“De beoordeling
(…)
Voorts heeft de verdediging zich op het standpunt gesteld dat het klaagschrift gegrond moet worden verklaard omdat voldoende is gebleken dat het horloge aan klager toebehoort. Dit verweer wordt door de rechtbank verworpen. Het horloge is in de zaak tegen onder meer [betrokkene 1] in beslag genomen in het kader van een grootschalig onderzoek dat zich richt op witwassen. Gelet op de stukken en het verhandelde ter zitting acht de rechtbank het niet hoogst onwaarschijnlijk dat in een latere strafprocedure tegen [betrokkene 1] een verbeurdverklaring van dit horloge zal worden uitgesproken. Hierin is voldoende strafvorderlijk belang gelegen voor het in beslag houden van het horloge. Gelet op het voorgaande zal de rechtbank het klaagschrift ongegrond verklaren.
De beslissing:
De rechtbank verklaart het beklag ongegrond.”
De Rechtbank heeft in de bestreden beschikking niet expliciet vastgesteld welke wettelijke bepaling de grondslag vormde voor het beslag. Uit de stukken van het dossier kan worden afgeleid dat het beslag op het horloge is gelegd op grond van art. 94 Sv. Dit was in feitelijke aanleg klaarblijkelijk voor alle partijen duidelijk, althans dit punt is niet weersproken, en bovendien is de door de Rechtbank aangelegde maatstaf, zoals hiervoor is weergegeven in de onder 3.4 geciteerde overwegingen, duidelijk gestoeld op art. 94 Sv. In cassatie moet daarvan worden uitgegaan.
De klager is een derde die stelt rechthebbende te zijn van het horloge dat in het kader van een strafrechtelijk onderzoek tegen onder meer [betrokkene 1], onder die [betrokkene 1], in beslag is genomen. Te dezen doet zich dus het geval voor dat een ander dan de beslagene, stellende dat het inbeslaggenomen voorwerp hem in eigendom toebehoort, zich bij de Rechtbank beklaagt over de voortduring van het beslag en het uitblijven van een last tot teruggave aan hem. In een zodanig geval dient de Rechtbank te beoordelen of a) het belang van strafvordering het voortduren van het beslag vordert en, zo neen, of b) het inbeslaggenomen voorwerp dient te worden teruggegeven aan de klager omdat deze redelijkerwijs als rechthebbende ten aanzien van dat voorwerp moet worden beschouwd.
Het belang van strafvordering verzet zich tegen teruggave indien het veiligstellen van de belangen waarvoor art. 94 Sv de inbeslagneming toelaat, het voortduren van het beslag nodig maakt. Dat is bijvoorbeeld het geval wanneer het desbetreffende voorwerp kan dienen om de waarheid aan de dag te brengen - ook in een zaak betreffende een ander dan de klager - of om wederrechtelijk verkregen voordeel aan te tonen. Voorts verzet het door art. 94 Sv beschermde belang van strafvordering zich tegen teruggave indien niet hoogst onwaarschijnlijk is dat de strafrechter, later oordelend, de verbeurdverklaring of onttrekking aan het verkeer zal bevelen.
De Rechtbank heeft tot uitdrukking gebracht dat de onder a. bedoelde omstandigheid, te weten het belang van strafvordering, zich in het onderhavige geval nog voordoet en dat de teruggave van het inbeslaggenomen horloge aan klager om die reden niet aan de orde is. Aan de (vervolg)vraag of de klager redelijkerwijs als rechthebbende kan worden aangemerkt is de Rechtbank niet meer toegekomen. De Rechtbank heeft aldus het - juiste - toetsingskader aangelegd. Daarover klaagt het middel ook niet, maar het stelt de begrijpelijkheid van het oordeel van de Rechtbank aan de orde.
De Rechtbank heeft geoordeeld dat het belang van strafvordering zich verzet tegen de teruggave, nu het niet hoogst onwaarschijnlijk is dat in een latere strafprocedure tegen [betrokkene 1] een verbeurdverklaring van het horloge zal worden uitgesproken. De Rechtbank heeft dit oordeel gebaseerd op het gegeven dat het horloge in de zaak tegen onder meer [betrokkene 1] als verdachte in beslag is genomen in het kader van een grootschalig onderzoek naar witwaspraktijken. Voorts verwijst de Rechtbank naar ‘de stukken en het verhandelde ter zitting’. Op welke feiten en omstandigheden de Rechtbank het oog heeft, is echter niet duidelijk, met name niet indien daarbij wordt betrokken hetgeen namens de klager is aangevoerd en aan bewijsstukken is overgelegd tijdens de raadkamerbehandeling van 26 september 2014. De Rechtbank heeft zich niet uitgelaten over het betoog van de raadsman van de klager. Bij deze stand van zaken is het oordeel van de Rechtbank over de waarschijnlijkheid van verbeurdverklaring van het horloge zonder nadere motivering, die ontbreekt, niet begrijpelijk. Van belang is dat voor verbeurdverklaring in beginsel is vereist dat het voorwerp aan de verdachte/veroordeelde toebehoort. In art. 33a, tweede lid, Sr worden de voorwaarden opgesomd waaronder - ook - voorwerpen die aan een ander dan de veroordeelde toebehoren vatbaar zijn voor verbeurdverklaring. Niet blijkt dat de Rechtbank zich rekenschap heeft gegeven van de toepasselijkheid van één van de in art. 33a, tweede lid onder a, Sr genoemde voorwaarden voor verbeurdverklaring van een niet aan de veroordeelde toebehorend voorwerp. Evenmin heeft de Rechtbank feiten en omstandigheden tot uitgangspunt genomen waaraan kan worden ontleend dat één van die toepasselijke voorwaarden is vervuld. De Rechtbank is in haar motivering tekortgeschoten.
Het middel klaagt daarover terecht.
4. Gronden waarop de Hoge Raad gebruik zou moeten maken van zijn bevoegdheid de bestreden beschikking ambtshalve te vernietigen, heb ik niet aangetroffen.
5. Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden beschikking en tot zodanige beslissing met betrekking tot verwijzing of terugwijzing als de Hoge Raad gepast zal voorkomen.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG