Nr. 13/04951 B
Mr. Harteveld
Zitting 17 maart 2015
Conclusie inzake:
[klager]
1. Het beroep in cassatie heeft betrekking op een beschikking van de Rechtbank Den Haag van 3 september 2013, waarbij een namens klager ex art. 552a Sv ingediend klaagschrift strekkende tot teruggave aan hem van een onder hem inbeslaggenomen bromfiets, ongegrond is verklaard.
2. Namens klager is beroep in cassatie ingesteld. Mr. A. Vijftigschild, advocaat te Leidschendam, heeft een schriftuur ingezonden, houdende vijf middelen van cassatie.
3.1. Alvorens ik toekom aan de bespreking van de middelen, besteed ik aandacht aan de vraag of klager in zijn cassatieberoep kan worden ontvangen.
3.2. In een brief van 20 januari 2015 heeft de raadsman bericht dat de Politierechter in de Rechtbank Den Haag in de strafzaak tegen klager (parketnummer 09/165309-13) inmiddels, te weten op 9 januari 2015, vonnis heeft gewezen. Klager is vrijgesproken van de tenlastegelegde heling en voorts is de onttrekking aan het verkeer bevolen van de inbeslaggenomen, nog niet teruggegeven, bromfiets. Tegen voornoemde uitspraak is namens klager op 19 januari 2015 hoger beroep ingesteld. De akte instellen rechtsmiddel is als bijlage aan de brief van de raadsman gehecht. Het voorgaande brengt mee dat de strafzaak tegen klager nog aanhangig is.
3.3. Bij telefonische navraag bij de strafgriffie van de Rechtbank Den Haag is een en ander mondeling bevestigd betreffende de beslissing van de Politierechter ten aanzien van de inbeslaggenomen bromfiets. Op mijn verzoek is een afschrift van het vonnis van de Politierechter van 9 januari 2015 toegezonden. Dit vonnis heb ik bij het dossier gevoegd.
3.4. In HR 8 januari 2008, ECLI:NL:HR:2008:BB8989 verklaarde de Hoge Raad het cassatieberoep niet-ontvankelijk omdat de Rechtbank, evenals in de onderhavige zaak het geval is, tussentijds in de strafzaak vonnis had gewezen en daarin omtrent het inbeslaggenomene had beslist. Daardoor kon op het bestaande klaagschrift geen andersluidende beslissing meer volgen dan de ongegrondverklaring van het beklag. Dat betekende dat klager niet in zijn cassatieberoep kon worden ontvangen.
3.5. Ook in de onderhavige zaak heeft te gelden dat er geen plaats is om het beklag gegrond te verklaren, nu klager geen belang meer heeft bij het beroep tegen de beschikking van de Politierechter in de Rechtbank Den Haag van 3 september 2013. De op het klaagschrift gegeven beslissing is immers naar haar aard een voorlopige beslissing, die gegeven wordt in afwachting van het oordeel van de strafrechter dienaangaande. Nu de rechter in de strafzaak tegen klager de onttrekking aan het verkeer van de bromfiets heeft gelast, kan klager in het onderhavige cassatieberoep niet worden ontvangen. Daaraan doet niet af dat de beslissing in de strafzaak nog niet onherroepelijk is.
4. Deze conclusie strekt ertoe dat de Hoge Raad klager niet-ontvankelijk zal verklaren in het ingestelde cassatieberoep.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG