2. Bespreking van het cassatiemiddel
Het cassatiemiddel is gericht tegen rov. 3.8.2 van de bestreden beschikking en klaagt in de kern genomen dat het hof een onjuiste toepassing heeft gegeven aan de wettelijke vereisten voor ondertoezichtstelling. Voorts wordt geklaagd dat het hof ten onrechte het op de voet van art. 810a Rv gedane verzoek van de man voor een aanvullend onderzoek heeft afgewezen en dat het hof heeft miskend dat ook in zaken als de onderhavige art. 149-150 Rv van toepassing zijn.
Het cassatiemiddel (onder 2.1.1) klaagt in de eerste plaats dat de ondertoezichtstelling niets anders is dan een omgangsondertoezichtstelling en dat het hof daarmee buiten de rechtsstrijd van partijen is getreden, nu door de Raad geen omgangsondertoezichtstelling is verzocht. De klacht mist feitelijke grondslag, omdat het hof geen omgangsondertoezichtstelling heeft uitgesproken. Het hof heeft in rov. 3.8.2 overwogen dat het inmiddels langdurig verbroken family life van de minderjarige met haar moeder alsmede met haar halfzusje als gevolg van de hevige ex-partnerstrijd een ernstige bedreiging vormt voor de persoons- en identiteitsontwikkeling van de minderjarige. Het hof heeft met de ondertoezichtstelling professionele hulpverlening mogelijk willen maken, nu de bedreiging voor de persoons- en identiteitsontwikkeling van de minderjarige in het vrijwillige kader niet kan worden afgewend.
Het cassatiemiddel (onder 2.1.2) klaagt dat het hof een onjuiste invulling heeft gegeven van de maatstaf voor een ondertoezichtstelling, althans geen inzicht heeft gegeven in zijn gedachtegang. Voorts klaagt het middel (onder 2.1.3) dat het hof heeft miskend dat een ondertoezichtstelling een ultimum remedium is. Hierover merk ik het volgende op. Het hof heeft, onbestreden in cassatie, in rov. 3.8.1 vooropgesteld dat op het onderhavige verzoek tot ondertoezichtstelling art. 1:254 BW van toepassing is, zoals deze bepaling tot 1 januari 2015 heeft gegolden. Ingevolge art. 1:254 lid 1 BW kan de rechter een minderjarige onder toezicht stellen indien die minderjarige zodanig opgroeit dat zijn zedelijke of geestelijke belangen of zijn gezondheid ernstig worden bedreigd en andere middelen ter afwending van deze bedreiging hebben gefaald of, naar is te voorzien, zullen falen. Het is vaste rechtspraak dat de maatregel van een ondertoezichtstelling slechts is gerechtvaardigd, indien zij berust op de in de wet aangegeven gronden en dient ter bescherming van het belang van het kind. In rov. 3.8.2 heeft het hof deze maatstaf gehanteerd door te overwegen dat het (langdurig) verbroken ‘family life’ van de minderjarige met haar moeder en met haar halfzus als gevolg van de hevige partnerstrijd een ernstige bedreiging vormt voor de persoons- en identiteitsontwikkeling van de minderjarige, mede gelet op de constatering van het hof ter zitting dat de ouders tezamen niet gemotiveerd blijken verandering in deze situatie te brengen. Het hof heeft daarbij overwogen dat een ontwrichte relatie tussen de minderjarige en (een van) haar ouders en halfzus, veroorzaakt door de partnerstrijd, op zich reeds een ernstige bedreiging voor de minderjarige oplevert, althans kan opleveren. Ten slotte heeft het hof overwogen dat, gelet op de verbetenheid waarmee partijen hun stellingen hebben betrokken, is te voorzien dat de bedreiging van de persoons- en identiteitsontwikkeling van de minderjarige in het vrijwillige kader niet kan worden afgewend. Dit oordeel geeft geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting en is evenmin onvoldoende gemotiveerd. Hierop stuiten de genoemde klachten in hun geheel af.
Het middel (onder 2.1.4) betoogt dat het hof heeft miskend dat art. 149-150 Rv ook gelden voor een geding als het onderhavige en dat derhalve op de Raad als verzoekende partij de stelplicht en de bewijslast rust. De klacht kan niet tot cassatie leiden. Zowel art. 149 lid 1 Rv als art. 150 Rv hebben betrekking op ‘feiten of rechten’. De in het cassatiemiddel bedoelde beoordeling is zodanig verweven met aan de feitenrechter voorbehouden waarderingen van feitelijke aard, dat deze in cassatie verder niet op juistheid kunnen worden getoetst.
In onderdeel 2.2 klaagt het middel over de onjuiste toepassing van art. 810a Rv. Hierover merk ik het volgende op. Het hof heeft in rov. 3.8.2 geoordeeld dat het door de vader verzochte aanvullend onderzoek op grond van art. 810a Rv wordt afgewezen, nu dit onderzoek niet mede tot de beslissing van de zaak kan leiden, en omdat toewijzing van dat verzoek strijdig zou zijn met het belang van de minderjarige. In deze overweging ligt besloten dat het hof de door Uw Raad in de beschikking van 5 september 2014 geformuleerde maatstaf met betrekking tot de beoordeling van een verzoek op grond van art. 810a Rv in acht heeft genomen. Het hof heeft daarbij overwogen dat zowel het verbroken zijn van ‘family life’ als de ernstige strijd tussen de ouders, vaststaande feiten zijn, welke maken dat het onderzoek op grond van art. 810a Rv niet mede tot de beslissing van de zaak kan leiden. Voorts heeft het hof overwogen dat het belang van ‘family life’ van de minderjarige met haar moeder én met haar halfzus vordert dat het ‘family life’ met spoed wordt hersteld en derhalve het treffen van een maatregel thans zonder verder uitstel is geboden, en dat zulks maakt dat toewijzing van het verzochte onderzoek op grond van art. 810a Rv strijdig zou zijn met het belang van de minderjarige. Daarmee is het oordeel van het hof dat een dergelijk verzoek moet worden afgewezen voldoende gemotiveerd en niet onbegrijpelijk.
Ik kom tot de slotsom dat geen van de onderdelen tot cassatie kan leiden en dat het beroep dient te worden verworpen. Ik geef Uw Raad in overweging het beroep af te doen met toepassing van art. 81 RO.
3. Conclusie
De conclusie strekt tot verwerping van het beroep.
De Procureur-Generaal bij de
Hoge Raad der Nederlanden
A-G