ECLI:NL:PHR:2015:315

ECLI:NL:PHR:2015:315, Parket bij de Hoge Raad, 20-03-2015, 14/00946

Instantie Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak 20-03-2015
Datum publicatie Onbekend
Zaaknummer 14/00946
Rechtsgebied Civiel recht
Gerelateerde zaken
Formele relatie: ECLI:NL:HR:2015:1686
Jurisprudentie Netwerk (LiDo)
Verwijst naar 1 zaken
Aangehaald door 1 zaken
3 wettelijke verwijzingen

Verwijst naar

Aangehaald door

Wettelijke verwijzingen

BWBR0001827 BWBR0001830 BWBR0005291

Samenvatting

Art. 81 lid 1 RO. Onrechtmatige overheidsdaad. Verjaring, art. 3:310 lid 1 BW. Stuiting.

Uitspraak

2. Bespreking van de cassatiemiddelen

[eiser] heeft vier middelen van cassatie voorgesteld.

Middel 1 is blijkens de cassatiedagvaarding (onder 10) gericht tegen rov. 3 van het bestreden arrest:

“3. Bij het bestreden vonnis heeft de kantonrechter de vordering afgewezen. Naar het oordeel van de kantonrechter is de vordering van [eiser] verjaard. Hiertegen richten zich de grieven. De grieven lenen zich voor gezamenlijke behandeling.”

Naar ik uit de in de cassatiedagvaarding opgenomen toelichting op het middel opmaak, bedoelt dit in wezen te klagen over rov. 4, waarin het hof heeft vastgesteld dat de kantonrechter in hoger beroep onbestreden heeft geoordeeld dat de verjaringstermijn een aanvang heeft genomen op 29 september 2006, te weten een dag na het versturen van de brief van 28 september 2006 door [eiser] aan de “Headdirector of the IND”. Volgens het middel (onder 10, p. 5, laatste alinea) heeft het hof ten onrechte nagelaten - al dan niet ambtshalve - te onderzoeken of de onderhavige vordering wel rechtstreeks uit de brief van 28 september 2006 voortvloeit. Het middel betoogt dat [eiser] pas met zijn schade bekend is geworden op het moment dat de IND zijn klacht bij brief van 24 mei 2011 gegrond verklaarde. Pas toen stond volgens het middel vast dat de documenten in het ongerede waren geraakt en “dat [eiser] schade heeft geleden in die zin dat hij in elk geval voor een nieuw rijbewijs zal moeten zorgen”; pas toen kon [eiser], nog steeds volgens het middel, een vordering tot schadevergoeding indienen.

Het hof heeft in rov. 4 vastgesteld dat de kantonrechter onbestreden heeft overwogen dat de verjaringstermijn op 29 september 2006 een aanvang heeft genomen. [eiser] heeft in cassatie niet over die vaststelling geklaagd onder verwijzing naar eerder door hem betrokken stellingen waaruit zou volgen dat die vaststelling onjuist of onbegrijpelijk zou zijn. Reeds daarop stuit de klacht van het middel af. Overigens blijkt uit het procesdossier niet dat [eiser], anders dan het hof heeft aangenomen, het oordeel van de kantonrechter dat de verjaringstermijn op 29 september 2006 is aangevangen, in hoger beroep heeft bestreden.

Anders dan het middel lijkt te betogen, lag het niet op de weg van het hof om de (onbestreden) vaststelling van de kantonrechter met betrekking tot de aanvangsdatum van de verjaring ambtshalve te onderzoeken. De omvang van de rechtsstrijd in appel wordt immers begrensd door de tegen het vonnis in eerste aanleg gerichte grieven. Nu er geen grief was gericht tegen de vaststelling van het aanvangsmoment van de verjaring door de kantonrechter, diende het hof het vastgestelde aanvangsmoment, te weten 29 september 2006, tot uitgangspunt te nemen.

Bij dit alles teken ik aan dat, voor zover het middel aldus moet worden begrepen dat [eiser] thans bepleit dat de verjaringstermijn eerst op 25 mei 2011 (te weten de dag volgende op de dag dat de klacht van [eiser] over de hem ten onrechte gedane mededeling gegrond werd verklaard) is aangevangen, geldt dat een nieuwe stelling ten aanzien van het aanvangsmoment van de verjaring niet voor het eerst in cassatie kan worden betrokken. Een dergelijke stelling kan immers niet worden beoordeeld zonder feitelijk onderzoek, welk onderzoek aan de feitenrechter is voorbehouden.

Ten overvloede teken ik nog aan dat de in deze zaak relevante verjaringstermijn van art. 3:310 lid 1 BW aanvangt op het moment dat de benadeelde zowel met de schade als de daarvoor aansprakelijke persoon bekend is geworden. Het oordeel van de kantonrechter dat [eiser] in ieder geval op 28 september 2006 met de schade en de daarvoor aansprakelijke persoon bekend was, komt mij niet onbegrijpelijk voor. In zijn brief van die datum schrijft [eiser] immers aan de aansprakelijke rechtspersoon, de Staat, meer in het bijzonder de IND, dat hij heeft vernomen dat zijn persoonlijke documenten waren kwijtgeraakt. Op dat moment moet [eiser] (nog daargelaten dat het op 22 augustus 1998 door hem afgegeven rijbewijs reeds op 21 januari 2004 zijn geldigheid had verloren) zich hebben gerealiseerd “dat (hij) schade heeft geleden in die zin dat hij in elk geval voor een nieuwe rijbewijs zal moeten zorgen”. Vanaf dat moment moet [eiser] voorts worden geacht in staat te zijn geweest een rechtsvordering tot schadevergoeding in te stellen. Dat de brief van 28 september 2006 blijkens de cassatiedagvaarding wellicht slechts was bedoeld als opmaat tot een (bestuurlijke) klachtenprocedure en niet tot de onderhavige civiele procedure, doet aan het voorgaande niet af. Bepalend voor het ingaan van de in deze zaak geldende verjaringstermijn is blijkens art 3:310 lid 1 BW immers het moment waarop de benadeelde zowel met de schade als de daarvoor aansprakelijke persoon bekend is geworden, en niet het moment waarop de benadeelde tot het daadwerkelijk instellen van een civiele procedure besluit.

Voor zover het middel bedoelt te betogen dat het hof heeft miskend dat de klachtbrief van 26 april 2011 dient te gelden als een stuitingshandeling, teken ik ten slotte aan dat het hof (impliciet) heeft geoordeeld dat de betreffende klacht de verjaring niet heeft gestuit aangezien daarin slechts om teruggave van het rijbewijs werd gevraagd en niet tevens duidelijk werd gemaakt dat bij niet-teruggave aanspraak op schadevergoeding werd gemaakt (rov. 1.8 in samenhang met rov. 5).

Middel 2 is gericht tegen de navolgende passage in rov. 5:

“5. (…) Anders dan [eiser] is het hof voorts van oordeel dat voor een geldige stuiting van de thans in het geding zijnde vordering vereist is dat [eiser] in de betrokken brief niet slechts om teruggave van zijn rijbewijs vraagt, maar tevens duidelijk maakt dat hij bij niet-teruggave aanspraak maakt op schadevergoeding.”

Het middel klaagt dat dit oordeel zonder nadere toelichting onbegrijpelijk is.

De klacht van het middel moet mijns inziens als motiveringsklacht en niet als rechtsklacht worden opgevat. Volgens de cassatiedagvaarding onder 11 is de door het middel bestreden passage uit rov. 5 “onbegrijpelijk zonder nadere toelichting zijdens het Gerechtshof”. Ook de in de dagvaarding opgenomen toelichting onder c sluit met de opmerking dat “het Gerechtshof zijn mening onvoldoende (heeft) omkleed, zodat het arrest ter zake behoort te worden vernietigd.” Aan dit een en ander doet niet af dat de standaardformulering waarmee het middel wordt ingeleid (“Schending van het recht of verzuim van vormen (…)”) en het boven de bestreden passage geplaatste tussenkopje “Ten onrechte heeft het Gerechtshof (…)”, welk tussenkopje in de cassatiedagvaarding standaard boven ieder citaat van de bestreden rechtsoverwegingen is geplaatst, op zichzelf ook op een rechtsklacht zouden kunnen wijzen.

Zie ik het goed, dan komt het betoog in de onder 11 opgenomen toelichting sub a erop neer dat [eiser] in de betrokken brieven nakoming heeft gevraagd (aan het slot van de toelichting onder a wordt gesproken van “de vordering tot levering van zijn documenten”) en dat bij die stand van zaken niet valt in te zien waarom “aan de stuiting tevens moet zijn verbonden een alternatief tot nakoming, te weten schadeloosstelling” (in de toelichting onder c wordt in dit verband gesproken van “de veronderstelling van het Gerechtshof dat voor stuiting een eis tot schadeloosstelling zou moeten worden ingediend”). Daarbij lijkt de toelichting onder c te betogen dat, zolang niet vaststond dat de documenten niet konden worden teruggegeven, er ook geen aanleiding was schadeloosstelling te verlangen (“Tot de gegrondverklaring van de klacht was er geen sprake van geld of geldswaarden, zodat de veronderstelling van het Gerechtshof dat voor stuiting een eis tot schadeloosstelling zou moeten worden ingediend op geen enkele wijze uit het verloop van de procedure tot dan kan worden afgeleid.”).

In deze zaak is niet een “vordering tot levering” aan de orde, maar een vordering tot schadevergoeding uit hoofde van onrechtmatige daad. Dat is ook het uitgangspunt van de cassatiedagvaarding onder 4 (“In casu is naar burgerlijk recht gezien sprake van een vordering uit onrechtmatige daad (…).”), waar [eiser] bovendien de mogelijkheid verwerpt dat hier van een vordering tot teruggave op grond van een bewaarnemingsovereenkomst (art. 7:600 BW) sprake zou zijn (“Een overeenkomst tot de waarneming (lees: bewaarneming; LK) zou afstuiten op het feit, dat geheel geen overeenkomst wordt gesloten en de bewaarneming afgedwongen wordt.”). Het middel betoogt niet dat de bedoelde brieven waarin om teruggave van de documenten is gevraagd, als een verzoek tot nakoming (laat staan als een schriftelijke aanmaning tot nakoming) van de verbintenis tot schadevergoeding uit onrechtmatige daad moeten worden opgevat; veeleer bevestigt het middel, dat de bedoelde brieven een dergelijk verzoek niet bevatten.

Voor zover het middel ervan uitgaat dat het hof heeft geoordeeld dat met de betrokken brieven tevens “een eis tot schadeloosstelling zou moeten worden ingediend”, mist het feitelijke grondslag. Het hof heeft, kennelijk gelet op het wettelijk vereiste van “een schriftelijke mededeling waarin de schuldeiser zich ondubbelzinnig zijn recht op nakoming voorbehoudt” (het door art. 3:317 BW geboden alternatief voor de schriftelijke aanmaning), niet meer verlangd dan dat [eiser] in de betrokken brieven duidelijk zou hebben gemaakt dat hij bij niet-teruggave op schadevergoeding aanspraak zou maken. Het middel betoogt niet dat en waarom het hof niet tot zijn oordeel heeft kunnen komen dat [eiser] in de betrokken brieven onvoldoende duidelijk heeft gemaakt dat hij bij niet-teruggave op schadevergoeding aanspraak zou maken, of dat en waarom het hof de bedoelde brieven althans als “een schriftelijke mededeling waarin de schuldeiser zich ondubbelzinnig zijn recht op nakoming (van de verbintenis tot schadevergoeding; LK) voorbehoudt” had moeten opvatten.

De kern van de klacht lijkt mij overigens te zijn dat, zolang er geen finale duidelijkheid was over de voor de Staat bestaande onmogelijkheid de documenten terug te geven, er voor [eiser] geen enkele aanleiding was een eventuele schadevergoeding aan de orde te stellen. In zoverre stuit het middel echter reeds af op het in hoger beroep onbestreden oordeel van de kantonrechter dat [eiser] in ieder geval op 28 september 2006 met de schade en de daarvoor aansprakelijke persoon bekend was en dat hij vanaf dat moment moet worden geacht in staat te zijn geweest een rechtsvordering tot schadevergoeding in te stellen (zie hiervóór onder 2.5).

Het middel is tevergeefs voorgesteld.

Middel 3 richt zich tegen de volgende passage in rov. 5:

“De enige brieven waarin gewag wordt gemaakt van een dergelijke aanspraak op schadevergoeding zijn de hierboven in r.o. 1.7. genoemde brief aan de Politie Gelderland-Midden van 9 mei 2011 en de in r.o. 1.9. vermelde brief van 30 december 2011 aan de Staat. Zoals de kantonrechter echter eveneens onbestreden heeft overwogen is de verjaring van de onderhavige vordering jegens de Staat door eerstbedoelde brief niet gestuit, omdat de politieregio Gelderland-Midden een zelfstandig openbaar rechtspersoon is. De laatstbedoelde brief valt buiten de termijn van vijf jaar.”

Blijkens de in de cassatiedagvaarding opgenomen toelichting onder a klaagt het middel allereerst dat het hof ten onrechte heeft geoordeeld dat de kantonrechter onbestreden heeft overwogen dat de verjaring van de vordering van [eiser] jegens de Staat door de brief van 9 mei 2011 aan de Politie Gelderland-Midden niet is gestuit, omdat de politieregio Gelderland-Midden een zelfstandig openbaar rechtspersoon is. [eiser] betoogt dat deze vaststelling van de kantonrechter wel degelijk door hem is weersproken. Hij wijst in dit verband op de memorie van grieven waarin zou zijn aangegeven dat [eiser] het niet eens is met de conclusie van de kantonrechter in rov. 5.5 van het vonnis van 10 januari 2013 dat hij van oordeel is dat het beroep op verjaring ten onrechte is gedaan, welke oordeel, aldus [eiser], niet uitdrukkelijk verder wordt gespecificeerd.

Bij de beoordeling van deze klacht moet worden vooropgesteld dat de uitleg van gedingstukken feitelijk van aard is en als zodanig aan de feitenrechter is voorbehouden.

Het oordeel van het hof, dat [eiser] in hoger beroep niet heeft bestreden dat de verjaring van zijn vordering jegens de Staat niet door de brief van 9 mei 2011 aan de Politie Gelderland-Midden is gestuit, is mijns inziens in het licht van de gedingstukken niet onbegrijpelijk.

[eiser] heeft in de memorie van grieven in het geheel niet op de brief van 9 mei 2011 aan de Politie Gelderland-Midden gewezen. Er wordt slechts een beroep gedaan op het faxbericht (inclusief ontvangstbewijs) dat VluchtelingenWerk Maasdelta op 5 oktober 2010 namens [eiser] aan de IND stuurde en de klachtbrief die [eiser] op 26 april 2011 zelf aan de IND zond. De Staat is in zijn memorie van antwoord derhalve ook niet op de brief van 9 mei 2011 aan de Politie Gelderland-Midden ingegaan.

De enkele stelling in de memorie van grieven (onder 7) dat het hoger beroep zich richt op de vraag “is er nu sprake geweest van verjaring?”, op welke stelling de klacht in het middel lijkt te doelen, dwong niet tot het oordeel dat ook de betekenis van de brief van 9 mei 2011 aan de Politie Gelderland-Midden onderdeel van de rechtsstrijd in hoger beroep uitmaakte.

De klacht zoals vervat in de toelichting onder a faalt.

De klachten in de toelichting onder b en c bouwen voort op de stelling dat het hof ten onrechte als onbestreden zou hebben vastgesteld dat de brief van 9 mei 2011 aan de Politie Gelderland-Midden geen stuitende werking heeft. Ook deze klachten zijn derhalve tevergeefs voorgesteld.

Ten overvloede teken ik nog aan dat valt te begrijpen dat [eiser] een brief met het verzoek om teruggave van de documenten aan de korpschef van de Politie Gelderland-Midden heeft gestuurd. [eiser] heeft zijn documenten immers aan de Politie Gelderland-Midden afgegeven. Dat neemt echter niet weg dat, wil een stuitingsmededeling haar werking hebben, deze de aansprakelijke persoon moet hebben bereikt (art. 3:37 lid 3 BW). Deze regel lijdt slechts uitzondering, als het niet (of niet tijdig) bereiken voor risico van de ontvanger komt.

Nu [eiser] reeds eerder een brief zond aan de aansprakelijke persoon, te weten de Staat (in het bijzonder de IND), en [eiser] op meerdere momenten in de van belang zijnde periode werd bijgestaan door medewerkers van Vluchtelingenwerk en door een advocaat, is het oordeel van de kantonrechter dat de verjaring van de vordering van [eiser] niet is gestuit door de brief van 9 mei 2011 aan de korpschef van de Politie Gelderland-Midden niet onbegrijpelijk.

Middel 4 is blijkens de cassatiedagvaarding (onder 13) gericht tegen de navolgende passage in rov. 6:

“Volgens [eiser] heeft de kantonrechter de “processuele ongelijkheid” tussen hem en de Staat miskend, welke ongelijkheid gelegen zou zijn in het feit dat personen naar aanleiding van een vreemdelingenprocedure grote moeite ondervinden om overzicht te houden over namens hen verstuurde correspondentie naar een veelvoud van organisaties.”

Volgens het middel heeft het hof het door [eiser] ter plaatse gevoerde “Calimero-verweer” inderdaad correct weerlegd, echter op onjuiste gronden.

Het middel en de daarop gegeven toelichting onder 13 a en b maken niet duidelijk welk oordeel van het hof wordt bestreden en waarom. In zoverre voldoet het middel niet aan de daaraan in cassatie te stellen eisen en kan het derhalve niet tot cassatie leiden.

Voor zover de toelichting onder b klaagt dat het hof niet heeft onderkend dat met de hiervoor onder 2.20 geciteerde stelling “wellicht beoogd was hier een verweer te voeren” dat een beroep op verjaring naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar was, geldt dat de uitleg van stellingen van partijen van feitelijke aard is en derhalve aan de feitenrechter is voorbehouden.

Dat het hof in de bedoelde stelling van [eiser] niet een (ook volgens het middel slechts “wellicht beoogd”) beroep op de beperkende werking van de redelijkheid en billijkheid heeft ontwaard, is overigens niet onbegrijpelijk. [eiser] heeft zijn stelling immers steeds geplaatst in de sleutel van de art. 21 en 22 Rv. Ook de Staat heeft de stelling van [eiser] - mijns inziens terecht - in die zin begrepen.

3. Conclusie

De conclusie strekt tot verwerping.

De Procureur-Generaal bij de

Hoge Raad der Nederlanden,

Advocaat-Generaal

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?