“Overwegingen
Maatstaf bij de beoordeling van het onderhavige klaagschrift is of het belang van strafvordering zich verzet tegen teruggave van hetgeen bij klager in beslag is genomen. Hetgeen van de zijde van het openbaar ministerie is aangevoerd rechtvaardigt naar het oordeel van de rechtbank de conclusie dat het belang van strafvordering zich in dit geval verzet tegen de teruggave van de voertuigen aan klager. De rechtbank overweegt dat het onderzoek naar witwassen nog in volle gang is en uit onder meer tapgesprekken blijkt dat verdachte [betrokkene 1] een contactpersoon is van [betrokkene 2] en de aanschaf, financiering en verzekering van deze voertuigen regelt en zorgt dat de voertuigen op naam van de B.V. blijven staan. Het vermoeden is dat [betrokkene 1] aldus helpt bij het verhullen en verbergen van de voertuigen en dat [A] . B.V. daar dus bij betrokken is. Hierdoor dient het beslag voort te duren voor het aan de dag brengen van de waarheid in de strafzaak.
Het klaagschrift zal derhalve ongegrond worden verklaard.
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het beklag ongegrond.”
De Rechtbank heeft in de bestreden beschikking omtrent de grondslag van het beslag niets vastgesteld. Blijkens het proces-verbaal heeft de Officier van Justitie tijdens de behandeling in openbare raadkamer - kort gezegd - betoogd dat het strafvorderlijk belang zich verzet tegen de teruggave nu het onderzoek naar witwassen in volle gang is. De raadsman en de gemachtigde van de klaagsters hebben op hun beurt betwist dat sprake zou zijn van een schijnconstructie. Daarbij heeft de raadsman voorts mede gedeeld dat er voldoende bewijsstukken te berde zijn gebracht waaruit blijkt dat de klaagsters, die te goeder trouw zijn, als rechthebbenden van de voertuigen dienen te worden aangemerkt. Gelet hierop kan er vanuit worden gegaan dat de klaagsters zich op het standpunt hebben gesteld dat de voertuigen waarvan de teruggave wordt verzocht, conservatoir in beslag zijn genomen, op de voet van art. 94a, tweede lid, Sv, terwijl de Officier van Justitie de grondslag van het beslag in het midden heeft gelaten. De lezing van de klaagsters strookt met een aan het klaagschrift gehechte ‘bevel ex artikel 126a Sv’ d.d. 10 september 2014. Uit dit stuk blijkt dat op 2 juli 2014 een machtiging door de rechter-commissaris is afgegeven tot het instellen van een strafrechtelijk financieel onderzoek (hierna: SFO) tegen een ander, [betrokkene 2] , en dat de klaagsters wordt bevolen opgave te doen van onder meer vermogensbestanddelen die zij van de onderzochte persoon, [betrokkene 2] , onder zich hebben of hebben gehad en die toebehoren of hebben toebehoord aan degene tegen wie het onderzoek is gericht. Ingevolge art. 126b, eerste lid, Sv is de Officier van Justitie tijdens het SFO bevoegd zonder verdere rechterlijke machtiging te gelasten dat voorwerpen op grond van art. 94a, tweede lid, Sv in beslag worden genomen. Voorts lijkt het er sterk op dat de voertuigen in het kader van voornoemd SFO inbeslaggenomen.
Gelet op het verhandelde in raadkamer alsmede de stukken uit het dossier had de Rechtbank ervan blijk moeten geven te hebben onderzocht op grond van welke bepaling het beslag is gelegd. In zijn algemeenheid is het al een goed idee als de beklagrechter de grondslag van het van het beslag vaststelt en zich daarover ook expliciet uitlaat. Dat voorkomt het langs elkaar heen praten in raadkamer – of vermindert die kans tenminste. In het onderhavige geval was voor een gepreciseerde explicatie zeker aanleiding. Uit hetgeen hiervoor onder 4.4.1 is aangehaald lijkt immers te volgen dat het beklag is gericht tegen een conservatoir beslag ex art. 94a Sv. Bij inbeslagneming met toepassing van artikel 94a Sv (conservatoir beslag) dient de rechter te onderzoeken of zich al dan niet het geval voordoet dat het hoogst onwaarschijnlijk is dat de strafrechter, later oordelend, aan de verdachte de verplichting tot betaling van een geldbedrag ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel zal opleggen.
Als het inderdaad gaat om conservatoir beslag dan heeft de Rechtbank dus een onjuiste maatstaf, te weten de maatstaf van art. 94 Sv aangelegd. Na een schets van de feiten en omstandigheden van het geval en de constatering dat het strafrechtelijk onderzoek nog in volle gang is, komt de Rechtbank immers tot het oordeel dat het strafvorderlijk belang van de waarheidsvinding zich verzet tegen opheffing van het beslag.
Het middel klaagt mede – en terecht - over een gebrekkige motivering van de beslissing van de Rechtbank. In zoverre slaagt het middel dus. De overige in het middel vervatte klachten behoeven geen bespreking meer.
5. Gronden waarop de Hoge Raad gebruik zou moeten maken van zijn bevoegdheid de bestreden uitspraak ambtshalve te vernietigen, heb ik niet aangetroffen.
6. Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden beschikking en tot zodanige beslissing met betrekking tot verwijzen of terugwijzen als de Hoge Raad gepast zal voorkomen.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG