ECLI:NL:PHR:2015:387

ECLI:NL:PHR:2015:387, Parket bij de Hoge Raad, 20-01-2015, 13/04873

Instantie Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak 20-01-2015
Datum publicatie Onbekend
Zaaknummer 13/04873
Rechtsgebied Strafrecht
Gerelateerde zaken
Formele relatie: ECLI:NL:HR:2015:899
Jurisprudentie Netwerk (LiDo)
Verwijst naar 1 zaken
Aangehaald door 3 zaken
2 wettelijke verwijzingen

Verwijst naar

Aangehaald door

Wettelijke verwijzingen

BWBR0001854 BWBR0001903

Samenvatting

Beklag, beslag. De Rb heeft de juiste maatstaf aangelegd. De omstandigheden van het geval kunnen evenwel meebrengen dat de rechter tevens ervan blijk moet geven onderzoek te hebben verricht of voortzetting (onder voorwaarden) van het beslag in overeenstemming is met de eisen van subsidiariteit (vgl. ECLI:NL:HR:2013:833). I.c. is de beslissing van Rb ontoereikend gemotiveerd.

Uitspraak

“Het beklag

Op basis van het klaagschrift en de daarbij behorende bijlagen verzoekt klaagster de raadkamer het beslag op voormeld onroerend goed (eventueel onder voorwaarden) op te heffen. Klaagster stelt, kort gezegd, dat zij de kosten van het in stand houden van het onroerend goed niet langer kan opbrengen waardoor haar schuld, onder meer hypotheeklasten, blijft oplopen. Op dit moment is nog sprake, gelet op het taxatierapport, van een kleine overwaarde. Klaagster heeft de officier van justitie verzocht het beslag op te heffen opdat de woning kan worden verkocht en de opbrengst, onder aftrek van kosten, waaronder de hypotheekkosten, aan justitie kan worden overgemaakt. Op 6 februari 2013 is een koopakte opgesteld tussen klaagster enerzijds en [betrokkene 1] anderzijds waarbij partijen zijn overeengekomen dat [betrokkene 1] voornoemd onroerend goed, op basis van kosten koper, koopt voor een bedrag van € 345.000,--. De officier van justitie weigert medewerking te verlenen aan deze onderhandse verkoop.

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat het strafvorderlijk belang zich verzet tegen opheffing van het beslag, immers het beslag dient enerzijds ter verbeurdverklaring (gekoppeld aan een eventuele veroordeling) en anderzijds is het conservatoir beslag gelegd ten behoeve van de ontnemingsmaatregel die in deze zou kunnen worden gelegd. Voor wat betreft de medewerking van de officier van justitie om te komen tot de verkoop van voornoemd onroerend goed, heeft de officier van justitie voorwaarden gesteld alvorens tot opheffing van het beslag zou worden overgegaan. Deze voorwaarden zijn: dat de woning verkocht wordt voor een reële prijs, de koper van onbesproken gedrag moet zijn en er inzicht wordt gegeven in de herkomst van het aankoopbedrag. De medewerking van de officier van justitie strand op de persoon van de koper. De potentiële koper is namelijk op een aantal momenten onderwerp van onderzoek geweest c.q. in het onderzoek in beeld gekomen. De officier van justitie verwijst in dat kader naar het ten behoeve van deze procedure overgelegde proces-verbaal.

Op grond van het voorgaande is de officier van justitie van oordeel dat het klaagschrift ongegrond moet worden verklaard.

De beoordeling

(…)

Strafvorderlijk belang

Het onderzoek ter terechtzitting tegen klaagster is op 11 mei 2011 aangevangen. Ter terechtzitting d.d. 28 november 2012 heeft de officier van justitie een vordering nadere omschrijving tenlastelegging ingediend welke vordering de rechtbank heeft toegewezen. De officier van justitie verwijt klaagster dat zij zich schuldig heeft gemaakt aan witwassen (feiten 1 en 2) en valsheid in geschrift (feit 3).

Met betrekking tot de inbeslagname van de woning op zich, het klassiek beslag ex artikel 94 van het Wetboek van Strafvordering en het conservatoir beslag ex artikel 94a van het Wetboek van Strafvordering, wordt door klaagster geen verweer gevoerd. De raadkamer zijn anderszins geen feiten of omstandigheden bekend die, binnen het kader van de marginale toetsing, ertoe zouden moeten leiden dat het beslag op de woning, gelet op het strafvorderlijk belang, zou moeten worden opgeheven.

Dit maakt dat de raadkamer van oordeel is dat zich op dit moment nog steeds de omstandigheid voordoet dat het niet hoogst onwaarschijnlijk is dat een rechter, later oordelend over de strafzaak tegen klaagster de woning zal verbeurd verklaren dan wel dat er een voordeelsontneming wordt uitgesproken.

De raadkamer merkt nog op dat het niet aan deze kamer is die, conform artikel 552a van het Wetboek van Strafvordering slechts marginaal toetst of er voldoende strafvorderlijk belang is het beslag te laten voortduren, zich te mengen in een geschil tussen klaagster en de officier van justitie betreffende de verkoop van een pand waarop het beslag rust.

De raadkamer zal derhalve beslissen als hierna te melden en neemt daarbij de desbetreffende wetsartikelen in aanmerking.

De beslissing

Verklaart het klaagschrift ongegrond.”

De Rechtbank heeft vastgesteld dat op de woning zowel op grond van art. 94 Sv als op grond van art. 94a Sv beslag is gelegd. Voor een op de voet van art. 94 Sv gelegd beslag geldt dat geoordeeld kan worden dat het belang van strafvordering het voortduren van het beslag vordert als het niet hoogst onwaarschijnlijk is dat de later oordelende strafrechter het desbetreffende voorwerp zal verbeurdverklaren. Voor een op voet van art. 94a Sv gelegd beslag geldt dat, indien sprake is van een verdenking van een misdrijf waarvoor een geldboete van de vijfde categorie kan worden opgelegd, het belang van de strafvordering bij handhaving van het beslag aanwezig kan worden geoordeeld als het niet hoogst onwaarschijnlijk is dat aan de verdachte de verplichting tot betaling van een geldbedrag ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel zal worden opgelegd. Geconcludeerd kan derhalve worden dat de Rechtbank de hier toepasselijke maatstaven heeft gehanteerd. Dat wordt door het middel ook niet betwist.

De vraag waarop het aankomt, is of het oordeel van de Rechtbank juist is dat het niet aan de beklagrechter is om “zich te mengen in een geschil tussen klaagster en de officier van justitie betreffende de verkoop van een pand waarop het beslag rust”. In dit verband is van belang dat de Hoge Raad heeft geoordeeld dat in het kader van het conservatoir beslag geldt dat de toe te passen maatstaf niet uitsluit dat de Rechtbank, indien de omstandigheden van het geval dat meebrengen, bij de beoordeling van het klaagschrift tevens onderzoekt of voortzetting van het beslag in overeenstemming is met de eisen van proportionaliteit en subsidiariteit. Hetzelfde geldt naar mag worden aangenomen als het gaat om een op voet van art. 94 Sv gelegd beslag.

Art. 118a Sv biedt ingeval van conservatoir beslag de mogelijkheid van teruggave onder zekerheidsstelling. Als de beslagene aanbiedt om voldoende zekerheid te stellen, lijkt mij dat een schoolvoorbeeld van een geval waarin voortzetting van het beslag strijdt met de eis van subsidiariteit. Over de weigering van de OvJ om op het aanbod in te gaan, moet dan ook op voet van art. 552a Sv geklaagd kunnen worden. Dat wordt niet anders als niet voor de figuur van zekerheidsstelling wordt gekozen, maar voor die van vervangend beslag op de koopsom. Ik merk daarbij op dat die figuur, anders dan de teruggave onder zekerheidsstelling, ook bij beslag ex art. 94 Sv mogelijk lijkt te zijn.

De vraag is wat de “daarmee overeenkomende last” zou moeten zijn als de rechtbank het beklag in een geval als het onderhavige gegrond verklaart. Art. 552a Sv voorziet, anders dan art. 353 Sv, niet expliciet in de mogelijkheid om teruggave onder zekerheidsstelling te gelasten. Analoge toepassing van art. 353 Sv op de beklagprocedure lijkt daarbij niet goed te verdedigen. Het komt mij voor dat de beklagrechter die bevindt dat het voortduren van het beslag in strijd is met het subsidiariteitsbeginsel, de behandeling van het beklag voor een bepaalde termijn dient aan te houden om de OvJ in de gelegenheid te stellen met de beslagene tot een vergelijk te komen. Oordeelt de rechtbank na ommekomst van die termijn dat het aan de OvJ is te wijten dat het niet tot een bevredigende oplossing is gekomen, dan kan zij het beklag zonder meer gegrond verklaren en teruggave gelasten. De (dreigende) last tot teruggave fungeert dan dus als de bekende stok achter de deur.

De Rechtbank heeft het voorgaande miskend. Gelet op hetgeen namens klaagster is aangevoerd, was er voor de Rechtbank alle reden om te onderzoeken of de voortzetting van het beslag in overeenstemming was met in het bijzonder de eis van subsidiariteit. Ik merk daarbij op dat de Rechtbank heeft geoordeeld dat het belang van de strafvordering gelegen was in het veiligstellen van de executie. Dat is in het kader van de inbeslagneming een legitiem belang. De reden waarom de OvJ zich tegen de verkoop verzette, heeft met dat legitieme belang niets van doen. Daarom riekt dat verzet naar détournement de pouvoir. Bovendien staat dat verzet, gezien de kennisgeving van niet verdere vervolging die de koper heeft gekregen, op gespannen voet met de onschuldpresumptie.

Het middel is terecht voorgesteld.

5. Gronden waarop de Hoge Raad gebruik zou moeten maken van zijn bevoegdheid de bestreden beschikking ambtshalve te vernietigen, heb ik niet aangetroffen.

6. Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden beschikking en tot zodanige beslissing met betrekking tot verwijzing of terugwijzing als de Hoge Raad gepast zal voorkomen.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden,

AG

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?