[verdachte]
Nr. 14/01887
Mr. Machielse
Zitting 3 november 2015
Conclusie inzake:
1. Op 10 januari 2014 heeft het Gerechtshof 's-Hertogenbosch het hoger beroep van verdachte niet-ontvankelijk verklaard omdat verdachte niet binnen veertien dagen na het instellen van het hoger beroep een schriftuur met grieven heeft ingediend, noch mondeling bezwaren tegen het vonnis heeft opgegeven.
2. Verdachte heeft cassatie doen instellen en mr. L.E.G. van der Hut, advocaat te 's-Gravenhage, heeft een schriftuur ingezonden, houdende twee middelen van cassatie.
3.1. Het eerste middel klaagt dat het hof ten onrechte de zaak heeft afgedaan omdat artikel 588a lid 1 onder c Sv is geschonden.
3.2. Het hoger beroep is ingesteld door een advocaat middels een bijzondere schriftelijke volmacht aan de griffie van de rechtbank. In de volmacht schrijft de advocaat dat het afschrift van de appeldagvaarding kan worden gezonden naar het adres [b-straat 1], [plaats]. De appeldagvaarding is uitgereikt overeenkomstig het bepaalde in artikel 588, lid 3 onder c, Sv.
3.3. De vermelding in de schriftelijke volmacht van het adres van de raadsman van de verdachte, [b-straat 1], [plaats], kan bezwaarlijk anders worden verstaan dan als de opgave van een adres in de zin van artikel 588a, eerste lid aanhef en onder c, Sv waaraan mededelingen over de strafzaak kunnen worden toegezonden. Uit de stukken van het geding kan niet blijken dat een afschrift van de appeldagvaarding aan dit adres is toegezonden, zodat ervan moet worden uitgegaan dat dit niet is geschied. Evenmin houden de stukken iets in waaruit kan volgen dat die verzending ingevolge het derde lid van artikel 588a Sv achterwege kon blijven. Daarom had het hof ervan blijk moeten geven te hebben onderzocht of er reden was het onderzoek ter terechtzitting te schorsen teneinde verdachte in de gelegenheid te stellen alsnog bij het onderzoek op de terechtzitting tegenwoordig te zijn. Van een zodanig onderzoek blijkt niet. Dat verzuim leidt tot nietigheid van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep en de naar aanleiding daarvan gegeven uitspraak.
Het eerste middel is gegrond.
4.1. Het tweede middel klaagt over schending van de redelijke termijn in de cassatiefase, omdat het dossier, nadat op de 9 april 2014 cassatie is ingesteld, eerst op 27 maart 2015 ter griffie van de Hoge Raad is ontvangen.
4.2. Dit middel behoeft geen bespreking omdat het hof, dat na vernietiging van het bestreden arrest de zaak opnieuw zal hebben te beoordelen, bij een eventuele strafoplegging met de schending van de redelijke termijn in de cassatiefase rekening zal dienen te houden.
5. Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden uitspraak en tot terugwijzing van de zaak naar het Gerechtshof 's-Hertogenbosch, teneinde op het bestaande hoger beroep opnieuw te worden berecht en afgedaan.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden