“Vordering van de benadeelde partij [betrokkene 1]
De benadeelde partij [betrokkene 1] heeft in eerste aanleg een vordering ingesteld, strekkende tot schadevergoeding tot een bedrag van € 10.000,00. Deze vordering is bij vonnis waarvan beroep toegewezen tot een bedrag van € 8.000,00.
De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd met haar gehele oorspronkelijke vordering.
Uit het onderzoek ter terechtzitting is het hof voldoende gebleken dat de benadeelde partij [betrokkene 1] als gevolg van verdachtes onder 1 en 2 bewezen verklaarde handelen rechtstreeks schade heeft geleden tot het gevorderde bedrag. Verdachte is tot vergoeding van die schade gehouden zodat de vordering tot dat bedrag toewijsbaar is.
Het hof ziet aanleiding te dezer zake de maatregel van artikel 36f Wetboek van Strafrecht op te leggen als na te melden.
Verdachte en zijn mededader zijn naar burgerlijk recht aansprakelijk voor de schade die door het strafbare feit is toegebracht.
(…)
BESLISSING
Het hof:
(…)
Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [betrokkene 1] ter zake van het onder 1 en 2 bewezen verklaarde tot het bedrag van € 10.000,00 (tienduizend euro) ter zake van immateriële schade en veroordeelt de verdachte die, evenals zijn mededader, hoofdelijk voor het gehele bedrag aansprakelijk is, met dien verstande dat indien en voor zover de een aan zijn betalingsverplichting heeft voldaan, de ander daarvan in zoverre zal zijn bevrijd, om dit bedrag tegen een behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan de benadeelde partij.
(…)
Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [betrokkene 1] , een bedrag te betalen van € 10.000,00 (tienduizend euro) als ’ vergoeding voor immateriële schade, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 85 (vijfentachtig) dagen hechtenis, met dien verstande dat de toepassing van die hechtenis de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet opheft.
Bepaalt dat, indien de verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de Staat daarmee zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij in zoverre komt te vervallen en andersom dat, indien de verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij daarmee zijn verplichting tot betaling aan de Staat in zoverre komt te vervallen.
Bepaalt dat indien en voor zover de mededader van de verdachte voormeld bedrag heeft betaald, verdachte in zoverre is bevrijd van voornoemde verplichting tot betaling aan de benadeelde partij of aan de Staat.”
32. Het ook in hoger beroep van toepassing zijnde art. 361, vierde lid, Sv schrijft voor dat de beslissing op de vordering van de benadeelde partij met redenen is omkleed. Aan deze motiveringsverplichting worden geen hoge eisen gesteld. Dat kan echter anders zijn indien ter zake gemotiveerd verweer is gevoerd. In elk geval kan dezen reeds geen motiveringsverplichting kan worden ontleend aan art. 359, tweede lid, tweede volzin, Sv, aangezien die bepaling niet het oog heeft op een omtrent de vordering van de benadeelde partij ingenomen standpunt.
33. Het hof heeft niet onbegrijpelijk geoordeeld dat de vordering van de benadeelde partij in hoger beroep is gehandhaafd tot het bedrag van € 10.000,-. Dat oordeel sluit immers aan bij hetgeen de advocaat van de benadeelde partij ter zitting heeft opgemerkt. Dat betekent dat het hof niet een hoger bedrag aan schadevergoeding heeft toegewezen dan is gevorderd.
34. Voor zover de steller van het middel aanvoert dat de schade van de aangever reeds door de verzekeraar van de medeverdachte is vergoed, gaat het om een nieuw gegeven dat niet aan het hof is voorgelegd. Een dergelijke stelling is immers in feitelijke aanleg door geen van de procesdeelnemers betrokken. In cassatie kan niet met vrucht een beroep worden gedaan op gegevens waarop in feitelijke aanleg geen beroep is gedaan. Daarop strandt het middel.
35. Indien het middel echter welwillend wordt gelezen, kan dit aldus worden opgevat, dat het middel het oog heeft op de volgende opmerking namens de benadeelde partij, gedaan ter terechtzitting in hoger beroep:
“Inmiddels is door Justitie, op basis van het onherroepelijk geworden vonnis in de zaak tegen medeverdachte [betrokkene 2] , reeds een bedrag van € 8.000,- uitgekeerd aan de benadeelde partij.”
