“ Bewijsverweren
(…)
Het ten laste gelegde feit onder 2 (De hypotheekaanvraag)
De raadsman heeft betoogd dat de verdachte voor dit feit dient te worden vrijgesproken, nu uit - onder meer - de overgelegde stukken blijkt dat de dochter van de verdachte wel degelijk de inkomsten ontving uit hoofde van haar betrekking bij [A] Ltd.
Het hof volgt het betoog van de raadsman niet.
[medeverdachte] heeft bij de FIOD/ECD verklaard (proces-verbaal 17 juli 2002, 6e verhoor, p. 4) dat de verdachte geen hypotheek kon krijgen en dat daarom een constructie is opgezet. Zij heeft hiertoe de hypotheekofferte ondertekend. De door de bank gevraagde stukken heeft [medeverdachte] samen met de verdachte vervolgens ingeleverd bij de bank, aldus haar verklaring. Deze verklaring strookt ook met de verklaring van [betrokkene 11] die heeft verklaard dat de verdachte een huis heeft gekocht op naam van [medeverdachte], maar dat klaarblijkelijk was bedoeld voor de verdachte zelf.
De omstandigheid dat, zoals, de raadsman stelt, uit de stukken volgt dat [medeverdachte] bij [A] Ltd heeft gewerkt doet hieraan niet af, nu zeer waarschijnlijk is dat deze stukken zijn gebruikt ten behoeve van het opzetten van de hier bedoelde constructie. Bovendien overweegt het hof dat een dividenduitkering niet gelijk te stellen is met inkomsten uit dienstbetrekking, zoals door de raadsman ten onrechte is betoogd.
Het verweer wordt verworpen. “
16. Het antwoord op de vraag of sprake is van een uitdrukkelijk onderbouwd standpunt als bedoeld in art. 359, tweede lid tweede volzin, Sv kan in casu in het midden blijven nu het Hof wel in voldoende mate heeft gerespondeerd op het aangevoerde. Voor zover het middel beoogt te klagen dat de motivering van het Hof ontoereikend is, faalt het nu hetgeen door verdediging is aangevoerd door het Hof onder ogen is gezien, waarbij het Hof bovendien rekenschap heeft gegeven van de gemaakte afweging. Gelet op hetgeen de raadsman ter zake heeft aangevoerd is de reactie van het Hof toereikend. Aan het middel ligt kennelijk de opvatting ten grondslag dat het Hof gehouden was te motiveren waarom het door de verdediging aangevoerde materiaal terzijde is geschoven. Daarmee miskent de steller van het middel dat het aan de rechter die over de feiten oordeelt is voorbehouden om, binnen de door de wet getrokken grenzen, van het beschikbare materiaal datgene tot het bewijs te bezigen wat hem uit een oogpunt van betrouwbaarheid daartoe dienstig voorkomt. Deze beslissing behoeft in de regel geen motivering en kan in cassatie niet met vrucht worden bestreden, ook niet over de band van een uitdrukkelijk onderbouwd standpunt.
17. In de toelichting op het middel komt nog de subklacht uit de lucht vallen dat het Hof niet (toereikend) heeft gerespondeerd op een aangevoerd Meer-en-Vaart-verweer. Ook deze subklacht snijdt geen hout nu het door de verdediging aangedragen ‘scenario’ strijdig is met de – tot het bewijs gebezigde – verklaring van [medeverdachte] (bewijsmiddel 27). Van een Meer-en Vaart-verweer of een gat in de bewijsconstructie is geenszins sprake.
18. De tweede klacht. Volgens de toelichting op het middel heeft de verdediging ter terechtzitting een voorwaardelijk verzoek gedaan om een drietal getuigen te horen, op welk verzoek het Hof een beslissing had moeten geven nu de door de verdediging aan het verzoek verbonden voorwaarde in vervulling is gegaan.
19. Blijkens de aan het proces-verbaal van de zitting van 8 maart 2011 gehechte pleitnotities heeft de raadsman aldaar het volgende aangevoerd:
“Conclusie
Naar [medeverdachte] meent zijn in het vonnis ten onrechte als bewijsmiddelen (nummers 21 en 22) gebruikt, enige zinnen of delen uit de verklaringen van dochter [medeverdachte].
[medeverdachte] meent dat deze verklaringen niet voor bewijs kunnen worden gebezigd en terzijde dienen te worden gesteld, althans dat deze verklaringen niet zonder een nader onderzoek als een mogelijk bewijsmiddel kunnen worden gebruikt.
Dat nadere onderzoek, maar het is in dit stadium niet aan de verdediging, maar aan het OM, zou kunnen bestaan in het horen van dochter [medeverdachte] als getuige en/of het horen als getuigen van de verhorende verbalisanten van dochter [medeverdachte].
Vastgesteld kan worden dat, gelet op de discrepantie tussen de inhoud van de verhoren endaar ingebrachte stukken van dochter [medeverdachte] op 17 juli 2002 (09:30 uur) en die van de volgende dag, 18 juli 2002, het onderzoek onvolledig is geweest en de resultaten zijn dus onjuist.”
20. Het arrest van het Hof noch het proces-verbaal van de zitting bevat een beslissing aangaande dit ‘verzoek’. Aldus heeft het Hof dit ‘verzoek’ kennelijk niet opgevat als een op de voet van artikel 315 in verbinding met artikel 328 Sv gedaan verzoek waar ingevolge artikel 330 in verbinding met 415 Sv een uitdrukkelijke beslissing op moest worden gegeven. Dit oordeel geeft geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting en is niet onbegrijpelijk. Het ‘verzoek’ is namelijk – in het bijzonder door de formulering ‘zou kunnen bestaan’ – te vrijblijvend gesteld. Van een gemotiveerd, duidelijk en stellig verzoek is dan ook geen sprake. De klacht faalt.
21. Het tweede middel faalt in al zijn onderdelen.
22. Het vierde middel dat klaagt dat het Hof de opgelegde geldboete onvoldoende heeft gemotiveerd slaat de plank mis voor zover het klaagt over de schending van artikel 359, zesde lid, Sv. Deze bepaling heeft het Hof niet kunnen schenden nu het geen onvoorwaardelijke gevangenisstraf heeft opgelegd. Voor zover het middel nog de klacht behelst dat het Hof bij de oplegging van de geldboete in strijd met artikel 24 Sr geen blijk heeft gegeven acht te hebben geslagen op de draagkracht van verdachte faalt het bij gebrek aan feitelijke grondslag. Blijkens zijn arrest heeft het Hof de op te leggen straffen immers bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gelet op de persoon en de draagkracht van de verdachte. Anders dan de steller van het middel kennelijk meent is de draagkracht van de verdachte bij de oplegging van een geldboete bovendien niet allesbepalend. De eis van evenredigheid tussen de geldboete en de draagkracht mag niet tot gevolg mag hebben dat de evenredigheid tussen de zwaarte van het delict en de opgelegde straf in het gedrang komt.
23. Het middel keert zich verder nog tegen de volgende overweging van het Hof:
“ De verdachte heeft ter zitting geen inzicht (willen) (ge)geven in haar draagkracht en het hof heeft daar bij het bepalen van de hoogte van de geldboete dan ook geen rekening mee kunnen houden.
De hoogte van de geldboete is dan ook gebaseerd op de ernst van de verwijten.”
24. De volgende passage uit het proces-verbaal van de zitting van 24 januari 2011 is voor de beoordeling van het middel van belang:
“ Gevraagd naar de persoonlijke omstandigheden deelt de verdachte mede:
Ik werk zoveel mogelijk, maar verdien niet veel. Ik zit onder de armoedegrens. Ik verdien € 400 tot € 600 per maand. Ik heb schulden aan mijn dochter. Ik krijg van mijn dochter geld. Dat is afhankelijk van wat zij verdient. Mijn dochter is reporter. Mijn ruggengraat is kapot omdat ik niet behandeld ben.”
25. Ondanks dat de steller van het middel opmerkt dat verdachte ‘met bescheiden, in- en overzicht [kon] geven van haar inkomen en vermogen, kortom van haar draagkracht’, is er in feitelijke aanleg geen draagkrachtverweer gevoerd. Verdachte heeft slechts verklaard dat zij een laag inkomen heeft en schulden bij haar dochter heeft. Over haar vermogen heeft zij niets verklaard. Nu de draagkracht als bedoeld in artikel 24 Sr zowel ziet op het inkomen als het vermogen van de verdachte, is ’s Hofs oordeel dat verdachte geen inzicht heeft gegeven althans heeft willen geven in haar draagkracht en dat het Hof de hoogte van de geldboete mitsdien heeft gebaseerd op de ernst van de verwijten, niet onbegrijpelijk. Gelet op hetgeen is aangevoerd door de verdachte en haar raadsman was het Hof ook niet gehouden nader te motiveren waarom het van oordeel was dat de verdachte in staat moest worden geacht de geldboete te kunnen betalen. De hoogte van de opgelegde boete wekt bovendien in het licht van de bewezen verklaarde feiten geen verbazing, mede gelet op de in eerste aanleg gevorderde geldboete (€ 100.000), de in eerste aanleg opgelegde geldboete (€ 100.000) en de in hoger beroep gevorderde geldboete (€ 100.000).
26. Het vierde middel is tevergeefs voorgesteld.
27. Het derde middel klaagt dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6, eerste lid, EVRM in de cassatiefase is overschreden, omdat de stukken te laat door het Hof zijn ingezonden.
28. Namens de verdachte is op 31 maart 2011 beroep in cassatie ingesteld. De stukken van het geding zijn blijkens een daarop geplaatst stempel op 10 juli 2014 bij de Hoge Raad binnengekomen. Dat brengt met zich dat de inzendtermijn van acht maanden is overschreden. Voorts merk ik ambtshalve op dat de Hoge Raad in deze zaak uitspraak zal doen nadat meer dan twee jaren zijn verstreken na het instellen van het cassatieberoep.
Het bovenstaande brengt mee dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 EVRM is overschreden.
29. Het derde middel is terecht voorgesteld, maar kan onbesproken blijven indien de Hoge Raad met mij van oordeel is dat het betreden arrest om andere redenen niet in stand kan blijven en dient te worden teruggewezen.
30. Het eerste en derde middel zijn terecht voorgesteld. De overige middelen falen en kunnen worden afgedaan met de aan art. 81 RO ontleende motivering. Andere gronden dan de hiervoor onder 29 genoemde grond waarop de Hoge Raad gebruik zou moeten maken van zijn bevoegdheid de bestreden uitspraak ambtshalve te vernietigen, heb ik niet aangetroffen.
31. Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden uitspraak, maar uitsluitend wat betreft de beslissingen ter zake van het onder 4 en 5 tenlastegelegde en de strafoplegging, tot niet-ontvankelijkverklaring van de Officier van Justitie in de vervolging ter zake van de onder 4 en 5 tenlastelegde feiten en tot terugwijzing van de zaak naar het Hof teneinde de zaak wat betreft de strafoplegging opnieuw te berechten en af te doen en tot verwerping van het beroep voor het overige.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG