Verwijst naar 2 zaken
Aangehaald door 3 zaken
2 wettelijke verwijzingen

Verwijst naar

Aangehaald door

Wettelijke verwijzingen

BWBR0001830 BWBR0002761

Samenvatting

Erfrecht. Stilzwijgende zuivere aanvaarding nalatenschap? Art. 4:192 lid 1 BW. Individuele beoordeling erfgenamen (HR 20 juni 2014, ECLI:NL:HR:2014:1489, NJ 2014/508). Redelijke kosten gericht op passende uitvaart erflater, art. 1095 (oud) BW en art. 4:192 lid 1 BW. Grenzen van de rechtsstrijd. HR doet zelf de zaak af.

Uitspraak

14/03601

Mr. Hammerstein

Zitting van 13 maart 2015 (bij vervroeging)

Conclusie inzake:

[eiser 1] en [eiseres 2]

tegen

[verweerster]

Levert het betalen van de rekening van een maaltijd met de pinpas van de erflaatster op haar dag van overlijden een gedraging op waaruit ondubbelzinnig blijkt dat de nalatenschap is aanvaard (art. 4:192 lid 1 BW)? Levert het betalen door de erfgenaam (tevens executeur-testamentair) van de koffietafel op de begrafenis een zuivere aanvaarding van de nalatenschap op?

1. Feiten en procesverloop

In cassatie gaat het om het volgende.

(i) Eisers tot cassatie zijn broer en zus (hierna samen: de erfgenamen). Op 9 maart 2008 is hun moeder (hierna: de erflaatster) overleden. De erfgenamen en hun partners hebben op die dag voor een bedrag van € 119,-- in restaurant De Koperen Pan gegeten. De rekening is door de broer betaald met de pinpas van een bankrekening die (mede) op naam stond van de erflaatster. Op de dag van de begrafenis is een koffietafel gehouden. De broer heeft de kosten van € 700,-- betaald en hij heeft dit bedrag ten laste van de boedel gebracht.

(ii) Op 8 april 2008 heeft de griffier van de rechtbank een akte opgemaakt waarin de erfgenamen de nalatenschap beneficiair hebben aanvaard. De broer is bij testament benoemd tot executeur-testamentair van de nalatenschap. Hij heeft deze benoeming aanvaard. De nalatenschap heeft negatief saldo.

(iii) Verweerster in cassatie ([verweerster]) is gehuwd geweest met een in 2000 overleden zoon van de erflaatster. Uit dat huwelijk zijn twee kinderen geboren. Erflaatster heeft beide kinderen van [verweerster] als erfgenamen uitgesloten. [verweerster] heeft een vordering van € 11.072,80 op de boedel. Deze vordering betreft het erfdeel van haar overleden echtgenoot uit de nalatenschap van zijn vader.

(iv) Volgens [verweerster] hebben de erfgenamen met de beide onder (i) omschreven bestedingen de nalatenschap zuiver aanvaard.

De vordering van [verweerster] strekte tot betaling van het hiervoor onder 1.1 (iii) vermelde bedrag. De kantonrechter heeft deze vordering afgewezen. Het hof heeft bij arrest van 8 april 2014 de vordering toegewezen.

De erfgenamen hebben bij exploot van 3 juli 2014 aangezegd van dit arrest beroep in cassatie in te stellen onder aanvoering van een middel van cassatie met toelichting. [verweerster] heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep. Zij heeft haar standpunt schriftelijk toegelicht. De erfgenamen hebben gerepliceerd.

2. De in cassatie aan de orde zijnde vragen

Het is de vraag of een financieel belang van ongeveer € 11.000,-- een procedure in drie instanties rechtvaardigt. Die vraag staat echter niet ter beoordeling. De toets van art. 80a RO heeft immers plaatsgevonden. Ik meen overigens dat hier een kwestie aan de orde is die wel degelijk de aandacht verdient van uw Raad. Door zuivere aanvaarding van een nalatenschap worden erfgenamen persoonlijk aansprakelijk voor de schulden van de erflater (art. 4:182 lid 2 BW). Als deze aanvaarding te gemakkelijk wordt aangenomen, kunnen erfgenamen in grote problemen geraken. De Staatssecretaris van Veiligheid en Justitie heeft dit probleem onderkend in zijn brief van 7 maart 2013, maar besloten dat betere voorlichting hier een oplossing moet bieden. Hoewel er stemmen opgaan beneficiaire aanvaarding als uitgangspunt te nemen in het wettelijke stelsel om aan problemen als deze het hoofd te bieden, lijkt hiervoor niet te worden gekozen. Er is dus alle reden de zuivere aanvaarding niet al te klakkeloos uit ondoordacht gedrag van een erfgenaam af te leiden.

De vraag die hier beantwoord moet worden is of in dit geval de erfgenamen door de betaling van de kosten van een maaltijd met de nog niet geblokkeerde pinpas van de erflaatster een daad (van beschikking) hebben gepleegd waaruit volgt dat zij de nalatenschap hebben aanvaard. Het zal duidelijk zijn dat prima facie niet erg aannemelijk is dat zij zelf die bedoeling bewust hebben gehad. Het lijkt mij ook geen punt van discussie dat degene die gebruik maakt van de bankrekening van de erflaatster, zich ervan moet vergewissen of dit toelaatbaar is, mede met het oog op de belangen van mogelijke andere erfgenamen en schuldeisers. Ten slotte blijkt uit de feiten dat het om een familieconflict gaat waarvan slechts enkele aspecten zichtbaar zijn geworden. Thans speelt echter alleen de juridische kwestie van de aanvaarding.

Het hof heeft geoordeeld (rov. 12) dat het gezamenlijk eten bij gelegenheid van de voorbereiding van de uitvaart van erflaatster niet kan worden aangemerkt als een daad van beheer. Hoe gering het bedrag ook is, de erfgenamen hebben de gelden van de nalatenschap verbruikt ten eigen behoeve en er aldus als heer en meester over beschikt. Wat de kosten van de koffietafel betreft stelt het hof vast dat deze kosten zonder inachtneming van de voorgeschreven rangorde zijn betaald ten laste van de nalatenschap. Volgens het hof is een en ander gebeurd met instemming van de zus, die bovendien mede opdracht heeft gegeven omdat zij de uitvaart en de koffietafel heeft geregeld.

Het middel bevat een groot aantal klachten die zijn verdeeld over drie onderdelen. Onderdeel III heeft geen zelfstandige betekenis. Het keert zich tegen de slotconclusie in rov. 13 van het bestreden arrest.

Onderdeel I heeft betrekking op de maaltijd op de sterfdag (ter voorbereiding van de begrafenis). Ik geef de klachten als volgt weer.

a. Het hof heeft miskend dat onder een daad betreffende de begrafenis mede dient te worden verstaan het betalen van de redelijke kosten die worden gemaakt door of ten behoeve van de personen die bij de begrafenis behulpzaam zijn.

b. Het hof heeft niet voldoende gerespondeerd op de stellingen van de broer (i) dat hij de kosten van de maaltijd als executeur heeft voldaan, (ii) dat de erfgenamen en hun partners op de dag vanuit het huis van de erflaatster haar begrafenis en uitvaart hebben geregeld, (iii) dat er geen eten of drinken in huis was, (iv) dat zij te ver verwijderd waren van huis om thuis te eten en (v) dat de kosten van de door hen genuttigde eenvoudige maaltijd daarom als kosten van de begrafenis zijn aan te merken.

c. De vaststelling van het hof dat de zus aan de maaltijd heeft deelgenomen kan niet tot het oordeel bijdragen dat zij de nalatenschap heeft aanvaard. Het hof heeft immers niet vastgesteld dat de zus wist of behoorde te weten dat betaling van de maaltijd werd voldaan uit de nalatenschap en daarmee heeft ingestemd.

Onderdeel II heeft betrekking op de koffietafel. Over dit oordeel van het hof wordt als volgt geklaagd.

d. Het hof is buiten de grenzen van de rechtsstrijd getreden door te oordelen dat de broer de nalatenschap heeft aanvaard door in zijn hoedanigheid van executeur zijn eigen vordering ter zake van de koffietafel te voldoen zonder de rangorde van de schulden in acht te nemen. Tegen het oordeel van de rechtbank omtrent de koffietafel is immers geen grief gericht.

e. De vaststelling van het hof dat de broer bij de betaling de rangorde van art. 4:7 BW heeft veronachtzaamd kan niet leiden tot het oordeel dat hij de nalatenschap heeft aanvaard. Hoogstens heeft hij als executeur een fout gemaakt waarvoor hij in die hoedanigheid aansprakelijk kan worden gehouden. De slotsom dat hij zich ondubbelzinnig en zonder voorbehoud als een zuiver aanvaard hebbend erfgenaam heeft gedragen is onjuist. In elk geval is onbegrijpelijk waarom het niet aanhouden van de rangorde van art. 4:7 BW tot deze conclusie kan leiden.

f. Het hof heeft in het midden gelaten of de kosten van de koffietafel zijn aan te merken als kosten van lijkbezorging, zodat hiervan in cassatie bij wege van hypothetische feitelijke grondslag moet worden uitgegaan. Daaruit volgt dat de vordering van de broer een hogere rang had dan die van [verweerster], zodat het andersluidende oordeel van het hof onjuist is. In elk geval heeft het hof zijn oordeel niet toereikend gemotiveerd.

g. Een daad betreffende de begrafenis kan niet als een daad van aanvaarding worden beschouwd. Het hof heeft deze regel miskend. In elk geval is onbegrijpelijk waarom het oordeel van het hof dat de broer de rangorde van de schuldeisers heeft veronachtzaamd een uitzondering rechtvaardigt op deze regel.

h. De door het hof vastgestelde feiten rechtvaardigen niet de conclusie dat de zus de nalatenschap zuiver heeft aanvaard. Daaruit blijkt immers niet dat de zus wist of behoorde te weten dat de koffietafel van de bankrekening van de boedel is betaald.

3. Beoordeling van de klachten

Ingevolge art. 4:191 BW kan een erfgenaam de nalatenschap aanvaarden of verwerpen. Aanvaarding kan zuiver geschieden of onder het voorrecht van boedelbeschrijving. De erfgenamen menen dat zij het laatste hebben gedaan, maar het hof heeft het standpunt aanvaard dat sprake is geweest van zuivere aanvaarding. Dit heeft tot gevolg dat de schuldeisers zich kunnen verhalen niet alleen op de nalatenschap maar ook op het (overige) vermogen van de erfgenaam (art. 4:184 lid 2, onder a, BW). In dit geval is [verweerster] de enige schuldeiser en is haar vordering ook de enige vordering die niet betaald kon worden. Zoals hierna zal blijken is deze omstandigheid niet zonder betekenis.

In dit verband heeft het hof toepassing gegeven aan art. 4:192 lid 1 BW: De erfgenaam die zich ondubbelzinnig en zonder voorbehoud als een zuiver aanvaard hebbende erfgenaam gedraagt, aanvaardt daardoor de nalatenschap zuiver. Met gedraging is – zoals het hof ook overweegt – bedoeld dat de erfgenaam als heer en meester over de goederen der nalatenschap beschikt of doet blijken dat hij de schulden van de nalatenschap geheel voor zijn rekening neemt. Met andere woorden, de erfgenaam laat door zijn gedragingen blijken dat hij zich als rechthebbende beschouwt. Het antwoord op de vraag of uit de gedragingen van een erfgenaam de bedoeling kan worden afgeleid om de erfenis stilzwijgend te aanvaarden hangt af van de omstandigheden van het geval. Dit een en ander moet voor iedere erfgenaam afzonderlijk worden beoordeeld. Of een bepaalde gedraging een stilzwijgende aanvaarding kan opleveren, is een rechtsvraag. Of deze in de gegeven omstandigheden ook aanvaarding oplevert hangt af van de waardering van de omstandigheden en het desbetreffende oordeel en kan in cassatie slechts op begrijpelijkheid worden onderzocht.

Hoewel ik het eens ben met de opmerking van mijn ambtgenote De Vries Lentsch-Kostense dat stilzwijgende aanvaarding in de rechtspraak al spoedig wordt aangenomen, lijkt mij dat in dit geval die conclusie door het hof te snel is getrokken. Het hof heeft blijkbaar alleen onderzocht of hier van beheersdaden sprake is geweest en is tot het oordeel gekomen dat dit niet het geval was. Naar mijn opvatting heeft het hof onvoldoende onderzocht of uit de gedragingen van de beide erfgenamen ook de bedoeling kon worden afgeleid dat zij de nalatenschap zuiver aanvaardden.

Onder het oude recht noemde art. 1095 BW enkele gevallen waarin geen stilzwijgende aanvaarding mag worden aangenomen. Daartoe behoorde “al hetgeen tot de begrafenis betrekking heeft”. Deze bepaling is niet overgenomen omdat de formulering van art. 4:192 lid 1 BW hierin al voorziet. Het hof is ook ervan uitgegaan dat “daden betreffende de begrafenis” niet als een aanvaarding kunnen worden beschouwd. Het hof had derhalve moeten beoordelen of de onderhavige gedragingen daaronder vallen. Als ik het goed zie, heeft het hof echter een andere weg gekozen. Het hof overweegt dat het gezamenlijk eten op 9 maart 2008 niet als een daad van beheer kan worden beschouwd. Voor zover de kosten van de koffietafel op de dag van de uitvaart zijn te beschouwen als kosten van de lijkbezorging, oordeelde het hof dat deze kosten zijn voldaan zonder inachtneming van de voorgeschreven rangorde van de schuldeisers. Naar mijn opvatting is het hof aldus uitgegaan van een onjuiste rechtsopvatting. Het hof heeft miskend dat betaling van kosten die betrekking hebben op de begrafenis niet onder de gedragingen van art. 4:192 lid 1 BW vallen. De erfgenamen hebben zich hierop uitdrukkelijk beroepen door te wijzen op de omstandigheden die hebben geleid tot het maken van die kosten. Zij hadden een nacht bij de erflaatster gewaakt en hebben de volgende dag al het nodige gedaan om de begrafenis voor te bereiden. Omdat zij niet in hun woonplaats waren en in het huis van de erflaatster geen voedingsmiddelen waren, hebben zij een eenvoudige maaltijd gebruikt in een restaurant. Daarmee hebben zij de relatie met de begrafenis en de noodzaak van de kosten voldoende aannemelijk gemaakt. Ik acht het maatschappelijk wenselijk het begrip kosten in relatie tot de begrafenis niet te krap op te vatten. Het gaat niet alleen om de kosten van lijkbezorging maar om alle kosten die met het oog op een voor de erflater passende uitvaart of begrafenis zijn gemaakt. In beide gevallen lijkt mij onbetwistbaar dat kosten zijn gemaakt die verband houden met de begrafenis van de erflaatster, zodat deze kosten niet onder de omschrijving van art. 4:192 lid 1 BW kúnnen vallen. Het hof is dus van een onjuiste rechtsopvatting uitgegaan.

Het oordeel van het hof dat de erfgenamen de rangorde van de schuldeisers niet in acht hebben genomen kan naar mijn oordeel geen reden opleveren om de gewraakte betalingen als zuivere aanvaarding te beschouwen. Ik betrek daarbij dat de betalingen zijn gedaan door de broer die als executeur was aangewezen. Hem kan worden verweten dat hij zich in die hoedanigheid niet behoorlijk heeft gedragen en dat hij de wettelijke rangorde heeft veronachtzaamd, maar een aanvaarding van de nalatenschap kan hieruit niet volgen. Ook in zoverre is dus sprake van een onjuiste rechtsopvatting.

Ook als uw Raad over het vorenstaande anders zou oordelen, kan het arrest van het hof niet in stand blijven met betrekking tot de zus. In cassatie moet – al dan niet bij wege van veronderstelling – ervan worden uitgegaan dat de beide betalingen zijn verricht door de broer. Het hof heeft geen feiten en omstandigheden vastgesteld waaruit kan volgen dat de zus medeverantwoordelijkheid heeft aanvaard voor deze betalingen. Het hof heeft weliswaar geoordeeld dat de zus met de betalingen heeft ingestemd, maar waaruit dit blijkt staat nergens vermeld. Ik meen dat zelfs als de zus zou hebben ingestemd met de betalingen, zij daarmee geen daad heeft verricht waaruit zuivere aanvaarding van de nalatenschap blijkt.

Met betrekking tot de kosten van de koffietafel kan het arrest van het hof eveneens niet in stand blijven. Het hof laat in het midden of deze kosten kunnen worden beschouwd als kosten van lijkbezorging. Daarvan moet in cassatie bij wege van hypothese worden uitgegaan. Daaruit volgt reeds dat betaling van deze kosten niet een daad is waaruit aanvaarding van de nalatenschap kan blijken. Door de doorbreking van de rangorde van de schuldeisers als maatstaf te hanteren, heeft het hof blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting. Bovendien heeft het hof niet gerespondeerd op de stelling van de broer dat hij heeft gehandeld als executeur en niet als erfgenaam. Die stelling lijkt mij relevant. Als de broer als executeur een fout heeft gemaakt kan hij daarop door de andere erfgenamen en de schuldeisers worden aangesproken. Aan zijn gedrag gevolgen verbinden voor de aanvaarding, acht ik niet gerechtvaardigd.

Het feit dat de zus mede opdrachtgeefster was voor de koffietafel is onvoldoende om daaraan het gevolg te verbinden dat zij een daad heeft verricht waaruit aanvaarding van de nalatenschap volgt. Het hof is uitgegaan van een onjuiste rechtsopvatting of het hof heeft zijn oordeel ontoereikend gemotiveerd op dit punt.

Ten slotte acht ik de klacht dat het hof buiten de grenzen van de rechtsstrijd is getreden eveneens gegrond. De rechtbank heeft in rov. 2.10 van haar tussenvonnis van 30 augustus 2012 geoordeeld dat de betaling van het bedrag van € 700,-- geschiedde ter voldoening van een gedeelte van de kosten van de uitvaart. [verweerster] heeft als appellante tegen dit oordeel geen grief aangevoerd, zodat het hof van de juistheid van dit oordeel behoorde uit te gaan. Lezing van de memorie van grieven leert bovendien dat daarin alleen de betaling van de maaltijd in De Koperen Pan aan de orde wordt gesteld. De erfgenamen hebben dit in de memorie van antwoord onder 4 ook zo begrepen:

“Appellante legt althans in dit hoger beroep alleen nog aan haar vordering ten grondslag de stelling dat de pin-betaling van € 119,00 van de en/of rekening […] als een gedraging heeft te gelden die de zuivere aanvaarding van de nalatenschap van moeder inhoudt”.

Naar mijn oordeel is er nog een in de klachten besloten reden te vinden om het oordeel van het hof niet in stand te laten. In de kern zou alleen deze betaling van de kosten van de maaltijd op de sterfdag onder de maatstaf van art. 4:192 lid 1 BW kunnen worden gebracht. De kosten van de koffietafel zijn onmiskenbaar gerelateerd aan de begrafenis en vallen onder de uitzondering die ook naar huidig recht algemeen wordt aangenomen. Het recht moet voor gewone mensen begrijpelijk blijven en niet leiden tot toepassingen die een absurde uitkomst tot gevolg hebben. Dit geldt ook in dit geval waarin ik al heb gesignaleerd dat een erfgenaam niet te gemakkelijk mag aannemen dat hij over de rekening van de erflater beschikt. Ik acht echter de betaling van een bedrag van € 119,-- voor kosten van een maaltijd op de sterfdag van de erflaatster niet een gedraging waaruit een schuldeiseres als [verweerster] zonder meer mocht afleiden dat de erfgenamen daarmee de nalatenschap zuiver hadden aanvaard. Daarbij dienen de concrete omstandigheden in de beschouwing te worden betrokken, waaronder met name ook het feit dat [verweerster] de enige schuldeiser was en de schoonzus van de beide erfgenamen. Haar vordering, die wellicht voortkomt uit heel begrijpelijke overwegingen die echter in deze procedure niet van belang zijn, verdient in rechte geen steun. Bovendien staat helemaal niet vast dat de betaling is gedaan door een erfgenaam. De betaler was immers executeur-testamentair. Ik acht het oordeel van de rechtbank daarom juist en het oordeel van het hof onjuist.

4. Conclusie

Nu het hof ten onrechte de kosten van de koffietafel mede aan zijn oordeel ten grondslag heeft gelegd, kan zijn arrest niet in stand blijven. Ik meen dat ook de klachten met betrekking tot de betrokkenheid van de zus en de hoedanigheid van de broer zonder meer doel treffen. Dit betekent dat het arrest van het hof niet in stand kan blijven en vernietiging moet volgen. Naar mijn opvatting kan het eindvonnis van de rechtbank worden bekrachtigd, maar als uw Raad over de betaling van € 119,-- anders denkt, moet verwijzing volgen.

De procureur-generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden,

Wnd. A-G.

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?