36. Uitgaande van deze lezing, geldt echter dat de verdediging zich in hoger beroep niet op dit gegeven heeft beroepen om de vordering van de benadeelde partij te betwisten. Hoewel een nadere motivering niet had misstaan, was het hof, mede gelet op het ontbreken van een verweer ter zake, niet gehouden zijn beslissing het bedrag van € 8.000,- niet in mindering te brengen op het toe te wijzen bedrag nader met redenen te omkleden.
37. Het gaat hierbij bovendien om een verweer dat niet voor het eerst met vrucht in cassatie naar voren kan worden gebracht. De vraag of de uitbetaling van een bedrag van € 8.000 door “Justitie” heeft plaatsgevonden en of daarmee de schade van de aangever tot dat bedrag reeds is vergoed, vergt immers een onderzoek van feitelijke aard, waarvoor in cassatie geen plaats is. Daarbij wijs ik erop dat uit hetgeen door de verschillende procesdeelnemers naar voren is gebracht geen eenduidige conclusies kunnen worden getrokken ten aanzien van de aard van de uitbetaling en de relatie van die uitbetaling tot de gevorderde schade. De mededeling namens de benadeelde partij laat de grondslag voor de uitbetaling in het midden, terwijl de advocaat-generaal bij het hof de uitbetaling in de sleutel van “de voorschotregeling” heeft geplaatst, waarmee mogelijk wordt gedoeld op de regeling van art. 36f, zevende lid, Sr. Het gebrek aan gegevens omtrent de aard en strekking van de uitbetaling onderstreept echter de noodzaak naar een feitelijk onderzoek, en daarmee dat het verweer in cassatie tardief naar voren is gebracht. Ook om die reden faalt het middel.
38. Ten overvloede merk ik het volgende op. Zelfs als in cassatie zou worden aangenomen dat “Justitie” daadwerkelijk € 8.000,- heeft uitbetaald aan de aangever en het hierbij gaat om de schadevergoeding van € 8.000,- waartoe ook de verdachte in eerste aanleg hoofdelijk was veroordeeld, komt cassatie niet in beeld. Het oordeel van het hof dat de vordering van de benadeelde ook na betaling van dat bedrag door de medeverdachte geheel kon worden toegewezen, is in dat geval zonder nadere motivering, die ontbreekt, niet begrijpelijk. Door betaling van dat bedrag door de medeverdachte is de schade van de aangever immers in die benadering tot dat bedrag reeds vergoed. Tot cassatie behoeft dit evenwel niet te leiden, aangezien de verdachte daarbij onvoldoende belang heeft. Evident is immers dat in dat geval het reeds uitgekeerde bedrag van € 8.000 deel is van de toegekende schadevergoeding van € 10.000, waartoe de verdachte in hoger beroep hoofdelijk is veroordeeld. Aangezien het hof zowel ten aanzien van de vordering van de benadeelde partij als ten aanzien van de opgelegde schadevergoedingsmaatregel heeft bepaald (kortweg) dat de verdachte van betaling is bevrijd voor zover zijn medeverdachte het bedrag heeft voldaan, heeft de eventuele onvolkomenheid in de bestreden uitspraak in dat geval niet tot gevolg dat de verdachte een vergoeding moet betalen voor schade die reeds is vergoed.
39. Het middel is tevergeefs voorgesteld.
40. Het vijfde middel slaagt. De middelen één tot en met vier en zes falen en kunnen worden afgedaan met de aan art. 81, eerste lid, RO ontleende overweging. Gronden waarop de Hoge Raad gebruik zou moeten maken van zijn bevoegdheid de bestreden uitspraak ambtshalve te vernietigen, heb ik niet aangetroffen.
41. Deze conclusie strekt tot vernietiging van het bestreden arrest, maar uitsluitend wat betreft de duur van de opgelegde straf, tot vermindering daarvan naar de gebruikelijke maatstaf en tot verwerping van het beroep voor het overige.
De procureur-generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG