“Na gehouden beraad deelt de voorzitter als beslissing van het hof mede dat een afweging dient plaats te vinden tussen het recht van verdachte om bij de behandeling van zijn rechtszaak aanwezig te zijn enerzijds en het belang van een voortvarende rechtspleging en de belangen van de organisatie van het gerecht anderzijds. Nu de dagvaarding in hoger beroep in persoon aan verdachte is uitgereikt en verdachte kennelijk geen contact heeft gezocht met zijn raadsman dient het belang van een voortvarende rechtspleging te prevaleren. Het aanhoudingsverzoek van de raadsman wordt daarom afgewezen.
Op vordering van de advocaat-generaal verleent het hof verstek tegen de niet verschenen verdachte en beveelt dat met de behandeling van de zaak zal worden voortgegaan.”
5. In de toelichting op het middel wordt gesteld dat de verdachte in de periode van september 2014 tot omstreeks 18 november 2014 in Egypte verbleef en het daarom niet mogelijk is dat de dagvaarding in hoger beroep in Nederland in persoon is uitgereikt. Bij de stukken van het geding bevindt zich een naar het GBA-adres van de verdachte ([woonplaats]) gezonden akte van uitreiking van de dagvaarding in hoger beroep, welke niet is uitgereikt en is teruggezonden naar de afzender. Daarnaast bevatten de stukken van het geding een akte van uitreiking van de dagvaarding in hoger beroep op het adres [a-straat 1] te Utrecht, de laatst opgegeven woon- of verblijfplaats van de verdachte waar hij naar eigen zeggen sinds 2011 niet meer woont, die op 3 oktober 2014 is uitgereikt aan ‘de geadresseerde in persoon’ waarbij onder "Handtekening voor ontvangst" een handtekening is geplaatst en een paspoortnummer ([001]) is vermeld.
6. Vooropgesteld moet worden dat aan een cassatieklacht over de betekening van een dagvaarding of oproeping slechts gegevens ten grondslag kunnen worden gelegd die blijken uit de stukken van het geding of die als vaststaand kunnen worden aangenomen op grond van eerst in cassatie overgelegde bescheiden, aan de herkomst en betrouwbaarheid waarvan in redelijkheid niet kan worden getwijfeld (vgl. HR 12 maart 2002, ECLI:NL:HR:2002:AD5163, NJ 2002/317).
7. Namens de verdachte is in cassatie gesteld dat de dagvaarding in hoger beroep niet aan hem in persoon is uitgereikt en dat hij niet degene is geweest die de akte van uitreiking heeft ondertekend. Daartoe is een kopie van een ten name van de verdachte gesteld, op 11 november 2009 afgegeven paspoort overgelegd. Het paspoortnummer van de verdachte ([002]) komt, evenals de op dit paspoort geplaatste handtekening niet overeen met het paspoortnummer en de handtekening op de akte van uitreiking van 3 oktober 2014 van de dagvaarding van verdachte in hoger beroep.
8. Gelet op het voorgaande acht ik het aannemelijk dat het niet de verdachte is geweest die op 3 oktober 2014 heeft getekend voor ontvangst van de dagvaarding in hoger beroep en dat deze derhalve niet in persoon is uitgereikt aan de verdachte. Dit brengt mee dat deze oproeping niet geldig is betekend.
9. Het middel slaagt.
10. Gronden waarop de Hoge Raad gebruik zou moeten maken van zijn bevoegdheid de bestreden uitspraak ambtshalve te vernietigen, heb ik niet aangetroffen.
11. Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden uitspraak en tot nietigverklaring van de oproeping voor de terechtzitting in hoger beroep.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG