Het standpunt van het openbaar ministerie
De officier van justitie heeft de toewijzing van de vorderingen benadeelde partij gevorderd en oplegging van de schadevergoedingsmaatregel als bedoeld in artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht voor de toe te wijzen bedragen.
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft aangevoerd dat de vorderingen benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaard dienen te worden gelet op de bepleite vrijspraak van het ten laste gelegde.
Het oordeel van de rechtbank
Naar het oordeel van de rechtbank is komen vast te staan, dat de benadeelde partij [benadeelde partij 1] als gevolg van het hiervoor onder 1 bewezen verklaarde feit rechtstreeks schade heeft geleden. De vordering is met de door de benadeelde partij overgelegde stukken onderbouwd en niet, althans onvoldoende, weersproken. De hoogte van de schade is genoegzaam komen vast te staan tot een bedrag van € 300,00, vermeerderd met de wettelijk rente over dit bedrag vanaf de dag dat het onder 1 bewezen verklaarde feit is gepleegd tot de dag van algehele voldoening. De vordering zal dan ook tot dat bedrag worden toegewezen. De verdachte zal ook worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog zal maken, tot op heden begroot op nihil.
Als extra waarborg voor betaling van de benadeelde partij zal de rechtbank overeenkomstig artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht de verdachte de verplichting opleggen tot betaling aan de Staat van bovengenoemde geldsom ten behoeve van de benadeelde partij.
(…)
BESLISSING
(…)
Schadevergoeding
De rechtbank veroordeelt de verdachte tot betaling aan de benadeelde partij [benadeelde partij 1], namens deze gemachtigde [betrokkene 1] , wonende te [plaats], van een bedrag van € 300,00 (zegge: driehonderd) vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 19 oktober 2009 (de dag waarop het onder 2 bewezen verklaarde feit jegens de benadeelde partij werd gepleegd), tot de dag van de voldoening.
De verdachte wordt voorts veroordeeld in de kosten, die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog zal maken, tot op heden begroot op nihil.
De rechtbank legt de verdachte de verplichting op tot betaling aan de Staat van een bedrag van € 300,00, ten behoeve van [betrokkene 1] namens het slachtoffer [benadeelde partij 1], bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 6 dagen hechtenis.
De rechtbank bepaalt dat, indien verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de Staat daarmee zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij in zoverre komt te vervallen en andersom dat, indien verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij daarmee zijn verplichting tot betaling aan de Staat in zoverre komt te vervallen.”
25. Blijkens zijn overwegingen heeft het Hof de vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 1] toegewezen nu naar het oordeel van het Hof genoegzaam is komen vast te staan dat deze € 300,- bedraagt, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf de dag dat het onder 1 bewezenverklaarde feit is gepleegd tot de dag van algehele voldoening. Gelet daarop moet worden aangenomen dat het Hof als gevolg van een kennelijke vergissing in zijn beslissing heeft vermeld dat de vordering van € 300,- wordt toegewezen vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 19 oktober 2009, de dag waarop het onder 2 bewezenverklaarde feit jegens de benadeelde partij werd gepleegd. De Hoge Raad kan de beslissing van het Hof in zoverre verbeterd lezen waardoor het belang aan het middel komt te ontvallen.
26. Het eerste, het tweede en het derde middel falen; in ieder geval de eerste twee middelen kunnen worden afgedaan met de aan art. 81, eerste lid, RO ontleende overweging. Aan het vierde middel komt het belang te ontvallen door verbeterde lezing van het dictum. Gronden waarop de Hoge Raad gebruik zou moeten maken van zijn bevoegdheid de bestreden uitspraak ambtshalve te vernietigen, heb ik niet aangetroffen.
27. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG