De veroordeling waarop het middel betrekking heeft
5. Ten laste van de verdachte heeft het hof bewezen verklaard dat
“hij op 23 mei 2012 te Amsterdam geen voldoende zorg heeft gedragen voor het onschadelijk houden van onder zijn hoede staande gevaarlijke dieren, te weten twee honden, zijnde een pitbull en een rottweiler, immers hebben voornoemde honden [slachtoffer] meermalen met kracht gebeten en aangevallen, terwijl verdachte voornoemde honden onaangelijnd en ongemuilkorfd op de openbare weg heeft laten verblijven, terwijl verdachte wist dat voornoemde honden eerder een persoon hadden gebeten en aangevallen.”
6. Uit de door het hof gebruikte bewijsmiddelen blijkt dat twee honden die eigendom zijn van de verdachte – een pitt bull terrier en een rottweiler – op straat een man hebben gebeten. Terwijl het latere slachtoffer [slachtoffer] op straat was om iets uit zijn daar geparkeerde auto te pakken, is hij eerst aangevallen door de pit bull terrier. Die heeft hem in zijn linker arm gebeten waarna het slachtoffer op de grond is gevallen. Eenmaal op de grond heeft ook de rottweiler hem aangevallen en het slachtoffer op meerdere plekken gebeten, weer los gelaten en opnieuw gebeten. Nadat het slachtoffer met zijn linker arm zwaaide, heeft de pitbull losgelaten maar het slachtoffer vervolgens in zijn linker onderbeen gebeten. De honden hebben het slachtoffer losgelaten toen het alarm van een scooter is afgegaan. De honden zijn vervolgens vastgepakt door de broer van de verdachte en een andere man, en meegenomen naar de woning van de broer van de verdachte aan de [a-straat] 48-1 te Amsterdam.
7. Uit de door het hof gebruikte bewijsmiddelen blijkt niet of de verdachte zich ten tijde van het bewezenverklaarde feit bevond aan de [a-straat] 48-1 te Amsterdam. Evenmin kan daaruit blijken of de verdachte daar woont. Uit de persoonsgegevens die in het arrest zijn vermeld blijkt dat de verdachte woont aan de [b-straat] 192-H te Amsterdam. Met een blik over de papieren muur merk ik op dat de verdachte, naar aanleiding van het bijtincident dat in cassatie aan de orde is, is aangehouden in de woning van zijn broer.
8. Verder is van belang dat uit de door het hof gebruikte bewijsmiddelen in het arrest blijkt dat de verdachte de eigenaar van de honden is. Ook volgt daaruit dat de verdachte wist dat beide honden tweemaal eerder iemand hadden gebeten, namelijk in november 2011 en op 12 april 2012. De verdachte heeft de tweede keer het slachtoffer gesmeekt geen aangifte te doen en hem de schade vergoed.
9. Met betrekking tot de verantwoordelijkheid van de verdachte voor de honden, heeft het hof in zijn arrest het volgende overwogen:
“Op 23 mei 2012 heeft [slachtoffer] aangifte gedaan. Hij is die dag door een pitbull aangevallen toen hij naar zijn auto liep die in de [a-straat] te Amsterdam stond geparkeerd. Deze pitbull hing aan de arm van [slachtoffer]. Een man van Marokkaanse afkomst riep daarop: "Rocky, kom hier". De pitbull liet echter niet los. [slachtoffer] viel vervolgens op de grond, waarna hij ook door een andere hond, een rottweiler, werd aangevallen. Toen beide honden hem op een gegeven moment loslieten, werden deze door eerdergenoemde man en een andere man van Marokkaanse afkomst vastgepakt en het portiek van [a-straat] 48 binnengebracht (dossierpagina 8 e.v.).
Gezien voornoemde aangifte, in onderling verband en samenhang bezien met de volgende feiten en omstandigheden, te weten:
- dat verbalisant [verbalisant 2] op 4 mei 2012 op het adres [a-straat] 48-1 te Amsterdam (het hof begrijpt twee honden met de respectievelijke soort duiding) een Amerikaanse Stafford, genaamd Rocky, en een rottweiler, genaamd Rambo, heeft waargenomen en dat [betrokkene], zijnde een broer van de verdachte, toen heeft verklaard dat Rocky en Rambo van de verdachte zijn (dossierpagina 54);
- dat de verdachte op 6 mei 2012 heeft verklaard dat (het hof begrijpt honden genaamd) Rocky en Rambo inderdaad van hem zijn (dossierpagina 55);
- dat de verdachte ter terechtzitting in eerste aanleg van 11 juli 2013 voorts heeft verklaard dat hij de enige Marokkaan in de buurt is met honden en dat Rocky en Rambo bij zijn broers verblijven op het adres [a-straat] 48-1 te Amsterdam,
leidt het hof af dat het de honden van de verdachte moeten zijn geweest die het slachtoffer [slachtoffer] hebben aangevallen en gebeten op 23 mei 2012. Het verweer van de verdediging dat dit niet kan worden vastgesteld, wordt daarmee verworpen. Gezien het voorgaande gaat het hof er eveneens van uit dat deze honden onder de hoede van de verdachte stonden. Dat niet kan worden vastgesteld dat de verdachte bij het bijtincident op 23 mei 2012 aanwezig is geweest, doet daar niet aan af. De verdachte was op dat moment namelijk de eigenaar van deze honden, terwijl niet is gesteld of gebleken dat de feitelijke verantwoordelijkheid en verzorging van die honden op dat moment op iemand anders rustte dan de verdachte.”
In cassatie is de vraag aan de orde of de honden “onder de hoede” van de verdachte stonden, zodat ik de overwegingen van het hof inzake de gevaarlijkheid van de honden hier verder achterwege laat.
Overtreding van artikel 425 Sr
10. Het hof heeft het bewezen verklaarde gekwalificeerd als “onvoldoende zorg dragen voor een onder zijn hoede staand dier, tweemaal gepleegd”. Dit is een overtreding van artikel 425 Sr dat ten tijde van de bewezen verklaarde feiten, en ook nu nog, als volgt luidt:
“Met hechtenis van ten hoogste zes maanden of geldboete van de derde categorie wordt gestraft:1°. hij die een dier op een mens aanhitst of een onder zijn hoede staand dier, wanneer het een mens aanvalt, niet terughoudt;
2°. hij die geen voldoende zorg draagt voor het onschadelijk houden van een onder zijn hoede staand gevaarlijk dier.”
Uitleg van het bestanddeel “onder zijn hoede”
11. Bij de parlementaire voorbereiding van het Wetboek van Strafrecht is niet ingegaan op de betekenis van het bestanddeel “onder zijn hoede” zoals dat is opgenomen in artikel 425 onder 2° Sr. In het oorspronkelijk regeringsontwerp was de toen ook al onder 2° opgenomen verplichting gevaarlijke dieren onschadelijk te houden niet beperkt tot degeen onder wiens toezicht het dier stond maar onbeperkt geformuleerd. De toen als artikel 479 Sr van het oorspronkelijk regeringsontwerp voorgestelde bepaling luidt als volgt:
“Met hechtenis van ten hoogste drie dagen of geldboete van ten hoogste tien gulden wordt gestraft:1. hij die een dier of een mensch aanhitst of een onder zijne hoede staand dier, wanneer het een mensch aanvalt, niet terughoudt;2. hij die geene voldoende zorg draagt voor het onschadelijk houden van gevaarlijke dieren.”
12. Een toelichting op dit onderscheid heb ik in de kamerstukken niet gevonden. Uit de notulen van de werkzaamheden van de Commissie De Wal en de daarbij horende bijlagen valt op te maken dat beide onderdelen aanvankelijk als afzonderlijke artikelen waren opgesteld en dat deze uiteindelijk zijn samengevoegd.
13. Bij de parlementaire voorbereiding van het Wetboek van Strafrecht is wel ingegaan op het bestanddeel “onder zijn hoede” zoals dat ook in het oorspronkelijk regeringsonwerp was opgenomen in artikel 425 onder 1° Sr. In dat onderdeel zijn twee gedragingen strafbaar gesteld: het aanhitsen en het niet terughouden van een dier. Bij de bespreking van dat onderscheid komt ook de positie van de eigenaar van het dier aan de orde. De memorie van toelichting houdt het volgende in:
“Tusschen aanhitsen en niet terughouden wordt in het ontwerp, voor zooveel de betrekking tusschen den dader en het dier betreft, een onderscheid gemaakt dat in den Code Penal verwaarloosd was. Van aanhitsen heeft ieder, ook hij die tot het dier in geenerlei betrekking staat, zich te onthouden; tot het terughouden is alleen hij verpligt, die het dier hetzij als eigenaar, hetzij slechts tijdelijk onder zijn hoede heeft.”
14. Waar het voor de uitleg van het bestanddeel “onder zijn hoede” in artikel 425 onder 1° Sr om gaat, is dat de verplichting om een dier terug te houden indien het een mens aanvalt, rust op degene die het dier “hetzij als eigenaar hetzij slechts tijdelijk onder zijn hoede heeft”. Staat hier dat die verplichting tot terughouden rust op de eigenaar als zodanig naast de verplichting voor degene die het dier – anders dan de eigenaar – tijdelijk onder zijn hoede heeft? Zo mag de toelichting naar mijn mening niet worden begrepen. Alleen diegene die fysiek aanwezig is wanneer het dier een mens aanvalt, is immers tot terughouden van dat dier in staat en er daarom toe verplicht. Dit sluit aan bij de uitleg die de Hoge Raad aan dit onderdeel van de strafbaarstelling heeft gegeven. In zijn arrest van 22 juni 1987 overwoog de Hoge Raad dat de verplichting tot terughouden van een dier dat een mens aanvalt, aanvangt zodra de aanval zich openbaart en voortduurt totdat het gevaar voor voortzetting of herhaling van de aanval is geweken. Hieruit kan worden afgeleid dat voor het “onder zijn hoede hebben” fysieke aanwezigheid vereist is. Op basis van artikel 425 onder 1˚ Sr is dus de eigenaar alleen strafbaar voor “het niet terughouden” als hij het dier “onder zijn hoede heeft”.
15. De interne systematiek en consistentie van artikel 425 Sr brengt mee dat deze uitleg ook geldt voor het bestanddeel “onder zijn hoede hebben” dat in hetzelfde artikel ook in het tweede lid is opgenomen. Zo uitgelegd bevat artikel 425 onder 2˚ Sr geen algemene verplichting voor de eigenaar van een gevaarlijke hond, voldoende zorg te dragen voor het onschadelijk houden van “zijn” hond. Die verplichting rust op degene die de hond onder zijn hoede heeft, en dat zou in het concrete geval uiteraard ook de eigenaar kunnen zijn.
16. Voor de invulling die aan het bestanddeel “onder zijn hoede” in artikel 425 onder 2˚ Sr wordt gegeven is de navolgende jurisprudentie van belang.
17. In zijn arrest van 16 januari 1928 heeft De Hoge Raad het bestanddeel “onder zijn hoede” uitgelegd als onder “zijn feitelijk toezicht”. Onder verwijzing naar dit arrest schrijft Machielse dat men onder “hoede” zal moeten verstaan “feitelijk toezicht”. Voor het uitoefenen van feitelijk toezicht lijkt mij vereist dat de verdachte in de nabijheid van de hond moet zijn. Voor een dergelijke uitleg pleit ook de verplichting in artikel 425 onder 2° Sr er voldoende zorg voor te dragen het dier onschadelijk te houden hetgeen de mogelijkheid impliceert om daadwerkelijk in te grijpen.
18. Natuurlijk kunnen ook loslopende dieren onder iemands hoede staan. Schapen hoeden is een even illustratief als sprekend voorbeeld. Voor koeien kan hetzelfde worden aangenomen. Hieruit volgt “dat loslopende dieren (in casu honden) toch onder iemands hoede kunnen staan”, zoals De Lange opmerkt met een beroep op HR 28 februari 1989. De Lange leest daarin kennelijk een tegenstelling met “een oud arrest” waarmee hij waarschijnlijk het hierboven genoemde arrest van 16 januari 1928 bedoelt. Bij beide arresten sta ik eerst stil.
19. Uit de bewezenverklaring zoals die is opgenomen in het arrest van 28 februari 1989 blijkt dat de verdachte twee herdershonden onder zijn hoede heeft gehad die schapen en lammeren dodelijk hebben gebeten of enkele schapen en lammeren in sloten hebben gejaagd waar deze zijn verdronken. Waar de verdachte zich ten opzichte van die herdershonden bevond, kan uit het arrest niet worden opgemaakt. Het lijkt mij niet aannemelijk dat de verdachte beide herdershonden had aangelijnd, maar wel dat hij als herder de schapen hoedde met behulp van de herdershonden. Hieruit zou naar mijn mening inderdaad kunnen worden opgemaakt dat de verdachte de herdershonden niet had aangelijnd maar ik zie geen tegenstelling tussen het vereiste van feitelijke toezicht en het laten loslopen van herdershonden. Toezicht kan ook worden uitgeoefend op enige afstand van dieren.
20. Ook uit de zaak die ten grondslag lag aan het arrest van 16 januari 1928 valt op te maken dat het gevaarlijk geachte dier los liep. De verdachte in die zaak was de vader van de veertienjarige Pieter Vollaard die “zoals gewoonlijk” een vijftal koeien hoedde op de Klein Cromstrijenschen dijk onder Klaaswaal. Eén van die koeien heeft daar Willempje van der Jagt aangevallen en met de horens een stoot in haar linker zij gegeven. De Hoge Raad overwoog dat uit de door het hof gebruikte bewijsmiddelen (ik gebruik hier hedendaagse termen) wel blijkt dat de verdachte “zelf ter plaatse niet aanwezig [was], zijn veertienjarige zoontje P. Vollaard met het toezicht over de in de telastlegging bedoelde gevaarlijke koe […] had belast, doch die [bewijsmiddelen] niets behelzen omtrent het feit dat hij op tijd en plaats voormeld de bedoelde koe in den zin van art. 425 Sr. onder zijn ‘hoede’, dat is zijn feitelijk toezicht, heeft gehad”. Als ik het goed zie, is dit het enige arrest waarin de Hoge Raad het bestanddeel “onder zijn hoede” uit artikel 425 onder 2° Sr uitdrukkelijk heeft uitgelegd.
21. Tussen beide arresten zie ik geen uiteenlopende benadering van het bestanddeel “onder zijn hoede” als bedoeld in artikel 425 onder 2° Sr omdat beide zaken betrekking hebben op gevaarlijke dieren die loslopen. Het loslopen van de gevaarlijke dieren sluit niet uit dat de verdachte het dier onder zijn hoede had als bedoeld in artikel 425 onder 2° Sr.
22. Een ruimere uitleg van het begrip “onder zijn hoede” lijkt echter wel ten grondslag te liggen aan de zaak die leidde tot het vonnis van de Rechtbank Amsterdam van 8 november 1927. Uit het vonnis blijkt slechts dat de Rechtbank artikel 425 onder 2° Sr van toepassing oordeelde omdat de honden bij de verdachte thuis hoorden. De Rechtbank overwoog “dat de hond onder de hoede van verdachte stond, daar uit de voorgeschreven verklaringen van verdachte en van de getuigen, in onderling verband beschouwd, blijkt, dat de hond in verdachte’s woning thuis behoorde”. Hierbij merk ik op dat uit het gepubliceerde vonnis niet blijkt dat de verdachte de eigenaar was van de honden.
23. De gepubliceerde rechtspraak biedt het volgende beeld: uit veel zaken blijkt dat artikel 425 onder 2° Sr is toegepast op degene die zich – op enig moment betrekkelijk kort voorafgaand aan het incident – bij de hond bevond. Alleen uit het hierna nog te noemen arrest van de Hoge Raad van 16 januari 1922 zou kunnen worden opgemaakt dat het niet voldoende zorg dragen, ook mag worden aangenomen als de verdachte de hond in het concrete geval niet in zijn macht of onder zijn appel had.
Bevindingen
24. Uit het bovenstaande volgt dat de eigenaar van een dier dat dier niet per definitie onder zijn hoede heeft. Daarvoor is “feitelijk toezicht” vereist. Het enkele laten loslopen van een dier betekent niet dat het dier niet meer onder zijn hoede is, maar dan zal op basis van andere feiten en omstandigheden moeten blijken op grond waarvan de verdachte feitelijk toezicht uitoefende over het dier en het dier dus onder zijn hoede had.
25. Dat betekent dat het zijn van eigenaar onvoldoende is om aansprakelijkheid op basis van artikel 425 onder 2° Sr aan te nemen, omdat de eigendom in artikel 425 onder 2° Sr niet als maatstaf wordt aangewezen.
26. De verplichting van artikel 425 onder 2° Sr is bovendien persoonsgebonden. De Hoge Raad wijst ook op die persoonlijke aanwezigheid in zijn arrest van 16 januari 1922 dat hierboven werd genoemd, dat betrekking heeft op het vereiste dat de verdachte het dier “al dan niet in zijn macht en onder appèl” heeft. Voor de strafbaarheid op basis van artikel 425 onder 2° Sr is weliswaar niet doorslaggevend of de verdachte het dier in het concrete geval in zijn macht en onder appel had, maar dat hij dat in het concrete geval had moeten hebben omdat hij het onder toezicht had, en daarvoor is feitelijk toezicht vereist. Uit de persoonsgebonden verplichting volgt naar mijn mening dat een functionele uitleg is uitgesloten.
Beoordeling van de onderhavige uitspraak
27. Het hof heeft vastgesteld dat de honden zich onder de hoede van de verdachte bevonden op basis van het feit dat (1) de verdachte de eigenaar is van de honden; (2) een hondengeleider de verdachte heeft aangezegd dat de honden degelijk aangelijnd dienen te worden; terwijl (3) niet is gesteld noch is gebleken dat de feitelijke verantwoordelijkheid en verzorging van die honden op dat moment op iemand anders rustte dan de verdachte.
28. Dat de verdachte “feitelijk toezicht” uitoefende, heeft het hof niet vastgesteld. Eigenaarschap is, zoals hiervoor is betoogd, onvoldoende om aan te nemen dat verdachte de honden “onder zijn hoede” had in de betekenis van artikel 425 onder 2° Sr. Het hof heeft bij de uitleg van het bestanddeel “onder zijn hoede” een verkeerde maatstaf aangelegd, zodat alleen al op grond daarvan het middel slaagt en het arrest niet in stand kan blijven. De overige klachten zal ik daarom niet bespreken. Mocht de Hoge Raad hierover anders oordelen dan wordt ik graag in de gelegenheid gesteld aanvullend te concluderen.
29. Het middel is terecht voorgesteld.
30. Ambtshalve heb ik geen grond aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoort te geven.
31. Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden uitspraak, maar uitsluitend voor wat betreft de beslissing in zaak B en tot terugwijzing van de zaak ten einde op het bestaande beroep te worden berecht en afgedaan.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG