Deze zaak leent zich voor een verkorte conclusie.
1. De rechtbank Noord-Holland heeft bij vonnis van 19 augustus 2014 het verzoek van verzoekster tot cassatie (“[verzoekster]”) tot toepassing van de schuldsaneringsregeling afgewezen. De afwijzing is ex art. 288 lid 2 sub d Fw gebaseerd op de grond dat minder dan tien jaar voorafgaande aan de dag waarop het verzoekschrift is ingediend, ten aanzien van de schuldenaar de schuldsaneringsregeling van toepassing is geweest.
2. [verzoekster] is van voornoemd vonnis bij het gerechtshof Amsterdam in hoger beroep gekomen.
3. Bij arrest van 30 september 2014 heeft het hof voornoemd vonnis van de rechtbank bekrachtigd.
4. [verzoekster] is van voornoemd arrest bij verzoekschrift, op 8 oktober 2014 bij de griffie van de Hoge Raad binnengekomen en dus tijdig, in cassatie gekomen.
5. Voornoemd verzoekschrift is ondertekend en ingediend door mr. S. Akkas, advocaat te Haarlem. Mr. Akkas is echter geen advocaat bij de Hoge Raad. Het verzoekschrift voldoet dan ook niet aan de eisen van art. 426a lid 1 Rv, ingevolge welke bepaling beroep in cassatie wordt ingesteld bij een verzoekschrift, dat wordt getekend door een advocaat bij de Hoge Raad. Dit gebrek brengt in beginsel mee dat [verzoekster] in haar cassatieberoep niet-ontvankelijk moet worden verklaard.
6. Bij arrest van 10 juli 2009 heeft de Hoge Raad uitgemaakt dat het verzuim om in het verzoekschrift advocaat te stellen, kan worden hersteld doordat binnen twee weken na binnenkomst ter griffie van de Hoge Raad van het oorspronkelijke verzoekschrift, een advocaat bij de Hoge Raad een door hem getekend exemplaar van datzelfde verzoekschrift ter griffie indient. In dat geval zal als de dag waarop de zaak is aangebracht gelden de dag waarop het oorspronkelijke verzoekschrift is ingediend.
7. In casu heeft de griffie van de Hoge Raad bij brieven van 15 oktober 2014 en 24 december 2014 mr. Akkas op voornoemde herstelmogelijkheid gewezen. De termijn van twee weken is echter verstreken zonder dat herstel heeft plaatsgevonden, zodat [verzoekster] in haar cassatieberoep niet-ontvankelijk moet worden verklaard.
8. Ik concludeer tot niet-ontvankelijkheid van het cassatieberoep.
De procureur-generaal bij de
Hoge Raad der Nederlanden
A-G