ECLI:NL:PHR:2015:270

ECLI:NL:PHR:2015:270, Parket bij de Hoge Raad, 03-02-2015, 13/02430

Instantie Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak 03-02-2015
Datum publicatie Onbekend
Zaaknummer 13/02430
Rechtsgebied Strafrecht
Gerelateerde zaken
Formele relatie: ECLI:NL:HR:2015:770
Jurisprudentie Netwerk (LiDo)
Verwijst naar 3 zaken
Aangehaald door 7 zaken
4 wettelijke verwijzingen

Verwijst naar

Aangehaald door

Wettelijke verwijzingen

BWBR0001830 BWBR0001854 BWBR0001903 BWBR0004028

Samenvatting

Wots-zaak. Overname van een in België opgelegde straf. Detentieduur. Art. 44 van het Europees verdrag inzake de geldigheid van strafvonnissen, Trb. 1971, 137 (EVIG) jo. art. 31.1 WOTS en de VI-regeling. De HR herhaalt toepasselijke overwegingen uit ECLI:NL:HR:1999:ZD1570 en ECLI:NL:HR:1997:ZD0883. De Rb heeft n.a.v. een dienaangaand gevoerd verweer de waarschijnlijkheid van de strafrechtelijke positie van veroordeelde in de staat van veroordeling onderzocht. Gelet hierop en in aanmerking genomen de informatie afkomstig van de Belgische autoriteiten inhoudende dat de procedure van de voorwaardelijke invrijheidstelling “tamelijk langdurig (6 maanden, in de praktijk vaak meer)” is, is het oordeel van de Rb dat veroordeelde t.g.v. de door haar opgelegde gevangenisstraf niet in een nadeliger positie komt te verkeren w.b. de daadwerkelijke duur van zijn detentie, niet onbegrijpelijk. Conclusie AG: anders.

Uitspraak

14. Het eerste middelfaalt.

15. Het tweede middel klaagt over schending van art. 31 Wots en art. 44, tweede lid, van het Europees Verdrag inzake de internationale geldigheid van strafvonnissen (EVIG).

16. Het bestreden vonnis bevat de volgende overweging:

“ In het kader van het vorenstaande overweegt de rechtbank dat de raadsman terecht heeft aangevoerd, dat de strafrechtelijke positie van [veroordeelde] in ieder geval niet mag worden verzwaard en dat daarom onderzocht moet worden hoe lang de detentie van [veroordeelde] feitelijk zou hebben geduurd, wanneer hij zijn straf zou hebben uitgezeten in België. Uit de inhoud van het onder 2 sub b genoemde verzoek blijkt dat in België andere regels gelden ten aanzien van een voorwaardelijke invrijheidstelling dan in Nederland. Kort gezegd kan worden gesteld dat in België de drempel voor het toekennen van de voorwaardelijke invrijheidstelling voor vrijheidsstraffen die de drie jaar te boven gaan, is vastgesteld op 1/3 van de totale strafduur. De rechtbank stelt verder op basis van de inhoud van voormeld verzoek vast, dat vanaf het moment dat die drempel is bereikt de voorwaardelijke invrijheidstelling kan worden aangevraagd en dat een dergelijke procedure circa 6 maanden tijd in beslag neemt. Gelet hierop is de rechtbank van oordeel dat de stelling van de raadsman - inhoudende dat de detentie van [veroordeelde] indien hij deze in België zou uitzitten netto slechts één derde van de totale strafduur zou hebben geduurd – niet juist is. Wel is de rechtbank met de raadsman van oordeel, dat er in dit geval geen contra-indicaties bestaan die volgens de Belgische regelgeving zouden leiden tot het niet toekennen van een voorwaardelijke invrijheidstelling aan [veroordeelde]. De rechtbank gaat er daarom vanuit dat in België de voorwaardelijke invrijheidstelling aan [veroordeelde] zou zijn toegekend, nadat dit door hem zou zijn aangevraagd. De rechtbank zal dit meenemen bij de door haar te nemen beslissing en zal ook rekening houden met de duur die een dergelijke procedure in beslag zou hebben genomen.”

17. Het toepasselijke art.l 44, tweede lid, EVIG luidt:

“Bij het vaststellen van de sanctie mag de rechter de strafrechtelijke bejegening van de veroordeelde, waartoe de in de verzoekende staat genomen beslissing leidt niet verscherpen.”

18. Dat de exequaturrechter bij de omzetting rekening moet houden met de regeling van de ‘vreemde’ VI, in dit geval de Belgische regeling van de VI, staat niet ter discussie. Uit de overwegingen van de Rechtbank valt af te leiden dat de Rechtbank bij de oplegging van de straf onder meer rekening heeft gehouden met de omstandigheid dat bij een vrijheidsstraf van 8 jaren de veroordeelde in België na 1/3 van acht jaren in vrijheid wordt gesteld en dat de VI- procedure in België ongeveer zes maanden duurt. Een derde van acht jaren is een derde van acht keer 365 dagen en daarmee 973 dagen. De Rechtbank heeft 167 dagen meer opgelegd te weten 1140 dagen (57 maanden van dertig dagen). In het oordeel van de Rechtbank ligt besloten dat daarmee de strafrechtelijke positie ten opzichte van het buitenland niet verzwaard is, omdat de Rechtbank er rekening mee heeft gehouden dat de VI-procedure in België 180 dagen (zes maanden van 30 dagen) zou duren en dat is meer dan de 167 dagen die de Rechtbank boven het derde van acht jaren gaat. Zo bezien is de redenering van de Rechtbank niet onbegrijpelijk en faalt het middel.

19. Ik heb mij afgevraagd of het middel in de kern niet de toepassing van buitenlands (Belgisch) recht door de Rechtbank aan de orde stelt en voor de toetsing daarvan is in de cassatieprocedure geen ruimte. Blijkens de bewoordingen van art. 79 RO is cassatie wegens schending van het recht van vreemde staten uitgesloten. De steller van het middel beroept zich op de toepassing van de (ook in het kader van het verzoek tot overname door de Belgische autoriteiten overgelegde) in België geldende Wet van 17 mei 2006 betreffende de externe rechtspositie van de veroordeelden tot een vrijheidsstraf en de aan het slachtoffer toegekende rechten in het raam van de strafuitvoeringsmodaliteiten (WER). Blijkens een zich bij de stukken bevindende brief van 18 november 2011 van de Federale Overheidsdienst Justitie is deze wet van 2006 van toepassing. Ten tijde van de bestreden beslissing van de Rechtbank was de wet op een niet onbelangrijk punt gewijzigd. Die wijziging houdt in dat de veroordeelde schriftelijk om VI moet verzoeken en er dus anders dan in het verleden niet vanuit kan gaan dat de VI in voorkomend geval zal worden toegepast. Over de mogelijkheid een verzoek te doen moet de directeur van de penitentiaire inrichting de veroordeelde zes maanden voor de VI-datum inlichten. Zowel de regeling van 2006 al die van 2013 houdt, voor zover ik kan overzien, niet in dat na de VI-datum een procedure die zes maanden in beslag neemt gaat lopen dan wel de daarvoor gestarte procedure telkens nog zes maanden in beslag neemt. Integendeel in beide regelingen lijkt de procedure zo ingericht dat een beslissing kan worden genomen omstreeks de VI-datum. Hoewel in de praktijk de beslissing doorgaans maanden later wordt genomen, heeft de steller van het middel een punt als hij stelt dat de berekening van de Rechtbank waarin bij de VI-datum (ongeveer) zes maanden wordt opgeteld niet (zonder meer) uit het verzoek en de daarbij overgelegde Belgische wetgeving valt af te leiden.

20. Naar ik meen is er hier echter sprake van een evidente misslag en daarmee niet van toepassing van vreemd recht, maar van een feitelijke kwestie. Vernietiging wegens onbegrijpelijkheid kan nu het een feitelijke kwestie betreft in het vizier komen. Als de Hoge Raad met mij meent dat van een feitelijke kwestie sprake is, behoeft geen cassatie te volgen, maar kan worden geconstateerd dat er sprake is van een evidente misslag en kan de Hoge Raad de zaak afdoen door 167 dagen in mindering te brengen op de opgelegde straf.

21. Het tweede middeltreft doel, maar behoeft niet tot cassatie te leiden..

22. Het derde middel klaagt over schending van de artt. 31 Wots en 57 en 63 Wetboek van Strafrecht, omdat de Rechtbank bij de omzetting van de Belgische straf geen rekening heeft gehouden met het vonnis van het Landgericht Oldenburg.

23. Voor zover voor de beoordeling van het middel van belang heeft de Rechtbank in het bestreden vonnis als volgt overwogen:

“De raadsman meent verder dat - in geval de rechtbank oordeelt dat geen sprake is van schending van het 'ne bis in idem’ beginsel - zich een situatie voordoet als bedoeld in artikel 63 van het Wetboek van strafrecht (Sr) en dat dan de regeling van artikel 57 Sr van toepassing is. Dit zou betekenen dat voor de Duitse en de onderhavige Belgische zaak één hypothetische en gemaximeerde straf moet worden bepaald. Onder rechtsoverweging 3 heeft de rechtbank reeds geoordeeld dat geen sprake is van schending van het 'ne bis in idem' beginsel. Het subsidiaire verweer van de raadsman faalt eveneens. Artikel 63 Sr is niet van toepassing bij het omzetten van een straf op grond van artikel 31 WOTS (zie HR 27 maart 1990, NJ 1990/799). Artikel 63 Sr is geschreven voor situaties waarin een verdachte wordt veroordeeld. Dit artikel is niet van toepassing op een situatie als de onderhavige, omdat thans sprake is van een overdracht van de tenuitvoerlegging van een strafvonnis, waarbij de strafoplegging al in een eerder stadium heeft plaatsgevonden. Dit betekent tevens dat artikel 57 Sr niet dient te worden toegepast in de zin die de raadsman aanvoert.”

24. Met een beroep op de noot van ’t Hart onder het hierboven onder punt 23 vermelde arrest van de Hoge Raad en onder verwijzing naar ECLI:NL:HR:2009:BG9198 bepleit de steller van het middel heroverweging van de lijn in de rechtspraak dat bij de omzetting geen rekening behoeft te worden gehouden met buitenlandse veroordelingen. “De steeds verder gaande Europese integratie op strafrechtelijk vlak dient ook zijn weerslag te hebben op de rechtswaarborgen voor verdachten en veroordeelden: het kan niet zo zijn dat de grenzen niet meer bestaan als er veroordelingen moeten worden overgenomen, maar nog wel als het gaat om bescherming tegen ongebreidelde cumulatie van straffen”, aldus de steller van het middel.

25. De steller van het middel meent weliswaar dat 23 (inmiddels 25) jaar na het arrest uit 1990 aan de argumentatie van ’t Hart gelet op de verdergaande Europese integratie op strafrechtelijk vlak steeds meer gewicht toekomt, maar hij lijkt over het hoofd te zien dat de HR nog in 2009 als volgt (zie met name de tweede geciteerde volzin) oordeelde:

“Indien bij een buitenlandse rechterlijke beslissing aan de verdachte straf is opgelegd, levert die strafoplegging niet een veroordeling op als bedoeld in art. 63 Sr. De ontwikkelingen op het gebied van de Europese strafrechtelijke samenwerking nopen niet tot een ander oordeel.”

26. Mijn ambtgenoot Machielse heeft zich in de conclusie voor dat arrest uit 2009 op goede grond op het standpunt gesteld dat het ontwikkelen van een systeem waarin de rechter in het kader van artikel 63 Sr ook rekening zou moeten houden met eerder in het buitenland opgelegde straffen de rechtsvormende taak van de rechter te buiten gaat. Ik wijs er bovendien nog op dat het Antwerpse Hof arrest heeft gewezen in 2011, dat de veroordeelde in die procedure van rechtsbijstand was voorzien en dat er in die procedure de gelegenheid is geweest te bepleiten rekening te houden met het Oldenburgse vonnis waarvan inmiddels ook bekend was dat het in Nederland (voortgezet) zou worden tenuitvoergelegd. Ook dat is een reden om de Belgische straf niet alsnog aan te passen in verband met het Duitse vonnis.

27. Het derde middeltreft geen doel.

28. Het vierde middel klaagt over schending van art. 31 Wots en art. 6 EVRM, omdat de Rechtbank in het bestreden arrest ten onrechte het verweer heeft verworpen dat bij de strafoplegging rekening moet worden gehouden met de overschrijding van de redelijke termijn bij de berechting door het Hof Antwerpen in hoger beroep.

29. Het bestreden vonnis bevat in dit verband de volgende overweging:

“De door de raadsman aangedragen omstandigheid dat de Belgische rechter geen enkele consequentie heeft verbonden aan de overschrijding van de redelijke termijn tijdens het hoger beroep, behoeft naar het oordeel van de rechtbank geen consequenties te hebben voor de naar Nederlandse maatstaven vast te stellen strafmaat. De officier van justitie heeft terecht aangevoerd dat dit verweer eerder in België aangedragen had moeten worden, zodat het verweer als tardief zijnde door de rechtbank wordt verworpen.”

30. De redelijke termijn als bedoeld in art. 6, eerste lid, EVRM is aangevangen met de betekening van de vordering van de Officier van Justitie als bedoeld in art. 18, eerste lid, Wots tot het verlenen van verlof tot tenuitvoerlegging van de door de Belgische rechter aan de betrokkene opgelegde sancties. In het oordeel van de Rechtbank ligt besloten dat een beroep op schending van de redelijke termijn in de Belgische appelprocedure dient te worden beoordeeld door de Belgische appelrechter. Dat oordeel is juist, omdat de beoordeling van de redelijke termijn in de Nederlandse procedure beperkt is tot de periode na het vorderen van verlof. Het oordeel van de Rechtbank moet zo worden gelezen dat overschrijding van de redelijke termijn in de Belgische appelprocedure geen consequenties heeft voor de naar Nederlandse maatstaven vast te stellen strafmaat, maar zulks sluit niet uit dat tijdsverloop sinds het plegen van de feiten, maar ook ten gevolge van de berechting in het buitenland één van de factoren is die bij de vaststellen van de Nederlandse straf in aanmerking kan worden genomen. De exequaturrechter is in het algemeen niet gehouden te verantwoorden welk gewicht zo’n factor nu precies in de schaal heeft gelegd. De steller van het middel kan worden toegeven dat de door de Rechtbank gebezigde formulering misverstand kan oproepen.

31. De slotsom is dat ook het vierde middelniet tot cassatie behoeft te leiden.

32. Het tweede middel treft doel. De Hoge Raad kan volstaan met verlaging van de straf met 167 dagen. De overige middelen kunnen niet tot cassatie leiden en kunnen worden afgedaan met de aan art. 81, eerste lid, RO ontleende formulering. Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot cassatie behoren te leiden.

33. Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden uitspraak, maar uitsluitend wat betreft de duur van de opgelegde gevangenisstraf,

tot vermindering van die straf met 167 dagen en voor het overige tot verwerping van het beroep.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?