ECLI:NL:PHR:2015:2711

ECLI:NL:PHR:2015:2711, Parket bij de Hoge Raad, 22-12-2015, 15/00948

Instantie Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak 22-12-2015
Datum publicatie Onbekend
Zaaknummer 15/00948
Rechtsgebied Strafrecht
Gerelateerde zaken
Formele relatie: ECLI:NL:HR:2016:401
Jurisprudentie Netwerk (LiDo)
Verwijst naar 1 zaken
Aangehaald door 1 zaken
1 wettelijke verwijzingen

Verwijst naar

Aangehaald door

Wettelijke verwijzingen

BWBR0001854

Samenvatting

Herroeping voorwaardelijke invrijheidstelling (VI), einde proeftijd? De stelling dat de proeftijd reeds was verstreken op het moment dat de strafbare feiten zijn gepleegd op grond waarvan de vordering tot herroeping van de VI is gedaan, vergt, mede gelet op het bepaalde in art. 15c.4 Sr dat de proeftijd niet loopt gedurende de tijd dat de veroordeelde rechtens zijn vrijheid is ontnomen, een onderzoek van feitelijke aard, zodat daarop niet voor het eerst in cassatie met vrucht een beroep kan worden gedaan. Het Hof behoefde in dit geval ook niet te laten blijken of het heeft onderzocht of de strafbare feiten (mogelijk) na afloop van de proeftijd zijn gepleegd, mede gelet op het door de verdediging in hoger beroep ingenomen standpunt dat “formeel gezien de voorwaardelijke invrijheidstelling kan worden herroepen”.

Uitspraak

meldplicht en houden aan aanwijzingen

[…]

behandelverplichting - Ambulante behandeling

[…]

opname in een instelling voor begeleid wonen of maatschappelijke opvang

[…]

[…]”

11. Het hof heeft bij arrest van 5 december 2014 de overwegingen van de rechtbank als volgt aangevuld:

“De raadsman heeft ter terechtzitting in hoger beroep aangevoerd dat de verdachte in de zaak met zaaknummer 99-000030-14 in Duitsland tot een gevangenisstraf van 4 jaar is veroordeeld wegens invoer van cocaïne. De verdachte heeft van deze straf 2,5 jaar uitgezeten. Volgens de raadsman is de verdachte naar Nederlandse maatstaven zeer zwaar gestraft; bij een veroordeling in Nederland voor een vergelijkbaar feit, zou slechts een relatief gering deel van de uitgezeten gevangenisstraf als sanctie zijn opgelegd. De raadsman is van oordeel dat weliswaar formeel gezien de voorwaardelijke invrijheidstelling kan worden herroepen, maar dat er gelet op het voorgaande materieel reden is voor afwijzing van de vordering. De verdachte zou als gevolg van de herroeping zijn woning verliezen dit terwijl hij deze met veel moeite heeft gekregen.

Het hof overweegt hieromtrent dat hetgeen de raadsman heeft aangevoerd zich richt tegen de ‘omzetting’ en de tenuitvoerlegging in Nederland van de in Duitsland opgelegde straf. Dergelijke bezwaren (hadden) kunnen worden ingebracht in de WOTS (Wet overdracht tenuitvoerlegging strafvonnissen)-procedure, maar hebben geen relevantie in het kader van de beoordeling van de vordering tot herroeping van de voorwaardelijke invrijheidstelling. Het hof gaat dan ook voorbij aan hetgeen door de raadsman op dit punt is betoogd. Overigens ziet het hof geen aanleiding de vordering toe te wijzen zoals door de advocaat-generaal is verzocht.”

12. De relevante wetsbepalingen uit het Wetboek van Strafrecht luiden:

“Artikel 15 Sr

1. […]

2. De veroordeelde tot tijdelijke gevangenisstraf van meer dan twee jaren wordt voorwaardelijk in vrijheid gesteld wanneer hij tweederde gedeelte daarvan heeft ondergaan.

3. […]

4. Voor de toepassing van het eerste en het tweede lid wordt de tijd die door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van de uitspraak in verzekering, in voorlopige hechtenis of in detentie in het buitenland ingevolge een Nederlands verzoek om uitlevering is doorgebracht onder de termijn begrepen, tenzij die tijd, met toepassing van artikel 68, eerste lid, laatste volzin, van het Wetboek van Strafvordering, reeds in mindering is gebracht op een andere straf die de veroordeelde heeft ondergaan.

[…]”

“Artikel 15a Sr (in de voor verdachte meer gunstige versie van vóór de inwerkingtreding van de Wet identiteitsvaststelling verdachten, veroordeelden en getuigen per 1 oktober 2010)

1. De voorwaardelijke invrijheidstelling geschiedt onder de algemene voorwaarde dat de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit.

2. Aan de voorwaardelijke invrijheidstelling kunnen daarnaast bijzondere voorwaarden betreffende het gedrag van de veroordeelde worden gesteld.

[…]”

“Artikel 15c Sr

1. De proeftijd gaat in op de dag van de voorwaardelijke invrijheidstelling.

2. De proeftijd van de algemene voorwaarde is gelijk aan de periode waarover voorwaardelijke invrijheidstelling wordt verleend, maar bedraagt ten minste een jaar.

3. De proeftijd van een bijzondere voorwaarde wordt door het openbaar ministerie vastgesteld, maar is ten hoogste gelijk aan de periode waarover voorwaardelijke invrijheidstelling wordt verleend.

4. De proeftijd loopt niet gedurende de tijd dat de veroordeelde rechtens zijn vrijheid is ontnomen.”

13. Met betrekking tot de tenuitvoerlegging van de Duitse veroordeling tot een gevangenisstraf van vier jaar, geldt dat de verdachte sinds 2 april 2009 gedetineerd was. Tweederde van vier jaar zou op 1 december 2011 zijn verlopen, terwijl het einde van de straftijd op 1 april 2013 zou zijn. Zo stond het ook vermeld in de last tot tenuitvoerlegging van 5 oktober 2010 van de officier van justitie te Amsterdam. De proeftijd, zijnde de periode waarover voorwaardelijke invrijheidstelling werd verleend (1 december 2011 t/m 1 april 2013), beliep dus oorspronkelijk 487 dagen.

14. Blijkens het Besluit voorwaardelijke invrijheidstelling van het Openbaar Ministerie van 30 november 2011 werd de verdachte uiteindelijk niet op 1 december 2011, maar op 11 december 2011 in vrijheid gesteld en beliep zijn proeftijd niet 487 dagen, maar 567 dagen. De oorzaak daarvan laat zich raden, wanneer het uittreksel uit de justitiële documentatie van de verdachte (UJD) van 12 november 2014 wordt geraadpleegd. Hierin staat dat de verdachte op 12 mei 2009, toen hij dus preventief gedetineerd was in Duitsland, door het hof Amsterdam is veroordeeld tot een gevangenisstraf van acht maanden wegens oplichting en flessentrekkerij (zaak 23-005558-08, rechtsmiddel van 13-447624-08). In die zaak was de verdachte eind 2008, begin 2009 al 150 dagen, oftewel 5 maanden, preventief gedetineerd geweest (UJD, p. 6 van 18 onderaan en p. 8 van 18 bovenaan). Ingevolge artikel 15, vijfde lid, Sr worden verschillende gevangenisstraffen zoveel mogelijk aaneengesloten tenuitvoergelegd en worden die gevangenisstraf voor de toepassing van de bepalingen met betrekking tot de voorwaardelijke invrijheidstelling als één vrijheidsstraf aangemerkt. Wanneer de gevangenisstraf van vier jaren en de gevangenisstraf van acht maanden bij elkaar worden opgeteld, kom ik (na aftrek van het voorarrest in beide zaken) inderdaad uit op een invrijheidstelling op 11 december 2011 en een proeftijd van 567 dagen. Dat betekent dat de proeftijd in beginsel op 30 juni 2013 zou zijn geëindigd, zoals de steller van het middel stelt.

15. De omstandigheid dat de proeftijd volgens het Openbaar Ministerie nog niet verlopen was op 24 juli 2013, de dag waarop de nieuwe feiten werden gepleegd, doet de vraag rijzen of de verdachte gedurende zijn proeftijd van 567 dagen wellicht alsnog gedetineerd is geweest. De proeftijd loopt immers niet gedurende de tijd dat een veroordeelde van zijn vrijheid is ontnomen. Dit is niet expliciet gemaakt in de vordering tot herroeping van de voorwaardelijke invrijheidstelling van 7 oktober 2013, het vonnis van de rechtbank van 5 november 2013 of het arrest van het hof van 5 december 2013. In de UJD van 12 november 2014 zie ik wel de volgende vermeldingen die wijzen op een (mogelijke) detentie in de periode van 11 december 2011 tot 30 juni 2013:

16. Aan de hand van het UJD van 12 november 2014 is wel te beredeneren waarom de voorwaardelijke invrijheidstelling aanvankelijk 10 dagen is uitgesteld en de proeftijd 80 dagen langer is geworden. Uit het UJD zou ook wel kunnen worden afgeleid dat de verdachte voor het einde van de proeftijd ten minste een maand gedetineerd is geweest, zodat die proeftijd met ten minste een maand is verlengd. De nieuwe feiten van 24 juli 2013 zijn dan dus wel binnen de proeftijd gepleegd, zodat er grond was om de voorwaardelijke invrijheidstelling te herroepen. De reconstructie is echter slechts mogelijk als er blind gevaren wordt op het UJD. Of de gegevens uit het UJD foutloos zijn en of ik hierboven een juiste lezing van die gegevens heb gegeven, is niet met zekerheid te zeggen. Het gaat om een feitelijke beoordeling, die niet in de cassatiefase kan plaatsvinden. Het is aan de feitenrechter om duidelijk te maken dat er een grond is voor herroeping van de voorwaardelijke invrijheidstelling. Zonder nadere motivering, die ontbreekt, is in de onderhavige zaak niet zonder meer duidelijk dat die grond er is. Het middel, dat daarover klaagt, is mijns inziens dan ook terecht voorgesteld.

17. Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.

18. Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden uitspraak, maar dan uitsluitend ten aanzien van de beslissing op de vordering tot herroeping van de voorwaardelijke invrijheidstelling.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?