Het proces-verbaal van de terechtzitting van het Hof van 1 juli 2011:
“De verdachte legt op vragen van de voorzitter een verklaring af, inhoudende – zakelijk weergegeven -:
(…) Kort gezegd komt het erop neer dat ik pas op 11 mei 2010 kennis heb genomen van het feit dat ik daags daarna bij de politierechter moest verschijnen. (…) Mijns inziens is die dagvaarding nietig omdat ze niet minimaal drie dagen voor de terechtzitting aan mij is uitgereikt. Ik hoor u zeggen dat de termijn van drie dagen inderdaad niet in acht is genomen, omdat een afschrift van de dagvaarding pas op 10 mei 2010 naar het zojuist – en ook reeds bij de politie – door mij opgegeven adres is verzonden. Ik hoor u ook zeggen dat de dagvaarding daarmee nog niet nietig is, maar dat de politierechter het onderzoek ter terechtzitting in beginsel had moeten schorsen. Ik zal u niet verzoeken de zaak terug te wijzen, zo terugwijzing al een mogelijkheid zou kunnen zijn. Ik wil dat de zaak vandaag in hoger beroep wordt afgedaan.
(…)
De advocaat-generaal voert hierna het woord en draagt de vordering voor.
De advocaat-generaal vordert vernietiging van het vonnis waarvan beroep en veroordeling van e verdachte ter zake van het onder 1 en 2 primair ten laste gelegde (…).”
Het proces-verbaal van de terechtzitting van 23 april 2014:
“De raadsman deelt mede:
De verdediging verzoekt de zaak naar de politierechter terug te wijzen op grond van artikel 423 van het Wetboek van Strafvordering. De verdachte had graag ter terechtzitting in eerste aanleg aanwezig willen zijn. Er is sprake van een nietig onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg.
De voorzitter deelt mede:
Uit het proces-verbaal van de zitting in hoger beroep van 1 juli 2011 blijkt dat de verdachte uitdrukkelijk niet heeft verzocht om terugwijzing van de zaak naar de politierechter. Het hof zou daaruit kunnen afleiden dat de verdachte afstand heeft gedaan van het recht tot terugwijzing van de zaak naar de politierechter.
De raadsman deelt mede:
Blijkens het arrest van de Hoge Raad d.d. 2 juli 2013 is de zaak verwezen naar dit hof teneinde de zaak op het bestaande hoger beroep opnieuw te berechten. De verdachte wil graag berecht worden door de politierechter te Rotterdam; dat is de rechter die de lokale feitelijke situatie kan beoordelen. De Hoge Raad heeft de juridische vraagstelling te beperkt uitgelegd, namelijk of "te Rotterdam" gelijk is aan de "gemeente Rotterdam". Het gaat er om waar het feit is gepleegd.
De advocaat-generaal deelt mede:
De verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep van 1 juli 2011 afstand gedaan van zijn recht op terugwijzing naar de politierechter. Om die reden dient het hof dit verzoek thans af te wijzen.
De raadsman deelt mede:
Ter terechtzitting in hoger beroep van 1 juli 2011 heeft de verdachte niet verzocht om terugwijzing, zodat geen sprake kan zijn van afstand van dit recht. De verdediging persisteert bij het verzoek tot terugwijzing van de zaak naar de politierechter Rotterdam.
De voorzitter onderbreekt vervolgens het onderzoek voor beraad. Na beraad wordt het onderzoek hervat en deelt de voorzitter als beslissing van het hof mede dat het verzoek tot terugwijzing wordt afgewezen.
De Hoge Raad heeft het door dit hof gewezen arrest d.d. 1 juli 2011 vernietigd met bepaling dat de zaak op het bestaande hoger beroep opnieuw wordt berecht en afgedaan.
De verdachte heeft destijds, op 1 juli 2011, bij de behandeling van de zaak door dit hof niet verzocht om terugwijzing naar de politierechter in verband met een betekeningsgebrek bij de behandeling in eerste aanleg.
Integendeel, de verdachte heeft het hof uitdrukkelijk verzocht om de zaak in hoger beroep af te doen. Dat de daarop gevolgde behandeling van de zaak niet heeft geleid tot een onherroepelijk arrest van het hof doordat er beroep in cassatie tegen het arrest is ingesteld en de Hoge Raad het gewezen arrest heeft vernietigd, betekent niet dat de beslissing om de zaak in hoger beroep af te doen opnieuw ter discussie gesteld kan worden. De verdachte heeft verzocht om behandeling in hoger beroep en het is (slechts) die behandeling die opnieuw moet plaatsvinden.
(…)
De raadsman voert het woord tot verdediging en voert daartoe aan:
(…)
De verdediging doet het herhaalde verzoek de zaak naar de politierechter terug te wijzen op grond van artikel 423 van het Wetboek van Strafvordering.”
6. In het bestreden arrest heeft het Hof nog overwogen:
“Verzoek tot terugwijzing
De verdediging heeft ter terechtzitting in hoger beroep van 23 april 2014 verzocht de zaak naar de politierechter terug te wijzen, welk verzoek door het hof is afgewezen.
Bij pleidooi heeft de verdediging het verzoek herhaald.
Het hof ziet geen gronden om thans anders te beslissen en wijst het verzoek wederom af op dezelfde hierna te noemen gronden, te weten:
De Hoge Raad heeft het door dit hof gewezen arrest d.d. 1 juli 2011 vernietigd met bepaling dat de zaak op het bestaande hoger beroep opnieuw wordt berecht en afgedaan.
De verdachte heeft destijds, op 1 juli 2011, bij de behandeling van de zaak door dit hof niet verzocht om terugwijzing naar de politierechter in verband met een betekeningsgebrek bij de behandeling in eerste aanleg.
Integendeel, de verdachte heeft het hof uitdrukkelijk verzocht om de zaak in hoger beroep af te doen. Dat de daarop gevolgde behandeling van de zaak niet heeft geleid tot een onherroepelijk arrest van het hof doordat er beroep in cassatie tegen het arrest is in gesteld en de Hoge Raad het gewezen arrest heeft vernietigd, betekent niet dat de beslissing om de zaak in hoger beroep af te doen opnieuw ter discussie gesteld kan worden. De verdachte heeft verzocht om behandeling in hoger beroep en het is (slechts) die behandeling die opnieuw moet plaatsvinden.”
7. Volgens het middel getuigt de voormelde motivering van het Hof van een onjuiste rechtsopvatting, althans is deze niet zonder meer begrijpelijk, nu art. 423, tweede lid, Sv deel uitmaakt van de nieuwe behandeling in hoger beroep na terugwijzing van de zaak door de Hoge Raad.
8. Vooropgesteld moet worden dat het Hof gebonden is aan de terugwijzingsopdracht zoals geformuleerd in het arrest van HR 2 juli 2013, ECLI:NL:HR:2013:147. Deze opdracht houdt in dat de zaak op “het bestaande hoger beroep” opnieuw moet worden berecht en afgedaan, dat wil zeggen op het hoger beroep zoals dat blijkens de “Akte instellen hoger beroep” op 21 mei 2010 is ingesteld. Dat houdt voor het Hof de verplichting in om de zaak opnieuw te behandelen, dus om op de grondslag van de inleidende dagvaarding het onderzoek in zijn geheel opnieuw te laten aanvangen en te voltooien, voor zover althans uit de wet niet het tegendeel voortvloeit. In het algemeen gesproken zou dan de verdachte (alsnog) een beroep op art. 423, tweede lid, Sv kunnen doen, indien daartoe aanleiding is. In de onderhavige zaak is het echter de vraag of verzoeker die ruimte nog toekomt.
9. Art. 423, tweede lid, Sv luidt:
“2. Indien de hoofdzaak niet door de rechtbank is beslist en het onderzoek daarvan gevolg moet zijn van de vernietiging van het vonnis, doet het gerechtshof de zaak zelf af, tenzij terugwijzing naar dezelfde rechtbank door de advocaat-generaal of de verdachte ter terechtzitting is verlangd. Terugwijzing vindt ook zonder uitdrukkelijk gebleken verlangen van de verdachte plaats indien de verdachte niet ter terechtzitting aanwezig is en de dagvaarding om op de terechtzitting in hoger beroep te verschijnen of de aanzegging of oproeping voor de nadere terechtzitting aan de verdachte niet in persoon is gedaan of betekend en zich geen andere omstandigheid heeft voorgedaan waaruit voortvloeit dat de dag van de terechtzitting of van de nadere terechtzitting de verdachte tevoren bekend was. In geval van terugwijzing doet de rechtbank recht met inachtneming van ’s hofs arrest.”
10. Indien in eerste aanleg over de hoofdzaak inhoudelijk is beslist, houdt de appelrechter de behandeling van de zaak aan zich, zo luidt de hoofdregel van art. 423, eerste lid, Sv. Is echter in eerste aanleg niet inhoudelijk over de strafzaak beslist en moet het vonnis worden vernietigd, dan heeft de verdachte op grond van het tweede lid van art. 423 Sv onder bepaalde omstandigheden het recht om terugwijzing te verlangen. Aan deze bepaling, die als een uitzondering op de hoofregel wordt gezien, heeft de Hoge Raad een uitbreiding gegeven en wel in zoverre dat ook als de rechter in eerste aanleg wél aan een inhoudelijke behandeling is toegekomen de zaak toch naar deze terug moet (i) indien blijkt dat zich een zodanig gebrek heeft voorgedaan in de samenstelling van het gerecht dat de behandeling van de zaak niet heeft plaatsgevonden door een onpartijdige instantie als bedoeld in art. 6, eerste lid, EVRM alsook (ii) wanneer de rechter ter terechtzitting aan de behandeling ten gronde niet had mogen toekomen omdat één van de overige personen die een sleutelrol vervullen bij het onderzoek ter terechtzitting aldaar niet is verschenen, terwijl hij of zij niet op de bij de wet voorgeschreven wijze op de hoogte is gebracht van de dag van de terechtzitting en zich evenmin een omstandigheid heeft voorgedaan waaruit voortvloeit dat die dag hem of haar tevoren bekend was. Tot die personen behoren in ieder geval de vertegenwoordiger van het Openbaar Ministerie, de raadsman en de verdachte. Op basis van diezelfde rechtspraak vindt in deze bijzondere gevallen terugwijzing evenwel toch niet plaats indien het Openbaar Ministerie en de verdachte beide om onmiddellijke afdoening door het Hof hebben verzocht of daarmee hebben ingestemd. De Hoge Raad zegt het als volgt:
“3.3.2. Voor enkele gevallen waarin de eerste rechter de hoofdzaak wel heeft beslist dient echter een uitzondering op de hiervoor bedoelde hoofdregel te worden gemaakt en brengt het in art. 423, tweede lid, Sv besloten liggende beginsel dat een verdachte in aan hoger beroep onderworpen zaken aanspraak heeft op berechting in twee feitelijke instanties mee dat, na vernietiging van het vonnis in eerste aanleg, de zaak wordt teruggewezen naar de eerste rechter, tenzij door het openbaar ministerie en de verdachte de beslissing van de hoofdzaak door het hof is verlangd”.
11. Wat er verder zij van het betekeningsgebrek in eerste aanleg en de vraag of een redelijke wetsuitleg meebrengt dat de verdachte een dag voor de vermelde zittingsdatum of een dag voor aanvang van de dagvaardingstermijn bekend moet zijn geworden met de dag van de terechtzitting, vaststaat dat op de terechtzitting in hoger beroep van 1 juli 2011 verzoeker heeft verklaard dat hij het Hof niet zal verzoeken de zaak terug te wijzen en dat het verzoekers eigen wens was dat zijn zaak diezelfde dag nog in hoger beroep werd afgedaan. Dat heeft het Hof gedaan zonder miskenning van enige rechtsregel, waarbij ik in aanmerking neem dat blijkens het proces-verbaal van die terechtzitting kan worden opgemaakt dat de Advocaat-Generaal daartegen geen enkel bezwaar heeft ingebracht en dat dus ook hij klaarblijkelijk voortgang aan de behandeling van de zaak in hoger beroep wilde geven.
12. Op de terechtzitting in hoger beroep van 23 april 2014, volgend op de terugwijzing van de zaak door de Hoge Raad, heeft de raadsman naar voren gebracht dat verzoeker graag ter terechtzitting in eerste aanleg aanwezig had willen zijn respectievelijk dat verzoeker graag berecht wil worden door de politierechter te Rotterdam nu deze rechter de lokale feitelijke situatie kan beoordelen en de Hoge Raad in cassatie de juridische vraagstelling te beperkt heeft uitgelegd. Daargelaten dat de bewering dat verzoeker graag ter terechtzitting in eerste aanleg aanwezig had willen zijn feitelijk onjuist is, kan de door de raadsman aangevoerde grond voor terugwijzing niet echt serieus worden genomen. Dat neemt niet weg dat het middel nadere bespreking behoeft.
13. Het Hof heeft zowel op de terechtzitting van 23 april 2014 als in zijn thans bestreden arrest overwogen dat de vernietiging van ’s Hofs eerdere arrest in samenhang met de terugwijzingsopdracht van de Hoge Raad niet betekent dat de beslissing om de zaak in hoger beroep af te doen opnieuw ter discussie kan worden gesteld en dat het verzoeker zelf is geweest die eerder heeft verzocht om behandeling in hoger beroep en dat het (slechts) die behandeling is die opnieuw moet plaatsvinden. Daarmee zegt het Hof mijns inziens niet dat in de procedure in hoger beroep de toepassingsmogelijkheid van art. 423, tweede lid, Sv is uitgeschakeld. Voor zover het middel daarover bedoelt te klagen, mist het feitelijke grondslag.
14. Ik meen dat het Hof in zijn overwegingen iets anders tot uitdrukking heeft gebracht, te weten dat verzoeker met zijn uitdrukkelijke verzoek op de terechtzitting van 1 juli 2011, om de zaak die dag in hoger beroep af te doen, afstand heeft gedaan van zijn recht om op grond van art. 423, tweede lid, Sv terugwijzing naar de rechtbank en aldus berechting in twee feitelijke instanties te verlangen, zodat ook na terugwijzing door de Hoge Raad (slechts) de behandeling van het hoger beroep zelf resteert.
