ECLI:NL:PHR:2015:2690

ECLI:NL:PHR:2015:2690, Parket bij de Hoge Raad, 15-12-2015, 14/04315

Instantie Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak 15-12-2015
Datum publicatie Onbekend
Zaaknummer 14/04315
Rechtsgebied Strafrecht
Gerelateerde zaken
Formele relatie: ECLI:NL:HR:2016:299
Jurisprudentie Netwerk (LiDo)
Verwijst naar 1 zaken
Aangehaald door 1 zaken
2 wettelijke verwijzingen

Verwijst naar

Aangehaald door

Wettelijke verwijzingen

BWBR0001830 BWBR0001903

Samenvatting

HR: art. 81.1 RO + strafvermindering wegens overschrijding redelijke termijn.

Uitspraak

Passage 1:

(wat betreft het als bewijsmiddel 4 gebezigde proces-verbaal:)

“Ondertussen moest ik [verdachte] nog steeds likken en pijpen. Ik wilde stoppen met likken en pijpen en voelde meteen zijn hand op mijn hoofd. Zachtjes duwde hij mijn hoofd weer naar beneden en ik begreep dat ik door moest gaan met likken en pijpen. Ik was zo bang dat [verdachte] niet eens hoefde te zeggen dat ik moest doorgaan met likken en pijpen.

Toen we bij zijn woning waren mocht ik ophouden met zijn penis te likken en pijpen. Daar mocht ik mij, in de auto, weer aankleden. Vervolgens zijn wij naar de woning van [verdachte] gegaan.”

(en wat betreft het corresponderende verbatim uitgewerkte proces-verbaal:)

“F: Je wilde je wilde stoppen met likken en pijpen en je voelde meteen zijn hand op je hoofd.

N: Ja.

F: Die zachtjes hem uh.

N: Ja zachtjes, niet met geweld hoor.

F: Oké. Hij duwde meteen zijn hand op mijn hoofd. Zachtjes duwde hij mijn hoofd weer naar beneden en ik moest doorgaan.

N: Ja ik weet niet of ik het moest maar ik heb dat maar gedaan. Hij heeft niet gezegd van je moet.

(Onv)

V: Nee maar hij duwde wel je hoofd.

N: Ja.

F: Kan ik wel anders weg zetten. En ik begreep dat ik door moest gaan met likken en pijpen. Je was zo bang dat hij het niet eens durfde te zeggen?

N: Hm?

V: Je was zo bang om daar wat van te zeggen.

N: O ik was er

F: Ja

V: Ja

F: Van joh uh. Het was voor jou al duidelijk

N: Ja

F: Dat je door moest gaan

N: Ja dat is

F: Doordat hij op je hoofd duwde

N: Ja ja

F: Uh bij zijn woning waren mocht ik ophouden met pijpen (onv)

V: Daar mocht ik me ook aankleden. Van [verdachte] . Of niet.

N: Waar?

V: Bij de woning.

N: Ja in de auto heb ik alweer snel aangekleed.”

Passage 2:

(eveneens wat betreft het als bewijsmiddel 4 gebezigde proces-verbaal:)

“Ik wilde dit niet maar heb het wel gedaan. Ik was gewoon bang wat er met mij ging gebeuren.”

(en wat betreft het corresponderende verbatim uitgewerkte proces-verbaal:)

“F: Eigenlijk een vraag waar ik misschien wel antwoord op weet, maar ik stel hem toch. Jij was bang wat er met jou ging gebeuren.

N: Ja.”

Passage 3:

(wat betreft het als bewijsmiddel 7 gebezigde proces-verbaal:)

“U vraagt mij hoe het voelde toen ik aankwam op de Bokkingshang te Deventer en wat het met mij deed. Ik zag er als een berg tegen op. Ik wilde dit werk niet doen.

U vraagt mij of ik wel eens tegen [verdachte] (het hof begrijpt telkens: verdachte) heb gezegd dat ik het werk, prostitutie, niet wilde doen. Ja dat heb ik. [verdachte] zei toen tegen mij dat hij mij dan niet kon gebruiken en niets aan mij had en dat hij dan een ander meisje zou gaan zoeken die voor hem ging werken. Hij vertelde dat hij mij dan niet meer kon vertrouwen en dat ik dan weg moest. Ik was dan niet meer zijn meisje. Ik wilde heel graag zijn meisje zijn en deed alles om hem te behagen.”

(en wat betreft het corresponderende verbatim uitgewerkte proces-verbaal:)

“F: En je bent zwaar verliefd op hem geweest en je krijgt van hem te verstaan dat hij wel werk voor jou heeft, je moet achter de ramen gaan staan en hoer zijn. En als hij dat niet doet, dan ben je niet zijn vriendinnetje en dan kun je wel opstappen.

N: Ja.

F: Dus dat doet wat met je.

N: Ja.

F: Om hem niet te verliezen doe je maar dat wat hij dus van jou vraagt.

N: (zegt niets)

F: Je was bang dat je hem kwijt zou raken he?

N: Ja.

F: Dat is heel om dat goed te vertellen. Op die manier heeft hij jou bespeeld he?

N: Hmmm. Ja.

F: Van als jij niet doet wat ik zeg, ga dan maar weg. Dan heb ik niets meer aan jou want..

N: Ja

F: Dan ben je niet mijn vriendinnetje. Is heel belangrijk dat je dat beseft.

N: Hmm.

F: Dat heeft jou dus gemotiveerd om dat werk toch maar te doen want je wilde hem niet kwijt raken.

N: Ja.

F: Je wilde er alles aan doen om hem (hoort waarschijnlijk ‘niet’ tussen) te verliezen uh om hem dus uh hoe zeg je dat heel netjes, om hem maar uh.

V: Te behagen.

F: Te behagen. Hem tevreden te stellen zodat hij in zijn nopjes met jou zou zijn en dat hij alleen maar leuke dingen met jou gaat doen.

N: Ja.

F: Oké. Ik ga dat even proberen dat ik dit op papier krijg want het is uh heel belangrijk dat dat zo goed uit komt.”

Passage 4:

(eveneens wat betreft het als bewijsmiddel 7 gebezigde proces-verbaal:)

“ [verdachte] had meerdere keren aangegeven als ik hem zou laten vallen, dus weg bij hem zou gaan, dat hij een Joegoslaaf op mij af zou sturen en zou vermoorden.”

(en wat betreft het corresponderende verbatim uitgewerkte proces-verbaal:)

“N: Ja. Nou hij had een vriend en die is Joegoslaaf zei hij en die zou me dan wel vermoorden.

F: Hij vertelde wel dat als ik hem zou laten vallen dat hij een Joegoslavische vriend heeft die mij dan zou vermoorden. Wat deed dat met jou toen hij dat zei?

N: Nou ik wist gewoon dat hij dat niet zou doen. Ook omdat hij mijn keel had dicht geknepen maar ook niet totdat ik stikte, dat durfde hij ook niet. Ik vond het allemaal gewoon, ja.

F: Deed dat niets met jou dat hij zei van joh ik heb een Joegoslavische vriend en die maakt jou koud?

N: Nee eigenlijk niet. Nee want ik geloofde dat gewoon niet. Ik vond het gewoon..

F: Het deed je niks omdat je hem niet geloofde?

N: Ja, ik geloofde niet wat hij toen zei. En ik was er ook niet bang voor dat het zou gebeuren.

(fonetische zin)

F: Weet je ook waarom je daar niet bang voor was?

N: Ja omdat ik toch eigenlijk wel wist dat hij dat niet zou doen.

F: Hoe weet jij dat dan?

N: Nou omdat net zoals met die keel dichtknijpen, ja dat deed hij ook niet verder totdat ik zou stikken dus ik dacht ja. Dan had hij al wel lang de kans voor gehad om mij te (onv) ja.

F: Dus jou gevoel zegt van dat hij dat niet zou doen.

N: Nee.

F: Je kunt het ook verder niet verklaren begrijp ik uit jouw verhaal

N: Nee”

Passage 5:

(wat betreft het als bewijsmiddel 8 gebezigde proces-verbaal:)

“(…) Als zijn hoertje moest ik eerlijk tegen hem zijn als ik voor hem werkte. Ik moest hem aankijken als hij met mij praatte.”

(en wat betreft het corresponderende verbatim uitgewerkte proces-verbaal:)

“F: Wat vertelde hij op dat moment tegen jou dan?”

N: Over dat ik eerlijk moest.

F: (onv) of wat moet ik mij voorstellen.

N: Nee dat ik eerlijk moest zijn tegen hem als ik zijn hoertje wou zijn, dan moest ik dus eerlijk zijn en dat. En dan moest ik in zijn ogen aankijken en zeggen dat ik het meende. En dat ik voor hem wou werken.

F: Als zijn hoertje moest ik eerlijk tegen hem zijn.

N: Ja.

F: En hem aankijken?

N: Ja

F: Als hij met mij praatte?

N: Ja.

F: En zei hij daarna nog wat?

N: Wat of hij wat zei?

F: Nee als hij als ik als zijn hoertje moest ik eerlijk tegen hem zijn en hem aankijken als hij met mij praatte. Je zei nog wat.

V: Als ik voor hem wilde werken.”

23. Voor de beoordeling van het middel zijn tevens de volgende overwegingen van het hof met betrekking tot de betrouwbaarheid van de door [slachtoffer 1] afgelegde verklaringen van belang (zie blz. 13-14 van het arrest):

“Overwegingen ten aanzien van de betrouwbaarheid van de verklaringen van de aangeefsters [slachtoffer 1] , [slachtoffer 2] en [slachtoffer 3]

Ter terechtzitting van het hof d.d. 10 juli 2014 heeft de raadsman aangevoerd dat de verklaringen van de aangeefsters [slachtoffer 1] , [slachtoffer 2] en [slachtoffer 3] niet betrouwbaar zijn, althans met de nodige behoedzaamheid beschouwd dienen te worden. Ten aanzien van de verklaringen van [slachtoffer 1] heeft de raadsman geconcludeerd dat deze uitgesloten dienen te worden van het bewijs.

Volgens de raadsman zijn de aangeefsters op sturende wijze door de politie verhoord en is er sprake geweest van tunnelvisie ten opzichte van verdachte. Daarnaast is er sprake van psychische problematiek bij de aangeefsters en bevatten de verklaringen onwaarschijnlijkheden en onjuistheden. (…)

Het hof overweegt hieromtrent als volgt.

Allereerst stelt het hof met de raadsman vast dat de aan de aangeefsters gestelde vragen in bepaalde opzichten ‘sturend’ zijn geweest. Dit gegeven, alsmede de psychische gesteldheid van aangeefsters en hun mogelijke belang bij het afleggen van verklaringen over het gedwongen uitoefenen van prostitutiewerkzaamheden, brengt met zich mee dat de verklaringen met de nodige behoedzaamheid moeten worden beoordeeld. Anders dan de verdediging verbindt het hof daaraan echter niet de conclusie dat de verklaringen van de aangeefsters onbetrouwbaar zijn en dat deze uitgesloten dienen te worden van het bewijs.

Gebleken is namelijk dat de aangeefsters op essentiële onderdelen wél kritisch zijn bevraagd en dat zij daarbij vrij en consistent hebben kunnen verklaren. Tevens hebben zij, dan wel enkele van hen, hun bij de politie afgelegde verklaringen zowel ten overstaan van de rechter-commissaris als ter terechtzitting in eerste aanleg bevestigd. Bovendien vinden de verklaringen op cruciale onderdelen bevestiging in andere bewijsmiddelen in het dossier. (…)

Voorts is de door de verdediging gestelde tunnelvisie aan de zijde van de politie ten aanzien van verdachte niet aannemelijk geworden. Zo is er bijvoorbeeld in de zaak van aangeefster [slachtoffer 1] wel degelijk onderzoek verricht naar een andere mogelijke verdachte, te weten de ‘Dave’ waarover zij heeft verklaard. Dit onderzoek heeft echter tot niets geleid.

Uit het voorgaande blijkt dat de verklaringen van aangeefsters - hoewel met behoedzaamheid beschouwd - voor het bewijs gebezigd kunnen worden.”

24. Ten aanzien van de hierboven onder 23 weergegeven passages wijkt de inhoud van de voor het bewijs gebezigde processen-verbaal volgens de stellers van het middel zodanig af van de inhoud van de verbatim uitgewerkte processen-verbaal, dat het hof de onderliggende verklaringen zou hebben gedenatureerd. Omdat de klacht van het middel geen betrekking heeft op weergaves van de inhoud van bepaalde verklaringen door het hof zelf, gaat het bij deze klacht echter niet om een denatureringsklacht in strikte zin, maar om een keuze en selectie die het hof heeft gemaakt uit de processen-verbaal van de politie. Daarbij komt dat een proces-verbaal van verhoor geen letterlijke weergave van de verklaring van aangever of getuige hoeft te bevatten. Dit neemt niet weg dat de vraag hoe de inhoud van de verbalisantenweergaves van de verklaringen van [slachtoffer 1] en de inhoud van de verbatim uitgewerkte processen-verbaal van diezelfde verklaringen zich tot elkaar verhouden in casu relevant kan zijn voor de begrijpelijkheid van de bewezenverklaring. Daarbij kan dan wel meteen worden opgemerkt dat de selectie- en waarderingsvrijheid van de feitenrechter in dit verband ten opzichte van denatureringsklachten in strikte zin wellicht nog wel zwaarder weegt, aangezien deze vrijheid niet alleen de inhoud van voorhanden verklaringen maar ook de keuze tussen verschillende versies daarvan betreft.

25. Wat betreft de eerste, de tweede en de derde in het middel genoemde passage van de verklaringen van [slachtoffer 1] wordt in de toelichting op het middel gesteld dat zowel op het punt van de door de getuige ervaren angst en dwang (passages 1 en 2) als op het punt van de emotionele afhankelijkheid van de getuige (passage 3) suggesties van verhoorders als eigen woorden in de mond van de getuige zijn gelegd. Hoewel de als bewijsmiddelen 4 en 7 gebezigde processen-verbaal met betrekking tot deze punten inderdaad informatie bevatten waar [slachtoffer 1] blijkens de verbatim uitgewerkte processen-verbaal niet of niet geheel uit zichzelf mee is gekomen, is het echter niet zo dat de genoemde informatie qua inhoud of strekking duidelijk van de woordelijke versie van haar verklaringen afwijkt. Waar de toelichting erop wijst dat de getuige in het bij passage 1 behorende verbatim proces-verbaal de vraag of zij zo bang was dat de verdachte niet eens hoefde te zeggen dat zij door moest gaan met het verrichten van seksuele handelingen alleen beantwoordt met ‘Hm?’ en ‘O, ik was er’, wordt er bijvoorbeeld aan voorbijgegaan dat de getuige enkele momenten later alsnog een bevestigend antwoord op deze vraag geeft. Nu de stellers van het middel ten aanzien van de eerste, tweede en derde passage niets aandragen op grond waarvan kan worden gezegd dat het hof aan de verklaringen van [slachtoffer 1] een betekenis heeft toegekend die het daar niet aan kon toekennen, moet het middel in ieder geval in zoverre falen. In dit verband is van belang dat het hof wat betreft deze verklaringen zelf heeft geoordeeld dat de vraagstelling bij het verhoor van deze getuige weliswaar op bepaalde punten sturend is geweest maar niet zodanig sturend dat zij niet voor het bewijs kunnen worden gebruikt.

26. Ten aanzien van de vierde in het middel genoemde passage merken de stellers van het middel op dat het als bewijsmiddel 7 gebezigde proces-verbaal onder meer inhoudt dat de verdachte meerdere keren heeft aangegeven dat hij [slachtoffer 1] zou laten vermoorden door een Joegoslaaf als zij bij hem weg zou gaan, terwijl [slachtoffer 1] blijkens het corresponderende verbatim proces-verbaal tijdens haar verhoor meerdere keren heeft verklaard dat het dreigement van de verdachte haar niet bang maakte omdat zij het niet geloofde. Ook wat betreft deze passage kan het middel niet slagen, aangezien het hof vrij was om aan de verklaring van de getuige over het dreigement - ook los van hetgeen zij verder over haar eigen gevoelens met betrekking tot dit dreigement heeft verklaard - bewijswaarde toe te kennen. Het hof heeft uit de betreffende verklaring immers in ieder geval kunnen afleiden dat de verdachte bedreiging als middel inzette en dat er een verband was tussen het inzetten van dit middel en het zich prostitueren van de getuige. Wat dit laatste betreft: dat de getuige niet bang was dat de verdachte haar daadwerkelijk zou laten ombrengen wil natuurlijk niet zeggen dat zij niet vreesde voor enige minder vergaande vorm van geweld, terwijl zij in haar verklaringen over andere situaties wel degelijk heeft aangegeven bang te zijn geweest voor dreigend geweld. Daar komt bij dat ook de als bewijsmiddel 6 gebezigde verklaring van de getuige inhoudt dat de verdachte heeft gedreigd haar te laten vermoorden. Tot slot treft het middel ook wat betreft de vijfde in het middel genoemde passage geen doel. Wat er van de opmerkingen van de stellers van het middel over deze passage ook zij, kan uit de overige inhoud van de als bewijsmiddel 8 gebezigde verklaring van [slachtoffer 1] immers zonder meer volgen dat zij als prostituee voor de verdachte heeft gewerkt.

27. Het tweede middel faalt eveneens.

28. Het derde middel bevat een klacht over de strafmotivering, voor zover het hof daarin heeft overwogen dat de verdachte “zich gedurende lange periodes, in het geval van [slachtoffer 3] bijna vijf jaar, schuldig [heeft] gemaakt aan mensenhandel”.

29. De in het arrest neergelegde strafmotivering van het hof luidt in haar geheel als volgt:

“De hierna te melden strafoplegging is in overeenstemming met de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, mede gelet op de persoon van verdachte, zoals van een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

Verdachte heeft zich gedurende lange periodes, in het geval van [slachtoffer 3] bijna vijf jaar, schuldig gemaakt aan mensenhandel ten aanzien van drie vrouwen: [slachtoffer 1] , [slachtoffer 2] en [slachtoffer 3] . Deze jonge vrouwen waren ieder uiterst kwetsbaar op het moment dat verdachte in hun leven kwam; hij heeft daar ernstig misbruik en gebruik van gemaakt. Alle drie de vrouwen zijn door toedoen van verdachte in de prostitutie terecht gekomen en gebleven. Om dit te bewerkstelligen heeft hij de vrouwen in een (emotionele dan wel financiële) afhankelijkheid gebracht. Zo liet hij hen bijvoorbeeld geloven dat ze een exclusieve (seksuele) relatie met hem hadden en dat ze een toekomst samen, zouden gaan opbouwen. Hij heeft de vrouwen financieel uitgebuit en afhankelijk gemaakt door te verlangen dat zij de opbrengsten uit de prostitutie aan verdachte afstonden, zogenaamd ten behoeve van hun toekomstplannen, dan wel het door verdachte geregelde onderdak.

Voor de strafmaat laat het hof voorts in belangrijke mate meewegen dat verdachte in het contact met de meisjes gebruik heeft gemaakt van fysiek geweld, bedreiging met geweld en seksueel geweld.

Dergelijke praktijken herbergen aspecten van een vorm van moderne slavernij. Het onvrijwillig in de prostitutie brengen en houden van vrouwen, de mishandeling en de intimidatie en het vervolgens (jaren)lang financieel uitbuiten van die vrouwen zijn zeer ernstige feiten. Door aldus te handelen heeft verdachte de vrouwen ernstige schade aan de lichamelijke en geestelijke integriteit toegebracht en heeft hij hun persoonlijke vrijheid ernstig geschaad. Verdachte heeft zijn persoonlijk gewin uitdrukkelijk daarboven gesteld. Het hof is van oordeel dat deze vorm van mensenhandel fors bestraft moet worden.

Wat de impact van het gebeurde op [slachtoffer 1] , [slachtoffer 2] en [slachtoffer 3] is geweest, blijkt onder meer uit de ter terechtzitting van het hof voorgelezen en zich in het dossier bevindende schriftelijke slachtofferverklaringen. Hieruit blijkt dat ze gevoelens van schaamte hebben gehad, dat ze zich vies voelden en hun gevoel uitschakelden. Nu voelen ze vaak nog boosheid, angst en eenzaamheid. Ook ervaren zij slaap- en concentratieproblemen en hebben zij moeite mensen te vertrouwen. [slachtoffer 1] heeft bovendien ernstige ziektes van het werk in de prostitutie gekregen.

Blijkens een uittreksel uit het Justitieel Documentatieregister d.d. 17 juni 2014 is verdachte eerder onherroepelijk veroordeeld voor strafbare feiten, waaronder een zedendelict, nota bene gepleegd ten aanzien van één van de aangeefsters in onderhavige zaak, [slachtoffer 2] .

Direct na vrijlating van het uitzitten van de gevangenisstraf die hij hiervoor kreeg heeft hij het contact met [slachtoffer 2] hervat en haar kort nadien bewogen de prostitutie in te gaan. Daarnaast is gebleken dat verdachte ten tijde van het plegen van onderhavige feiten in een proeftijd zat, waarbij hem een gevangenisstraf van aanzienlijke duur boven het hoofd hing. Dit heeft hem er kennelijk niet van weerhouden onderhavige feiten te plegen.

Voorts heeft het hof gelet op de inhoud van de over de persoon van verdachte opgemaakte rapportages. Verdachte heeft geweigerd mee te werken aan een Pro Justitia psychologisch onderzoek. Ook bij de reclassering heeft verdachte niet willen praten over het hem tenlastegelegde. Hierdoor is het niet mogelijk gebleken goed onderzoek te doen. De reclassering onthoudt zich dan ook van advies over een sanctie.

Het hof houdt voorts rekening met het feit dat verdachte in zijn uiteindelijk afgelegde verklaringen geen inzicht heeft getoond in de onjuistheid van zijn handelen.

Door de raadsman is bepleit om in geval van bewezenverklaring te komen tot een lagere straf dan door de rechtbank is opgelegd onder verwijzing naar andere uitspraken. Vooropgesteld moet worden dat de strafoplegging voor mensenhandelzaken in zijn algemeenheid niet alleen kan worden gebaseerd op uitgangspunten ontleend aan de hoeveelheid slachtoffers, de duur van de periode waarin de mensenhandel plaatsvindt en de wijze waarop de uitvoering ervan plaatsvindt. Uit het voorgaande volgt dat er een groot scala van omstandigheden is waar het hof bij de beoordeling van de op te leggen straf rekening mee houdt. In het oog springend zijn daarbij, naast de voor een strafoplegging genoemde uitgangspunten, de omstandigheid dat verdachte eerder is veroordeeld voor ontucht met één van de slachtoffers en dat hij na het uitzitten van die straf terstond weer contact had met het slachtoffer daarvan en haar in de prostitutie heeft geleid en dat hij de feiten tijdens een proeftijd van een voorwaardelijke gevangenisstraf van 12 maanden heeft gepleegd. Zo bezien leveren die andere uitspraken geen aanknopingspunt om in dit geval tot een daarmee vergelijkbare strafoplegging te komen. Het veranderen van inzicht in de strafwaardigheid van mensenhandel na 1 juli 2009 vormt geen reden om nu, na dat gewijzigde inzicht tot een lagere strafoplegging te komen nu met de op te leggen straf het strafmaximum van vóór 1 juli 2009 van mensenhandel meermalen gepleegd, niet wordt overschreden.

Hoewel er sprake van is dat de procedure langere tijd in beslag heeft genomen is er geen sprake van overschrijding van de redelijke termijn en in het kader van de strafoplegging houdt het hof hiermee dan ook geen rekening.

Alles afwegend is slechts de oplegging van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van aanzienlijke duur passend. Met de rechtbank en de advocaat-generaal is het hof van oordeel dat aan verdachte een gevangenisstraf voor de duur van 7 jaren, met aftrek van voorarrest, opgelegd dient te worden.”

30. In de toelichting op het middel wordt gesteld dat de overweging van het hof dat de verdachte zich in het geval van [slachtoffer 3] gedurende bijna vijf jaar schuldig heeft gemaakt aan mensenhandel niet begrijpelijk is, omdat uit één van de zich in het dossier bevindende verklaringen van het betreffende slachtoffer kan worden afgeleid dat zij haar prostitutiewerkzaamheden enkele malen heeft onderbroken en dat zij binnen de door het hof genoemde periode van vijf jaar maximaal tweeënhalf jaar lang voor de verdachte kan hebben gewerkt.

31. De door de stellers van het middel geuite bezwaren tegen ’s hofs gebruik van de woorden ‘gedurende vijf jaar’ zijn niet overtuigend. Dat de aangedragen verklaring van [slachtoffer 3] lijkt uit te sluiten dat de verdachte haar vijf jaar lang zonder tussenpozen voor hem heeft laten werken, laat immers onverlet dat het hof bij de strafoplegging zelfstandige waarde heeft kunnen toekennen aan de omstandigheid dat de door de verdachte begane mensenhandelfeiten zich uitstrekten over een lange periode in de tijd en dat het bijpassende handelen van de verdachte geen tijdelijke bevlieging betrof. De overweging van het hof dat de verdachte zich in het geval van [slachtoffer 3] gedurende bijna vijf jaar schuldig heeft gemaakt aan mensenhandel kan mijns inziens dan ook zonder problemen zo worden gelezen, dat het hof daarmee tot uitdrukking heeft gebracht dat de uitbuiting van [slachtoffer 3] intensief was en dat hij dit slachtoffer - zelfs als hij haar enige tijd uit het oog was verloren - niet losliet.

32. Ook het derde middel faalt.

33. Met het vierde middel wordt betoogd dat het hof heeft nagelaten te responderen op een uitdrukkelijk onderbouwd standpunt van de verdediging met betrekking tot de bruikbaarheid voor het bewijs van een verklaring van [getuige 3] ten aanzien van het in de zaak met parketnummer 07-653021-10 onder 2 tenlastegelegde (de feiten met betrekking tot het slachtoffer [slachtoffer 2] ).

34. Het hof heeft de bewezenverklaring wat betreft het in de zaak met parketnummer 07-653021-10 onder 2 tenlastegelegde onder meer doen steunen op de inhoud van het volgende bewijsmiddel:

“19. Een in de wettelijke vorm door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren opgemaakt proces-verbaal van bevindingen d.d. 8 april 2010 (pagina 264-265, map 3 van proces-verbaalnummer 2010004854-7, onderzoek LUTS 04TAC10001), inhoudende - zakelijk weergegeven -:

als verklaring van verbalisanten, dan wel één van hen:

Op zaterdag 03 april 2010 te omstreeks 20.00 uur hielden wij een prostitutiecontrole in “ [A] ”. Tijdens deze ronde controleerden wij [getuige 3] . Zij verklaarde dat er in november/december 2009 een meisje bij [A] had gewerkt, die haar om hulp had gevraagd. Dit meisje had gehuild. [getuige 3] vond het meisje naïef. Zij zou uit Gouda komen. Zij had zich afgevraagd wat het meisje in een dergelijke omgeving te zoeken had. [getuige 3] had zich over haar ontfermd en had haar na het werk in [A] meegenomen naar huis. Hier was het meisje door haar vader opgehaald. Het telefoonnummer van haar had zij onder de naam [slachtoffer 2] in haar mobiele telefoon staan.

Volgens GBA gegevens zouden de personalia van [getuige 3] moeten luiden: [getuige 3] , geboren op [geboortedatum] 1984, wonende te [woonplaats] .

De “ [A] ” is een inrichting waarin kamers worden verhuurd aan zelfstandige prostituees, die daar hun werkzaamheden verrichten.”

35. Blijkens een pleitnota die is gehecht aan het proces-verbaal van de terechtzitting van het hof van 10 juli 2014 heeft de raadsman van de verdachte bij die gelegenheid onder meer het volgende aangevoerd:

“De Rechtbank heeft nog voor het bewijs gebruikt de verklaring van [getuige 3] . Deze mevrouw zou bij een controleronde in “ [A] ” te Doetinchem hebben aangeslagen op de naam [slachtoffer 2] en hebben verklaard “dat zij het gevoel had dat het niet goed zat.” (…) Bovendien kan cliënt niet de persoon zijn waarover [getuige 3] spreekt. Cliënt is immers nooit in Doetinchem geweest. Dat heeft [slachtoffer 2] zelf verklaard: “Ik was met de trein naar Doetinchem gekomen. Ik ben nooit door [verdachte] naar Doetinchem gebracht. Hij heeft mij ook nooit opgehaald. Ik heb daar maar twee keer gewerkt. De eerste keer ben ik ziek naar huis gegaan. De tweede keer ben ik met [getuige 3] meegegaan.” Toch wordt er als vanzelfsprekend vanuit gegaan dat het om cliënt gaat, ook door de rechtbank. [getuige 3] moet hier over een ander dan cliënt hebben gesproken; (…)”

36. Voor de beoordeling van het middel zijn daarnaast de volgende nadere bewijsoverwegingen van het hof van belang:

“Ter terechtzitting van het hof d.d. 10 juli 2014 is door de raadsman bepleit dat verdachte vrijgesproken dient te worden van het in de zaak met parketnummer 07-653021-10 onder 2 ten laste gelegde, kortgezegd de mensenhandel gepleegd ten aanzien van aangeefster [slachtoffer 2] . Hiertoe is aangevoerd dat noch uit [slachtoffer 2] ’s eigen verklaringen en aantekeningen, noch uit andere stukken in het dossier is gebleken dat [slachtoffer 2] gedwongen in de prostitutie heeft gewerkt.

Het hof overweegt als volgt.

Anders dan de verdediging heeft bepleit, is wettig en overtuigend bewezen dat [slachtoffer 2] onvrijwillig de prostitutiewerkzaamheden heeft verricht. Dit blijkt uit de gebezigde bewijsmiddelen, zoals deze later in de eventueel op te maken aanvulling op dit arrest zullen worden opgenomen. Hierbij heeft het hof in het bijzonder gelet op het navolgende.

Anders dan de raadsman concludeert het hof dat uit de verklaringen van [slachtoffer 2] zelf wel degelijk blijkt dat zij de prostitutiewerkzaamheden gedwongen heeft verricht en het neemt deze dan ook als uitgangspunt. Zo verklaart zij bijvoorbeeld dat verdachte aan haar vroeg om als prostituee te gaan werken, dat zij dit werk absoluut niet wilde doen, maar dat zij door het toekomstbeeld dat verdachte haar schetste geen ‘nee’ kon zeggen.

Het gedwongen karakter van het werk vindt voorts bevestiging in bijvoorbeeld de verklaring van [getuige 3] . Zij verklaart onder meer dat [slachtoffer 2] bij [A] te Doetinchem prostitutiewerkzaamheden heeft verricht, dat zij [getuige 3] om hulp heeft gevraagd en dat zij heeft gehuild. [getuige 3] heeft zich over [slachtoffer 2] ontfermd en haar mee naar huis genomen, waar haar vader haar op is komen halen.”

37. Voor zover de hierboven onder 36 aangehaalde passage van de pleitnota van de raadsman van de verdachte al moet worden geacht een uitdrukkelijk onderbouwd standpunt in te houden, geldt dat de redenen van de afwijking door het hof van dit standpunt reeds in voldoende mate in de nadere bewijsoverwegingen van het hof besloten liggen. Het hof heeft de verklaring van [getuige 3] gebruikt als steunbewijs voor de omstandigheid dat de prostitutiewerkzaamheden van slachtoffer [slachtoffer 2] in de tenlastegelegde periode een gedwongen karakter hadden. Daarbij heeft het hof kennelijk geoordeeld dat de bewijswaarde van deze verklaring niet afhankelijk is van de vraag of dit slachtoffer op de dag waarover [getuige 3] verklaart door de verdachte naar Doetinchem is gebracht of weer uit Doetinchem is opgehaald. Dit oordeel is niet onbegrijpelijk en kan voor het overige in cassatie niet worden getoetst.

38. Het vierde middel faalt ook.

39. Het vijfde middel klaagt over een overschrijding van de inzendtermijn in cassatie.

40. In de onderhavige zaak is op 25 juli 2014 namens de verdachte beroep in cassatie ingesteld, terwijl de stukken van het geding pas op 6 mei 2015 door de Hoge Raad zijn ontvangen. Dit brengt mee dat de in casu toepasselijke inzendtermijn van zes maanden met ruim drie maanden is overschreden, terwijl de Hoge Raad bovendien niet binnen zestien maanden na het instellen van het cassatieberoep uitspraak zal doen. Dit dient tot strafvermindering te leiden.

41. Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.

42. Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden uitspraak maar uitsluitend wat betreft de duur van de opgelegde gevangenisstraf, tot vermindering van de straf in de mate die de Hoge Raad gepast voorkomt en tot verwerping van het beroep voor het overige.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?