ECLI:NL:PHR:2015:2493

ECLI:NL:PHR:2015:2493, Parket bij de Hoge Raad, 06-11-2015, 14/05018

Instantie Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak 06-11-2015
Datum publicatie Onbekend
Zaaknummer 14/05018
Rechtsgebied Civiel recht
Gerelateerde zaken
Formele relatie: ECLI:NL:HR:2016:47
Jurisprudentie Netwerk (LiDo)
Verwijst naar 1 zaken
Aangehaald door 1 zaken
3 wettelijke verwijzingen

Verwijst naar

Aangehaald door

Wettelijke verwijzingen

BWBR0001827 BWBR0001830 BWBR0002761

Samenvatting

Art. 81 lid 1 RO. Erfrecht. Uitleg testament; fideïcommis de residuo; aan wie komt de eerst na het overlijden van de bezwaarde opeisbaar geworden rente toe? Art. 4:138 BW.

Uitspraak

2. Bespreking van het cassatiemiddel

Het cassatiemiddel bestaat uit twee onderdelen. Onderdeel 1 valt uiteen in zeven subonderdelen. Onderdeel 2, dat wordt ingesteld onder de voorwaarde dat het eerste onderdeel faalt, bevat acht subonderdelen.

Het bestreden arrest is als volgt opgebouwd.

Na een opsomming in de rechtsoverwegingen 3.6 en 3.7 van de standpunten van partijen heeft het hof in rechtsoverweging 3.8 de partijen verdeeld houdende vraag geformuleerd, te weten aan wie de tijdens de bezwaring gekweekte rente toekomt indien, zoals in dit geval, de moeder de rente pas na het overlijden van de dochter opeisbaar heeft gemaakt.

Dienaangaande heeft het hof aan het slot van die rechtsoverweging geoordeeld dat het testament hierover geen uitdrukkelijke regeling bevat, dat een vraag van uitleg van het testament aan de orde is en dat bij deze uitlegging dient te worden gelet op de verhoudingen die de uiterste wil kennelijk wenst te regelen, en op de omstandigheden waaronder de uiterste wil is gemaakt, art. 4:46 lid 1 BW.

Het hof heeft daarmee de door de Hoge Raad geformuleerde uitlegmaatstaf voor testamenten tot uitgangspunt genomen.

Met betrekking tot die maatstaf bevat de cassatiedagvaarding geen andere klacht dan dat het hof heeft miskend dat bij de uitlegging van het testament dient te worden gelet op de verhoudingen die het testament kennelijk wil regelen en op de omstandigheden waaronder het testament is geregeld, welke klacht dus feitelijke grondslag mist.

Vervolgens heeft het hof in rechtsoverweging 3.9 onder a tot en met g de verhoudingen en omstandigheden opgesomd die bij de uitleg van het onderhavige testament van belang zijn. Uit deze verhoudingen en omstandigheden heeft het hof in rechtsoverweging 3.10 als bedoeling van de erflater afgeleid dat hij de verkrijging door zijn dochter zoveel mogelijk heeft willen beperken. In rechtsoverweging 3.11 heeft het hof de kennelijke bedoeling van de erflater geformuleerd ten aanzien van de verzorging en het onderhoud van de moeder en in rechtsoverweging 3.12 de bedoeling van de erflater ten opzichte van de Stichting Vrienden van Sherpa.

Het voorgaande brengt het hof in rechtsoverweging 3.13 tot het volgende oordeel:

“Naar het oordeel van het hof biedt het testament onvoldoende aanknopingspunten voor de stelling van de moeder dat erflater heeft beoogd de tijdens het leven van de dochter als verwachter gekweekte, maar pas na haar overlijden opeisbaar geworden rente met terugwerkende kracht in het vermogen van de dochter te laten vallen. De uit het testament blijkende wens van erflater om de moeder verzorgd achter te laten, staat hieraan niet in de weg, reeds omdat de vordering van de dochter/stichting in beginsel niet opeisbaar was tijdens het leven van de moeder. Het testament bevat echter wel een voldoende duidelijk aanknopingspunt voor de conclusie dat erflater heeft bedoeld dat die rente aan de stichting als verwachter toekomt, omdat uit het testament blijkt dat het de wens van erflater was de stichting te begunstigen, met dien verstande dat dit niet ten koste mocht gaan van de aanspraken van de dochter en de wens om de moeder verzorgd achter te laten. Deze uitleg strookt bovendien met de wettelijke regeling die erin voorziet dat aan de dochter als bezwaarde, de rente toekomt die tot aan haar overlijden opeisbaar wordt (vgl. art. 4:138 lid 2 BW jo. art. 3:216 BW).”

Dit oordeel, dat de resultante is van de aan de feitenrechter voorbehouden uitleg van het testament, is in cassatie slechts op begrijpelijkheid te toetsen.

Dit brengt mee dat ik alleen de motiveringsklachten zal bespreken. Deze motiveringsklachten dienen te voldoen aan de eisen van art. 407 lid 2 Rv. Die eisen brengen mee dat een klacht met bepaaldheid en precisie dient te vermelden welke beslissing of overweging onvoldoende is gemotiveerd en waarom, en voorts dat, indien de klacht is gebaseerd op in de feitelijke instanties aangevoerde stellingen, de vindplaatsen in de stukken van het geding worden vermeld.

Onderdeel 1 klaagt onder 17 dat het hof ten onrechte niet althans niet voldoende is ingegaan op essentiële stellingen van de moeder en dat hiermee het oordeel van het hof onbegrijpelijk is gemotiveerd.

De klacht voldoet niet aan de daaraan te stellen eisen. De klacht noemt weliswaar de bestreden rechtsoverwegingen 3.9, 3.10 (driemaal) en 3.13, maar niet wordt vermeld welke essentiële stelling het hof onbehandeld heeft gelaten.

Hetgeen in nr. 21 van de cassatiedagvaarding onder 1-3 wordt genoemd betreft het commentaar van [eiseres] op rechtsoverweging 3.10, waarin het hof motiveert waarom in de onder 3.9 genoemde verhoudingen en omstandigheden ligt besloten dat erflater in zijn testament de verkrijging door zijn dochter zoveel mogelijk heeft willen beperken. Ik citeer:

“- de dochter is in de legitieme gesteld;

- haar legitieme portie is belast met een fideï-commis waardoor de dochter slechts het vruchtgebruik daarvan heeft;

- in geval de moeder de langstlevende is, leidt de ouderlijke boedelverdeling ertoe dat de dochter niet zonder meer over haar legitieme portie kan beschikken: aan haar is een niet-opeisbare vordering toegedeeld;

- weliswaar is de vordering rentedragend gemaakt, maar de rente is slechts opeisbaar bij overlijden of hertrouwen van de moeder, zodat de dochter niet zonder meer het vruchtgenot zal verkrijgen;

- aan de moeder is de bevoegdheid toegekend de rente opeisbaar te maken en de dochter aldus wel het vruchtgenot te verschaffen;

- in geval erflater de langstlevende is, beschikt de dochter uitsluitend over haar

legitieme portie, belast met een fideï-commis ten gunste van de stichting als verwachter en is de stichting erfgenaam voor het resterende gedeelte.”

Voor zover het commentaar rechtsklachten bevat, verwijs ik naar hetgeen ik hiervoor onder 2.6 tot uitgangspunt heb genomen.

Voor zover wordt geklaagd dat het oordeel van het hof op basis van de verhoudingen en omstandigheden ook anders had kunnen uitvallen, heeft te gelden dat het cassatieberoep geen derde feitelijke instantie is.

Voor zover wordt geklaagd dat het oordeel van het hof onbegrijpelijk is, falen de klachten op de voet van art. 407 lid 2 Rv omdat niet wordt vermeld welke essentiële stellingen het hof onbesproken heeft gelaten, op geen enkele wijze wordt verwezen naar vindplaatsen in de processtukken in feitelijke aanleg en het commentaar voor het overige nieuwe feitelijke stellingen in cassatie bevat die de uitleg die het hof heeft gegeven aan het testament als onbegrijpelijk bestrijden.

Onderdeel 2 klaagt onder 31 dat het hof twee met name genoemde essentiële stellingen van de moeder onbesproken heeft gelaten dan wel onvoldoende gemotiveerd heeft afgewezen. Het onderdeel noemt daarbij (i) de stelling dat de renterekening in het testament een heldere regeling is die voor verwijzingen naar overeenkomstige toepassing van de regeling van vruchtgebruik gaat en (ii) rechtsoverweging 3.13 van het bestreden arrest en de vaststelling “dat de moeder de rente opeisbaar heeft gemaakt en het testament de moeder niet beperkte in de bevoegdheid dat zij dat alleen mocht doen bij leven van de dochter”.

Ook deze klacht voldoet niet aan de eisen van art. 407 lid 2 Rv. Met betrekking tot de onder (i) genoemde stelling wordt niet met voldoende bepaaldheid en precisie vermeld tegen welke rechtsoverweging de klacht zich richt en waarom deze stelling essentieel is voor de beoordeling door het hof en evenmin op welke plaats in de gedingstukken deze stelling is terug te vinden. Met betrekking tot de onder (ii) genoemde stelling geldt wel dat de rechtsoverweging wordt genoemd, maar aan de overige eisen voldoet de klacht niet.

Nu beide onderdelen falen dient het cassatieberoep te worden verworpen, dit kan m.i. met gebruikmaking van art. 81 RO kan geschieden.

3. Conclusie

De conclusie strekt tot verwerping van het cassatieberoep.

De Procureur-Generaal bij de

Hoge Raad der Nederlanden

A-G

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?