15. Dat oordeel acht ik niet onbegrijpelijk en toereikend gemotiveerd. Voorts meen ik dat het Hof in de nieuwe procedure de eerder door verzoeker geuite wens in zijn beslissing kon betrekken. Natuurlijk impliceert vernietiging van een rechterlijke einduitspraak dat deze niet meer bestaat en dat ook het onderzoek dat daaraan vooraf is gegaan, geacht wordt niet te hebben plaatsgevonden. Dat betekent, als gezegd (zie hierboven onder 8), onder meer dat de rechter na terugwijzing door de Hoge Raad tot taak heeft het onderzoek geheel opnieuw aan te vangen en te voltooien, voor zover uit de wet niet het tegendeel voortvloeit. De consequentie daarvan is dat de rechter tot zijn oordeel moet zijn gekomen louter op de grondslag van zijn ter terechtzitting opnieuw verrichte en voltooide onderzoek. Maar dat alles brengt niet mee dat – in de woorden van de toenmalige AG Van Dorst die dit thema uitvoerig heeft besproken in zijn conclusie vóór HR 4 februari 1997, ECLI:NL:HR:1997:ZD0632, NJ 1997/308 - de eerdere terechtzitting alsnog non-existent is of geacht wordt te zijn. Het nieuwe onderzoek kan derhalve mede tot voorwerp hebben hetgeen eerder, vóór de terugwijzing, ter terechtzitting van de rechter is voorgevallen. Met het oog daarop is het aanvaardbaar dat de rechter van het daarvan opgemaakte proces-verbaal, dat dan toch nog altijd tot de stukken van het geding behoort, kennis neemt dan wel dit proces-verbaal voor het bewijs gebruikt indien en voor zover de (korte) inhoud daarvan op de nieuwe terechtzitting mondeling is medegedeeld. Er is immers, zo schreef Van Dorst als AG in zijn aangehaalde conclusie, “in – ook juridische – werkelijkheid […] wel wat gebeurd, ook gelet op de rechtsgevolgen die uit een dergelijke ‘non-existente’ zitting kunnen voortvloeien”. Nu redelijke argumenten voor het tegendeel ontbreken, komt het mij voor dat zulks ook heeft te gelden voor het op de terechtzitting van 1 juli 2011 geuite en in het zittingsverbaal vervatte verlangen van verzoeker om de zaak in hoger beroep af te doen en niet terug te wijzen naar de rechter in eerste aanleg. Naar mijn inzicht gaat de door de Hoge Raad aan het Hof teruggegeven opdracht niet zo ver, dat het Hof geen rekening mocht houden met wat zich te dezen heeft (of had) voorgedaan op ’s Hofs terechtzitting van 1 juli 2011.
16. Voorts brengen beginselen van een behoorlijk strafprocesrecht (behoorlijke procesvoering) mee dat de procesdeelnemer die eenmaal afstand heeft gedaan van zijn recht om terugwijzing naar de rechtbank te verlangen, daarvan niet in een later stadium kan terugkomen, ook niet na cassatie en terugwijzing, tenzij het, naar analogie van het doen van afstand van de bevoegdheid om hoger beroep in te stellen, aannemelijk is dat de verdachte verschoonbaar heeft gedwaald omtrent de inhoud en de betekenis van een dergelijke afstandsverklaring. Dit laatste doet zich in de onderhavige zaak echter in het geheel niet voor, zodat ik dit punt verder laat rusten.
17. Ik ben van mening dat het middel faalt.
18. Het tweede middel keert zich tegen de bewezenverklaring van Rotterdam als ‘plaats delict’, nu de bewijsmiddelen daartoe niet redengevend zouden zijn en het bewijsverweer in dat verband niet op begrijpelijke gronden zou zijn verworpen.
19. Ten laste van verzoeker is door het Hof bewezenverklaard dat:
“1. hij op 12 februari 2010 te Rotterdam als bestuurder van een voertuig, dit voertuig heeft bestuurd, na zodanig gebruik van alcoholhoudende drank, dat het alcoholgehalte van zijn adem bij een onderzoek, als bedoeld in artikel 8, tweede lid, aanhef en onder a van de Wegenverkeerswet 1994, 770 microgram alcohol per liter uitgeademde lucht bleek te zijn;
2. hij op 12 februari 2010 te Rotterdam terwijl hij wist dat een op zijn naam gesteld rijbewijs voor een of meer categorieën van motorrijtuigen, te weten alle categorieën, ongeldig was verklaard en aan hem daarna geen ander rijbewijs voor het besturen van een motorrijtuig van de betrokken categorie of categorieën was afgegeven, op de weg, de Rijksweg A15, als bestuurder een motorrijtuig, van die categorie of categorieën heeft bestuurd.”
20. Deze bewezenverklaringen steunen, voor zover voor de beoordeling van het middel van belang, op de volgende bewijsmiddelen:
“1. Een proces-verbaal van misdrijf d.d. 12 februari 2010 van de politie Rotterdam-Rijnmond met nr. 2010048809-10. Dit proces-verbaal houdt onder meer in - zakelijk weergegeven -:
als relaas van de betreffende opsporingsambtenaren:
Op 12 februari 2010 omstreeks 00:59 uur, zagen wij, op de openbare weg, de Rijksweg A15 W-0 (Zb-Re) ter hoogte van hectometerpaal 561.0, binnen de gemeente Rotterdam het volgende: dat een man als bestuurder van een vierwielig motorrijtuig van het fabrieksmerk Peugeot, type partner, voorzien van het kenteken [AA-00-BB], daarmede reed op de voor het openbaar verkeer openstaande weg, Rijksweg A15 ter hoogte van Rhoon.(…)
2. Een proces-verbaal misdrijf d.d. 12 februari 2010 van de politie Rotterdam-Rijnmond met nr. 2010048809-1. Dit proces-verbaal houdt onder meer in - zakelijk weergegeven -: als relaas van de betreffende opsporingsambtenaren:
Op 12 februari 2010 te 00:59 uur zagen wij, dat een persoon als bestuurder van een bestelauto, Peugeot Partner, kleur wit, kenteken [AA-00-BB] , dit bestuurder op een voor het openbaar verkeer openstaande weg, de Rijksweg A15 W-0(Zb-Re), ter hoogte van hectometerplaal 561.0, binnen de gemeente Rotterdam. (…)”
21. Blijkens het daarvan opgemaakte proces-verbaal heeft de raadsman van verzoeker op de terechtzitting d.d. 23 april 2014 met betrekking tot de tenlastegelegde plaatsaanduiding slechts het volgende aangevoerd:
“De verdediging bepleit primair vrijspraak, nu niet kan worden vastgesteld dat de ten laste gelegde feiten zijn gepleegd te (in de gemeente) Rotterdam.”
22. Het Hof heeft daarop het volgende in zijn arrest overwogen:
“Bewijsoverwegingen
De verdediging heeft gesteld dat vrijspraak moet volgen nu niet kan worden vastgesteld dat de tenlastegelegde feiten zijn gepleegd te (in de gemeente) Rotterdam.
Het hof verwerpt dit verweer.
De opsporingsambtenaren hebben in het proces-verbaal d.d. 12 februari 2010 gerelateerd dat zij hebben waargenomen dat de verdachte op de A15 reed ter hoogte van hectometerpaal 561.0binnen de gemeente Rotterdam. Een en ander was ter hoogte van Rhoon. Ter onderbouwing van de stelling van de verdediging heeft de raadsman ter terechtzitting van 23 april 2014 een foto van een plaatsnaambord getoond waaruit moet worden afgeleid dat Rhoon tot de gemeente Alblasserwaard behoort.
Het hof is echter van oordeel dat "ter hoogte van Rhoon" slechts begrepen dient te worden als een grove aanduiding van de plaats op de A15 waar de door de opsporingsambtenaren waargenomen gedraging zich heeft afgespeeld. Er kan zeker niet de betekenis aan worden toegekend dat de op de A15 waargenomen gedraging zich in Rhoon (en dus in de gemeente Alblasserwaard) heeft voorgedaan. Hetgeen door de verdediging is aangevoerd geeft het hof geen reden om te twijfelen aan de juistheid van hetgeen door de opsporingsambtenaren is gerelateerd: te weten dat de gedraging zich binnen de gemeente Rotterdam heeft voorgedaan.”
23. In het licht van hetgeen ter ’s Hofs terechtzitting is aangevoerd, meen ik dat de bewijsconstructie ter zake niet onbegrijpelijk is en toereikend is gemotiveerd.”
24. Het middel faalt.
25. Beide middelen falen. Het tweede middel kan worden afgedaan met de in art. 81, eerste lid, RO bedoelde motivering.
26. Gronden waarop de Hoge Raad gebruik zou moeten maken van zijn bevoegdheid de bestreden uitspraak ambtshalve te vernietigen, heb ik niet aangetroffen.
27. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG