ECLI:NL:PHR:2015:2462

ECLI:NL:PHR:2015:2462, Parket bij de Hoge Raad, 25-08-2015, 15/01404

Instantie Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak 25-08-2015
Datum publicatie Onbekend
Zaaknummer 15/01404
Rechtsgebied Strafrecht
Gerelateerde zaken
Formele relatie: ECLI:NL:HR:2015:3715
Jurisprudentie Netwerk (LiDo)
Verwijst naar 1 zaken
Aangehaald door 1 zaken
2 wettelijke verwijzingen

Verwijst naar

Aangehaald door

Wettelijke verwijzingen

BWBR0001854 BWBR0001903

Samenvatting

OM-cassatie. Beklag, beslag ex art. 94a Sv. De HR herhaalt relevante overwegingen uit ECLI:NL:HR:2010:BL2823. Het oordeel van de Rb dat zich hier het geval voordoet dat het hoogst onwaarschijnlijk is dat de strafrechter, later oordelend, aan klaagster de verplichting tot betaling van een geldbedrag ter ontneming van het w.v.v. zal opleggen, is op gronden als vermeld in de conclusie AG niet z.m. begrijpelijk.

Uitspraak

DE BESLISSING

(…)

De rechtbank verklaart het klaagschrift gegrond.

De rechtbank heft op het conservatoir beslag betreffende de onder [verdachte] inzake parketnummer 07.663199 -11 inbeslaggenomen goederen en gelast de teruggave daarvan aan [verdachte].”

Uit de beschikking van de Rechtbank kan worden ontleend dat het beslag is gegrond op artikel 94a Sv. Met toepassing van de juiste maatstaf bij de beoordeling van een op de voet van art. 94a Sv gelegd beslag heeft de Rechtbank beoordeeld of zich hier het geval voordoet dat niet hoogst onwaarschijnlijk is dat de strafrechter, later oordelend, aan de klager een verplichting tot betaling van een geldbedrag van ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel zal opleggen. De Rechtbank heeft dat hoogst onwaarschijnlijk geacht. Aan haar oordeel heeft de Rechtbank in het bijzonder ten grondslag gelegd - kort gezegd - dat in raadkamer onweersproken naar voren is gebracht dat de coffeeshop ‘[A]’ een deugdelijke boekhouding heeft bijgehouden, dat aanzienlijke bedragen aan de belasting zijn afgedragen en dat van illegale geldstromen niets is gebleken. Tevens heeft de Rechtbank in aanmerking genomen dat de klager in de tegen hem gerichte strafzaak bij (niet onherroepelijk) vonnis van 25 februari 2014 schuldig is verklaard zonder oplegging van straf of maatregel ex art. 9a Sr. Door aldus te oordelen is de Rechtbank in haar overwegingen voorbij gegaan aan het summiere en voorlopige karakter van de beklagprocedure. De Rechtbank is immers met haar beslissing in de beklagprocedure vooruitgelopen op een mogelijke uitkomst van een nog te voeren ontnemingszaak tegen de klager.

In voormeld strafvonnis is de klager veroordeeld voor een tweetal feiten, te weten het medeplegen van het opzettelijk handelen in strijd met het in art. 3 onder B en C van de Opiumwet gegeven verbod en het als leider deelnemen door de klager aan een organisatie als bedoeld in art. 140 Sr die tot oogmerk had het plegen van Opiumwetmisdrijven. In het strafvonnis is voorts overwogen dat sprake was van ernstig en stelselmatig overtreden door de klager van het gestelde criterium inzake de handelsvoorraad.De Hoge Raad heeft in zijn arrest van 4 maart 2003, ECLI:NL:HR:2003:AF1965, bepaald dat in een zodanig geval in beginsel al het uit die handel in softdrugs verkregen voordeel geacht moet worden wederrechtelijk verkregen te zijn, dus niet alleen dat voordeel dat is verkregen uit de verkoop van softdrugs voor zover dat de te gedogen hoeveelheid te boven gaat. De Rechtbank lijkt het een en ander te miskennen. Evident is echter dat de Rechtbank op de stoel van de ontnemingsrechter is gaan zitten, terwijl de door haar in aanmerking genomen feiten en omstandigheden niet zonder meer meebrengen dat het hoogst onwaarschijnlijk is dat de later oordelende ontnemingsrechter aan de klager geen ontnemingsmaatregel zal opleggen. Daarbij is van belang dat de officier van justitie in raadkamer heeft aangevoerd dat de ontnemingsvordering reeds in 2014 is aangekondigd en dat die ook daadwerkelijk zal worden ingesteld.

Voor zover de Rechtbank in haar overwegingen heeft betrokken dat in de strafzaak tegen de klager art. 9a Sr is toegepast merk ik het volgende op. Op de vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel kan slechts worden beslist als er sprake is van een veroordeling als bedoeld in art. 36e Sr. Onder veroordeling wordt mede begrepen de schuldigverklaring zonder straf of maatregel als bedoeld in art. 9a Sr. Ook in dit opzicht is het oordeel van de Rechtbank, zonder nadere motivering, niet begrijpelijk.

De beslissing van de Rechtbank is ontoereikend gemotiveerd. Het middel klaagt daarover terecht.

5. Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden beschikking en tot zodanige beslissing met betrekking tot verwijzen of terugwijzen als de Hoge Raad gepast zal voorkomen.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?