1. Na terugwijzing door de Hoge Raad heeft het Gerechtshof Amsterdam bij arrest van 6 november 2014 de verdachte wegens “diefstal, vergezeld en gevolgd van geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal gemakkelijk te maken en om, bij betrapping op heter daad, aan zichzelf of andere deelnemers aan het misdrijf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen” veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van acht maanden, waarvan vier maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaren, met de bijzondere voorwaarden zoals in het arrest omschreven en met aftrek als bedoeld in art. 27 Sr. Voorts heeft het hof de vorderingen van twee benadeelde partijen toegewezen en aan de verdachte schadevergoedingsmaatregelen opgelegd, één en ander zoals in het arrest vermeld.
2. Deze zaak hangt samen met een andere zaak tegen de verdachte (nr. 14/05809), waarin ik vandaag eveneens concludeer.
3. Namens de verdachte is beroep in cassatie ingesteld. Er is geen schriftuur ingediend.
4. De aanzegging in cassatie is op 28 april 2015 uitgereikt aan een huisgenoot van de verdachte (zijn moeder) op diens GBA-adres ([a-straat 1] in Amsterdam), waarbij is voldaan aan de GBA-controle. Het in de cassatie-akte vermelde adres van de verdachte komt overeen met diens GBA-adres. Voorts blijkt uit de stukken van het geding dat mr. B.P. de Boer, advocaat te Amsterdam, zich in cassatie als raadsman van de verdachte heeft gesteld. Vervolgens is op 6 mei 2015 mededeling van de betekening gedaan aan de raadsman van de verdachte. Aldus is de aanzegging overeenkomstig art. 588, eerste lid, onder b, sub 1º, Sv, in verbinding met art. 588, derde lid, onder a, Sv, rechtsgeldig betekend.
5. Nu de verdachte niet binnen de bij de wet gestelde termijn bij de Hoge Raad door een raadsman een schriftuur houdende middelen van cassatie heeft doen indienen, is het voorschrift van art. 437, tweede lid, Sv niet in acht genomen, zodat de verdachte niet in zijn cassatieberoep kan worden ontvangen.
6. Deze conclusie strekt tot niet-ontvankelijkverklaring van de verdachte in het beroep.
De procureur-generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG