ECLI:NL:PHR:2015:344

ECLI:NL:PHR:2015:344, Parket bij de Hoge Raad, 06-02-2015, 15/00331

Instantie Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak 06-02-2015
Datum publicatie Onbekend
Zaaknummer 15/00331
Rechtsgebied Civiel recht
Gerelateerde zaken
Formele relatie: ECLI:NL:HR:2015:767
Jurisprudentie Netwerk (LiDo)
Verwijst naar 1 zaken
Aangehaald door 3 zaken
3 wettelijke verwijzingen

Verwijst naar

Aangehaald door

Wettelijke verwijzingen

BWBR0001830 BWBR0001840 BWBR0001903

Samenvatting

Ambtsmisdrijven; art. 119 Gw, art. 76 RO, art. 483 leden 1 en 2 Sv. Kennelijk niet-ontvankelijk beklag over niet vervolgen (voormalig) minister. Hoge Raad niet bevoegd om vervolging te bevelen.

Uitspraak

15/00331

Mr. F.F. Langemeijer

6 februari 2015 (beklag art. 12/13a Sv)

Verslag inzake het beklag van:

Vereniging Veterans MC Netherlands

1. De feiten en het procesverloop

Op 1 mei 2014 heeft [betrokkene] als bestuurslid namens de Vereniging Veterans MC Netherlands − hierna te noemen: klaagster − bij de politie Oost-Brabant aangifte gedaan van smaad of laster, begaan door mr. I.W. Opstelten in zijn hoedanigheid van minister van Veiligheid en Justitie. Het proces-verbaal van aangifte is gezonden naar de officier van justitie Oost-Brabant. Bij brief van 18 juni 2014 heeft deze aan klaagster laten weten ter zake van deze aangifte geen strafvervolging te zullen instellen.

Klaagster heeft bij schrijven van 14 juli 2014 over deze beslissing beklag gedaan bij het gerechtshof ’s-Hertogenbosch op de voet van art. 12 Wetboek van Strafvordering (Sv). Nadat de advocaat-generaal in het ressortsparket verslag had uitgebracht, heeft het hof bij beschikking van 19 januari 2015 (K 14/0398) zich onbevoegd verklaard om van de klacht kennis te nemen en de beklagzaak verwezen naar de Hoge Raad.

De Hoge Raad heeft het klaagschrift in handen van de procureur-generaal bij de Hoge Raad gesteld voor het uitbrengen van een verslag.

2. Bespreking van het beklag

Op grond van art. 119 Grondwet en art. 76 RO neemt de Hoge Raad, ook na hun aftreden, in eerste instantie en tevens in hoogste ressort kennis van ambtsmisdrijven en ambtsovertredingen begaan door ministers, staatssecretarissen en leden van de Staten-Generaal. De procedure is geregeld in art. 483 Sv in verbinding met de art. 4 - 19 van de Wet van 22 april 1855, Stb. 33, houdende regeling der verantwoordelijkheid van de hoofden der Ministeriëele Departementen. Betreft een beklag als bedoeld in art. 12 Sv een strafbaar feit waarvan de Hoge Raad in eerste aanleg kennis neemt, dan geldt hetgeen in de artikelen 12 - 12j Sv voorkomt ten aanzien van de Hoge Raad en zijn leden, respectievelijk ten aanzien van de procureur-generaal, en is de Hoge Raad bevoegd tot kennisneming van het beklag (art. 13a Sv). Een vervolging van een minister ter zake van ambtsdelicten als bedoeld in art. 119 Grondwet en art. 76 RO is slechts mogelijk nadat daartoe last is gegeven bij Koninklijk Besluit of bij besluit van de Tweede Kamer der Staten-Generaal.

Klaagster heeft vervolging van de minister verzocht ter zake van smaad of laster, begaan jegens haar of haar leden. Volgens de toelichting op de aangifte en deze klacht heeft de minister deze feiten gepleegd in een brief van 25 januari 2012 aan de Tweede Kamer der Staten-Generaal over de geïntegreerde aanpak van outlaw bikers en in diverse, onder de verantwoordelijkheid van deze minister door de politie gepubliceerde documenten, waarin klaagster en/of haar leden – in de bondige samenvatting van het hof – zouden zijn aangemerkt als behorende tot een, tot doel verklaarde, groep van zware criminelen.

Uit deze omschrijving heeft het hof, m.i. terecht, de gevolgtrekking gemaakt dat klaagster een vervolging van de minister wenst ter zake van een ambtsdelict als bedoeld in art. 119 Grondwet en art. 76 RO. Weliswaar gaat het in de wettelijke delictsomschrijvingen om gedragingen die ook kunnen worden verricht door een niet-bewindspersoon, maar uit de omschrijving in de aangifte en het klaagschrift volgt dat het hier gaat om beleid van de Rijksoverheid, kortom gedragingen die door de beklaagde slechts konden worden verricht dankzij zijn hoedanigheid van minister van Veiligheid en Justitie. In dit geval is niet bij Koninklijk Besluit of besluit van de Tweede Kamer der Staten-Generaal de noodzakelijke last tot vervolging gegeven. In de gedingstukken is geen aanwijzing te vinden dat zo’n last binnen afzienbare tijd zal worden gegeven. Bij gebreke van de vereiste last tot vervolging kan klaagster naar vaste rechtspraak niet worden ontvangen in dit beklag. Voor zover het beklag betrekking heeft op de inhoud van documenten die de minister aan de Tweede Kamer heeft overgelegd, wordt in herinnering gebracht dat de minister bovendien een beroep kan doen op immuniteit op grond van art. 71 Grondwet.

Nu het beklag kennelijk niet-ontvankelijk is, kan de Hoge Raad van oproeping van klaagster afzien.

3. Conclusie

De conclusie strekt tot niet-ontvankelijkverklaring van het beklag.

De Procureur-Generaal bij de

Hoge Raad der Nederlanden,

a. – g.

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?