2. Bespreking van het cassatiemiddel
Het cassatiemiddel, dat opkomt tegen de rechtsoverwegingen 5-7, richt zich in feite tegen rechtsoverweging 6, waarin het hof als volgt heeft geoordeeld:
“Naar analogie van de genoemde uitspraken [zie hiervoor onder 1.8, toev. W-vG] overweegt het hof evenwel dat het ook bij een machtigingsprocedure (artikel 1:386, lid 1 van het Burgerlijk Wetboek in verbinding met artikel 1:345 BW) gaat om een beperkte regeling, waarbij slechts de curanda en de curatoren zijn betrokken. De machtigingsprocedure waarover het in het onderhavige geding gaat, kan niet worden aangemerkt; als een ‘zaak van curatele' als bedoeld in artikel 798, lid 2 Rv, nu de in die bepaling opgenomen uitbreiding van de kring van belanghebbenden niet in overeenstemming is met de aard en strekking van een dergelijke procedure. Appellant kan als zoon dan ook niet als belanghebbende in de zin van artikel 798, lid 2 Rv worden aangemerkt. Evenmin is hij belanghebbende in de zin van het eerste lid van dit artikel. De zaak heeft immers, niet rechtstreeks betrekking op zijn rechten of verplichtingen. De conclusie is, dat de appellant niet-ontvankelijk zal worden verklaard in zijn hoger beroep.”
Kernklacht is dat het oordeel van het hof dat [verzoeker] niet als belanghebbende in de zin van het eerste lid van art. 798 Rv kan worden aangemerkt nu de zaak niet rechtstreeks betrekking heeft op zijn rechten of verplichtingen, blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting dan wel onvoldoende begrijpelijk is gemotiveerd.
Inleidende opmerkingen
Het oordeel van het hof, dat [verzoeker] geen belanghebbende is in de zin van art. 798 lid 2 Rv omdat de machtigingsprocedure waartegen het hoger beroep zich richt niet kan worden aangemerkt als een ‘zaak van curatele’, wordt in het cassatieberoep niet bestreden.
Het gaat dus in cassatie uitsluitend om het oordeel van het hof dat in de laatste drie volzinnen van rechtsoverweging 6 is opgenomen, waarin het hof heeft geoordeeld dat [verzoeker] geen belanghebbende is in de zin van het eerste lid van art. 798 Rv omdat de zaak immers (curs. W-vG) niet rechtstreeks betrekking heeft op zijn rechten of verplichtingen.
Het in cassatie niet bestreden oordeel dat [verzoeker] geen belanghebbende is in de zin van het tweede lid van art. 798 Rv wordt door het hof in het eerste gedeelte van rechtsoverweging 6 gemotiveerd. Het ‘immers’ wordt door het hof niet nader ingevuld, waardoor een motivering van het oordeel (nagenoeg) ontbreekt. Deze nadere invulling is evenwel ook niet eenvoudig, zoals uit het hierna volgende blijkt.
Het antwoord op de vraag of iemand als belanghebbende kan worden aangemerkt in de verzoekschriftprocedure in het algemeen moet volgens vaste rechtspraak worden afgeleid uit de aard van de procedure en de daarmee verband houdende wetsbepalingen. Daarbij zal een rol spelen in hoeverre iemand door de uitkomst van de desbetreffende procedure zodanig in een eigen belang kan worden getroffen dat hij daarin behoort te mogen opkomen ter bescherming van dat belang, of in hoeverre hij anderszins zo nauw betrokken is of is geweest bij het onderwerp dat in de procedure wordt behandeld dat daarin een belang is gelegen om in de procedure te verschijnen (vgl. HR 10 november 2006, ECLI:NL:HR:2006:AY8290, NJ 2007/45, en HR 25 mei 2012, ECLI:NL:HR:2012:BV9961, NJ 2012/339).
Voor zaken betreffende het personen- en familierecht, anders dan scheidingszaken, geeft de eerste afdeling van Titel 6 van Boek III Rv een afwijkend voorschrift: voor de toepassing van deze afdeling wordt onder 'belanghebbende' verstaan: degene op wiens rechten of verplichtingen de zaak rechtstreeks betrekking heeft (art. 798 lid 1 Rv).
In zaken betreffende het personen- en familierecht is dus het begrip rechtstreeks toegevoegd teneinde, zo blijkt uit de parlementaire geschiedenis, om de in beginsel ruime kring van belanghebbenden enigszins in te perken. In de memorie van toelichting wordt daarover het volgende opgemerkt:
“Wat er zij van de betekenis van het begrip belanghebbende in de algemene regeling van de verzoekschriftprocedure, voor de familieverzoekschriftprocedure wordt een nadere bepaling van dit begrip voorgesteld om zo de in beginsel ruime kring van belanghebbenden bij deze procedures enigszins in te perken. Belanghebbend is degene, op wiens rechten of verplichtingen de zaak rechtstreeks betrekking heeft. (…) De zaak moet rechtstreeks betrekking hebben op zijn rechten en verplichtingen, wil iemand als belanghebbende kunnen worden aangemerkt. Iemand die een indirect belang heeft, is geen belanghebbende in de zin van artikel 798. Naar mijn mening kan op deze wijze worden voorkomen dat er allerlei prealabele procedures ontstaan waarin eerst moet worden beslist wie belanghebbende is.”
Ook sympathie voor de kwestie waarover wordt geprocedeerd of emotionele belangen bij een zaak maken iemand nog geen belanghebbende.
De wetgever heeft het begrip ‘belanghebbende’ in het kader van de familieverzoekschriftprocedure niet uitputtend nader willen omschrijven omdat een catalogus van belanghebbenden per procedure nooit volledig zou zijn en in strijd zou komen met verdragsrechtelijk beschermde grondrechten van burgers.
Dat deze keuze van de wetgever tot veel rechtspraak over het begrip ‘belanghebbende’ leidt, kan o.a. worden afgeleid uit de omstandigheid dat de Hoge Raad in 2014 daarover een aantal uitspraken heeft gedaan, waaronder de door het hof in de bestreden beschikking genoemde uitspraak van 24 januari 2014.
Deze uitspraak betrof het volgende. Nadat de goederen van de man onder bewind waren gesteld, verzocht de bewindvoerder de kantonrechter hem op de voet van art. 1:441 lid 2 BW te machtigen om over te gaan tot opheffing van de in 1960 gesloten huwelijksvoorwaarden. Nadat de kantonrechter het verzoek had ingewilligd, gingen de zoons van betrokkene in hoger beroep, alwaar zij door het hof niet-ontvankelijk werden verklaard omdat zij geen belanghebbenden zijn als bedoeld in art. 798 lid 1 Rv en ook niet op de voet van art. 798 lid 2 Rv. Op de in cassatie aangevoerde klacht dat de zoons als belanghebbenden in de zin van art. 798 lid 1 Rv hadden moeten worden aangemerkt, oordeelde de Hoge Raad (in rov. 3.4) dat niet kan worden gezegd dat het verzoek van de bewindvoerder op de rechten (of verplichtingen) van de zoons rechtstreeks betrekking heeft, zoals art. 798 lid 1 Rv eist. De door de bewindvoerder beoogde opheffing van de huwelijksvoorwaarden is, aldus de Hoge Raad, weliswaar van invloed op de omvang van het vermogen van hun vader, maar daarbij zijn hun eigen rechten niet, en zeker niet rechtstreeks, in het geding. Verwezen wordt naar de parlementaire geschiedenis (Kamerstukken II, 1991/92, 22 487, nr. 3, p. 8).
In haar noot onder dit arrest stelt Wortmann zich op het standpunt dat de rechten en verplichtingen bedoeld in art. 798 lid 1 Rv, persoonlijke, actuele en concrete rechten en verplichtingen betreffen en dat de rechten en verplichtingen van de zoons niet rechtstreeks betrokken zijn bij de zaak waarom het gaat, namelijk de machtiging tot opheffing van de huwelijkse voorwaarden. Zij merkt op dat weliswaar de opheffing van de huwelijkse voorwaarden de omvang van hun nalatenschap na overlijden van hun vader zal kunnen beïnvloeden, dat betreft evenwel niet de eigen rechten en verplichtingen van de zoons, laat staan dat deze rechtstreeks bij het verzoek om machtiging zijn betrokken.
Het oordeel of iemand is aan te merken als een belanghebbende is in hoge mate feitelijk omdat de beoordeling afhankelijk is van de concrete omstandigheden van het geval.
Het cassatiemiddel
De hiervoor onder 2.2 weergegeven kernklacht wordt – zakelijk weergegeven – toegelicht met het betoog dat het hof de stellingen van [verzoeker] die ertoe leiden dat de zaak rechtstreeks betrekking heeft op zijn rechten en verplichtingen, ten onrechte als onvoldoende heeft aangemerkt. Dit betreft, aldus het middel, in de eerste plaats het argument van [verzoeker] dat hij verschillende aan de onroerende zaak verbonden rechten heeft, waaronder huurrechten en het recht van eerste koop. Volgens het middel stond in hoger beroep tussen partijen vast dat de rechten van [verzoeker] op de onroerende zaak voortvloeien uit een legaat in het testament van de overleden vader en een legaat in het testament van de moeder. In de tweede plaats heeft [verzoeker] als argument aangevoerd dat hij een recht op levering van het pand heeft verkregen nu beide curatoren hem de gelegenheid hebben gegeven om het pand te kopen.
Het middel stelt voorop dat tussen partijen in confesso is dat de moeder in haar testament het pand aan [verzoeker] heeft gelegateerd (nr. 3.8) en betoogt vervolgens dat het hof de rechten van [verzoeker] uit het legaat als rechtstreeks betrokken had moeten kwalificeren in de zin van art. 798 lid 1 Rv. Het onderdeel doet daarbij een beroep op (een gedeelte van) de noot van J. de Boer bij HR 11 januari 2002, ECLI:NL:HR:2002:AD4932, NJ 2002/463, waarin hij de vraag opwerpt of een legataris niet als ‘belanghebbende’ in de zin van het eerste lid van art. 798 Rv dient te worden aangemerkt “indien de bewindvoerder weet dat een goed door de rechthebbende gelegateerd is en machtiging aan de rechter vraagt om dat goed te vervreemden, waardoor het legaat zal vervallen (zie HR 10 november 2000, NJ 2002, 363, met noot van M.J. Klein)”.
M.i. dient de door De Boer gestelde vraag bevestigend beantwoord te worden en dient [verzoeker] als belanghebbende in de zin van art. 798 lid 1 Rv te worden aangemerkt. Door zijn positie als bewoner en gebruiker van het pand en voorts zijn positie als legataris is sprake van een persoonlijk en actueel recht dat – mogelijkerwijs – in het geding is als het pand wordt verkocht. In dat opzicht wordt [verzoeker] m.i. dan ook rechtstreeks getroffen. Het hof had [verzoeker] derhalve als belanghebbende dienen aan te merken, zodat het middel in zoverre slaagt.
Door de in hoger beroep gevolgde procedure heeft een inhoudelijk debat plaatsgevonden over de door [verzoeker] gestelde rechten met betrekking tot het pand.
Met betrekking tot het legaat wordt in het cassatieverzoekschrift (onder 3.7) verwezen naar de in cassatie nog relevante stellingen van [verzoeker], te weten: dat hij in het pand een zaak heeft, waar hij eerder met de vader een zaak had; dat hij het pand als legaat van de vader zou hebben verkregen indien deze zou komen te overlijden gelijktijdig met diens echtgenote en dat een soortgelijke bepaling was of vermoedelijk spiegelbeeldig is opgenomen in het testament van de moeder; dat in een concepttestament van de moeder van 7 februari 2005 eveneens het pand aan [verzoeker] wordt gelegateerd; dat in de testamenten is vastgelegd dat [verzoeker] het pand mocht kopen tegen inbreng van de waarde in verhuurde staat indien het ooit zou worden verkocht en dat daarmee het recht van [verzoeker] op eerste koop onlosmakelijk aan het pand is verbonden en daarmee deel uitmaakt van de mondelinge huurovereenkomst. Nu verkoop eerder dan na de dood van de langstlevende aan de orde komt, dient, aldus [verzoeker], uiteraard ook in die situatie zijn recht van eerste koop te worden geëerbiedigd conform zijn bedoelingen en die van zijn ouders, zoals dat uit het testament blijkt en zij met elkaar en met [verzoeker] zijn overeengekomen.
In het verweerschrift in appel wordt allereerst uitdrukkelijk betwist dat [verzoeker] huurrechten heeft, dat er een overeenkomst tussen beide ouders zou bestaan waarbij zij zijn overeengekomen dat [verzoeker] na hun dood eigenaar van het pand zou kunnen worden en dat [verzoeker] rechtstreeks rechten aan het testament van de overleden vader en het testament van de moeder kan ontlenen.
In het verweerschrift wordt niet betwist dat [verzoeker] een bijzondere positie heeft ten opzichte van het pand op grond van het legaat in het testament van de moeder, maar daaraan wordt toegevoegd dat de voorwaarde op grond waarvan [verzoeker] het pand kan verkrijgen wel is dat de waarde hiervan in de nalatenschap wordt voldaan, maar dat [verzoeker] niet in staat is gebleken om de getaxeerde waarde te voldoen en ook niet aannemelijk is dat hij de waarde van het pand in de nalatenschap zal kunnen voldoen.
Volgens [verweerder 1] kan [verzoeker] aan het legaat in het testament van de vader geen rechten ontlenen nu hieraan de voorwaarde was verbonden dat de vader gelijktijdig of na de moeder zou komen te overlijden, wat niet is geschied. [verzoeker] kan volgens [verweerder 1] evenmin aan het testament van de moeder en het hierin opgenomen legaat ten behoeve van [verzoeker] rechten ontlenen nu de moeder nog in leven is.
Dit is juist. Art. 4:117 lid 1 BW omschrijft het legaat als een uiterste wilsbeschikking waarin de erflater aan één of meer personen een vorderingsrecht toekent. Het vorderingsrecht van de legataris schept een schuld van de nalatenschap in de zin van art. 4:7 BW, dat het legaat uitdrukkelijk noemt in lid 1 onder h. De legataris verkrijgt zijn vorderingsrecht op het moment van het overlijden van de erflater van rechtswege (art. 4:201 BW). Een legataris kan dan ook niet een vervreemding van het gelegateerde goed tegengehouden vóór het overlijden van de erflater. Dit was wellicht anders geweest indien in het testament van de vader was bepaald dat de moeder niet meer vrijelijk over het pand kon beschikken en het niet aan een ander dan [verzoeker] mocht verkopen, maar een dergelijke bepaling ontbreekt in het testament van de vader en [verweerder 1] heeft betwist dat er een mondelinge afspraak zou bestaan tussen de ouders met die strekking. Nu [verzoeker] zijn stelling slechts heeft herhaald (bijvoorbeeld in de brief van zijn advocaat van 27 juni 2014 aan het hof), maar deze niet nader heeft geadstrueerd en er daarnaast ook geen juridische grondslag voor zijn betoog valt aan te wijzen, had het hof de grieven van [verzoeker] die ertoe strekken dat de kantonrechter de machtiging tot verkoop (aan een derde) niet had mogen verlenen, niet gegrond behoeven te vinden.
Met betrekking tot het door hem gestelde recht op levering van het pand (het tweede argument) heeft [verzoeker] primair gesteld dat hij het pand heeft gekocht, subsidiair dat hij een optierecht heeft verkregen en meer subsidiair dat het [verweerder 1] niet meer vrijstond met Berkhout (de koper van het pand, W-vG) te contracteren. [verzoeker] heeft zijn primaire en subsidiaire stelling gebaseerd op de in hoger beroep bij akte overgelegde producties.
In het verweerschrift wordt erkend dat door de curatoren is getracht tot een minnelijke oplossing te komen door [verzoeker] een aanbod te doen het pand te kopen tegen de waarde in bewoonde staat maar wordt betwist dat [verzoeker] daartoe in staat was. Voorts wordt erkend dat [verweerder 1] op 18 november 2013 aan [verzoeker] een termijn heeft gegeven om voor 15 januari 2014 financiering te verkrijgen van tenminste € 150.000,- voor de aankoop van het pand. Op 14 januari 2013 heeft [verzoeker] aan [verweerder 1] bericht dat hij financiering kan verkrijgen van twee particulieren tot een bedrag van € 140.000,- en dat hij zelf € 10.000,- kan inbrengen. In het verweerschrift wordt daartegenover gesteld dat niet is voldaan aan de voorwaarde dat er een concreet financieringsaanbod onder normale voorwaarden aan [verweerder 1] is getoond.
Uit de gedingstukken blijkt het volgende.
[verweerder 1] heeft gesteld dat het pand op 17 december 2013 aan een derde is verkocht voor een bedrag van € 200.000,- onder voorbehoud van het onherroepelijk worden van de machtiging, die van 17 oktober 2013 dateert. In de tussentijd heeft [verweerder 1] bij brief van 18 november 2013 aan [verzoeker] het volgende aanbod gedaan:
“Ik herhaal dat ik een kandidaat-koper heb voor de [a-straat]. Niettemin geef ik jou tot 15 januari 2014 de gelegenheid om een adequate financiering te regelen van tenminste € 150.000. Indien je op deze datum geen concrete financieringsaanbieding onder normale voorwaarden hebt ontvangen en aan mij hebt getoond, zal ik met de kandidaat koper verder in overleg treden om de koop definitief af te ronden.”
[verzoeker] heeft bij brief van 14 januari 2014 op dit aanbod gereageerd met de mededeling dat hij twee particulieren bereid heeft gevonden om hem € 140.000,- te lenen en dat hij zelf € 10.000,- kan inbrengen.
In deze brief is de volgende opmerking van [verzoeker] opgenomen:
“Ik ga ervan uit dat bovenstaande voldoende uiting geeft aan mijn intentie om het pand op de [a-straat] te kopen.”
[verweerder 1] heeft hierop op dezelfde datum (14 januari 2014) als volgt gereageerd:
“Zoals je weet (zie mijn brief van 5 november 2013) heb ik een koper gevonden voor de [a-straat]: [A] die ongezien bereid was/is een bedrag van € 200.000,- te betalen voor het pand in de huidige staat.
Ik heb jou toen gevraagd voor 11 november mij te kennen te geven dat je deze koopsom (€ 200.000,-) zelf wilde en zou kunnen opbrengen. Hieraan wilde ik dan graag een bevestiging van een financier zien die bereid was aan jou een lening te verstrekken ter grootte van deze koopsom.
(…)
Dat betekent, [verzoeker], dat er sinds medio december 2013 sprake is van een schriftelijke overeenkomst tot koop en verkoop van de [a-straat] met [A] voor een koopsom van € 200.000,-.
(…)
Dit alles betekent dat de [a-straat] niet (meer) aan jou verkocht kan worden.”
In het verweerschrift in appel heeft [verweerder 1] gesteld (onder 25) dat hij er zich van bewust is dat hij het pand heeft verkocht vóór het verstrijken van de aan [verzoeker] vergunde termijn omdat hij ervan uitging dat [verzoeker] de financiering niet rond zou krijgen.
Met betrekking tot de stelling van [verzoeker] dat hij een recht van levering heeft verkregen als gevolg van een koopovereenkomst met de curatoren, heeft [verweerder 1] ter zitting van het hof op 14 mei 2014 het volgende standpunt ingenomen:
“Er is met appellant steeds gesproken over de financiën. Dit is nog geen koop. Wij zijn er uiteindelijk niet uitgekomen. De waarde van het pand is € 450.000,--. Als appellant het pand voor € 150.000,-- had gekocht, dan had hij het leeg kunnen verkopen en dan had hij € 300.000,-- in zijn zak. Ik heb daar bezwaar tegen. Dat is niet eerlijk. Hij onttrekt dan een deel aan de nalatenschap van onze vader. Er is nog gedacht aan een antispeculatiebeding. Appellant heeft dit afgewezen.”
Hierop heeft [verzoeker] ter zitting gereageerd met de volgende opmerking:
“Wij hadden overeenstemming bereikt over een bedrag van € 150.000,--. Ik begrijp niet dat er nu wordt gesproken over een bedrag van € 450.000,--.”
Uit het bovenstaande kan worden geconcludeerd dat de stelling van [verzoeker] dat hij met [verweerder 1] een koopovereenkomst heeft gesloten dan wel van [verweerder 1] een koopoptie op het pand heeft verkregen minst genomen nader onderzoek vergt. Zo heeft [verweerder 1] bijvoorbeeld in de appelprocedure verschillende bedragen als koopprijs genoemd (zie hiervoor onder 2.19, 2.21 en 2.23) en verschillende data waarop de financiering rond zou moeten zijn (zie hiervoor onder 2.19 en 2.21). Gegeven de gegrondbevinding van de klacht dat het hof [verzoeker] als belanghebbende had moeten aanmerken, betekent deze conclusie dat het hof niet ongemotiveerd aan genoemd argument van [verzoeker] had mogen voorbijgaan.
Dit brengt mee dat de bestreden beschikking moet worden vernietigd en dat het geding moet worden verwezen naar een ander hof om dit feitelijke onderzoek te doen.
3. Conclusie
De conclusie strekt tot vernietiging van de beschikking van het gerechtshof Den Haag van 6 augustus 2014 en tot verwijzing.
De Procureur-Generaal bij de
Hoge Raad der Nederlanden
A-G