2. Bespreking van het cassatiemiddel
Het cassatiemiddel bevat vier onderdelen. De daarin geformuleerde klachten richten zich vooral tegen de rov. 4.11 en 4.12 van het arrest. De te dezen van belang zijnde kernoverwegingen daaruit luiden:
- ro. 4.10: “Voor het niet verwijderen van Qubio wordt [verweerder] door de Staat dus niet aansprakelijk gesteld. [verweerder] wordt wél aansprakelijk gesteld voor het niet markeren van het wrak. (….) De aansprakelijkheid van [verweerder] berust hier volgens de Staat niet enkel op het feit dat hij niet tot markering is overgegaan, maar op de omstandigheid dat de gevaren die verbonden waren aan het nalaten daarvan zo groot waren dat de beheerder daartoe redelijkerwijs moest overgaan (memorie van grieven onder 49).”
- rov. 4.11: “Voor aansprakelijkheid van [verweerder] is te dezen allereerst onrechtmatig handelen of nalaten zijnerzijds vereist. (…) Nu het [verweerder], naar als onbestreden vaststaat, niet eens was toegestaan het wrak te markeren, valt, zonder verdere toelichting die ontbreekt, niet in te zien op welke wijze [verweerder] onrechtmatig zou hebben gehandeld door niet te markeren. Het door de Staat in dit verband mede aangevoerde (…) ‘gevaarsvereiste’ (…) vormt zonder onrechtmatig nalaten geen zelfstandige grond voor onbedoelde aansprakelijkheid.”
Uitgangspunten
Krachtens artikel 1 lid 1 Wrakkenwet kan de beheerder van onder meer openbare wateren, waartoe blijkens lid 2 ook de territoriale wateren zijn te rekenen, voorwerpen als gezonken vaartuigen opruimen.
De kosten die de beheerder krachtens de Wrakkenwet maakt, komen, zo is in artikel 10 Wrakkenwet bepaald, ten laste van de beheerder, “onverminderd diens bevoegdheid om de krachtens dit artikel te zijnen laste komende kosten te verhalen op dengene, die volgens de wet daarvoor aansprakelijk is.”
Als kosten van opruiming worden in lid 4 van artikel 2 onder meer aangemerkt kosten inzake berging, verlichting, bewaking en vervoer. Door de Staat is gesteld dat onder kosten inzake verlichting ook vallen de kosten, die verbonden waren aan het plaatsen en weghalen van de cardinale boeien. Deze stelling is in feitelijke instanties niet onjuist geoordeeld zodat hiervan moet worden uitgegaan in cassatie.
De aan het slot van artikel 10 Wrakkenwet voorziene bevoegdheid van het nemen van verhaal voor de op de grond van de Wrakkenwet gemaakte kosten op degenen, die volgens de wet daarvoor aansprakelijk zijn, biedt de ruimte voor verhaal voor die kosten langs privaatrechtelijke weg. Het kan dan gaan om een vordering uit overeenkomst maar ook om een vordering uit onrechtmatige daad.() Om in een onder de Wrakkenwet vallend geval van een onrechtmatige daad te kunnen spreken is vereist niet alleen dat er inbreuk op het eigendomsrecht van de Staat wordt gemaakt, doordat een aan een ander toebehorend voorwerp in een aan de Staat toekomend water strandt, zinkt of vastraakt en die ander niet aanstonds voor verwijdering van het betrokken voorwerp zorg draagt, maar in beginsel ook dat de gevaren, die aan de aanwezigheid van het voorwerp in het vaarwater zijn verbonden, zo groot zijn dat zij de beheerder nopen tot maatregelen zoals verwijdering.() De (geschiedenis van de) Wrakkenwet brengt niet mee dat toerekening van de onrechtmatige daad aan de eigenaar van het aanwezige voorwerp alleen kan plaats vinden in de gevallen waarin van de onrechtmatige gebeurtenis aan de eigenaar een verwijt is te maken wegens opzet of schuld. Ook wanneer aan de eigenaar van het voorwerp, waarmee onrechtmatig inbreuk op het eigendomsrecht van de Staat wordt gemaakt, hiervan geen verwijt valt te maken, kan naar de maatschappelijke opvattingen de onrechtmatige inbreuk aan hem worden toegerekend.()
onderdeel 1
Zoals hierboven in 2.1 kort vermeld, acht het hof de verhaalsvordering van de Staat niet toewijsbaar omdat er volgens het hof geen sprake is geweest van een onrechtmatig handelen van [verweerder] jegens de Staat. Tot die slotsom komt het hof omdat het nalaten door [verweerder] om zorg te dragen voor een markering niet onrechtmatig is te achten, ook al was die markering geboden vanwege het bestaan van een reële gevaarlijke situatie. Immers naar de eigen stellingen van de Staat kon en mocht [verweerder] die markering niet zelf aanbrengen. Dit oordeel wordt in het bijzonder in subonderdeel 1.1 bestreden.
De gedachtengang die in subonderdeel 1.1 wordt gevolgd, komt in de kern genomen op het volgende neer. Het aan [verweerder] toebehorende zeiljacht is gezonken en op de bodem van een vaarwater terecht gekomen, waarvan de eigendom aan de Staat toebehoorde. Doordat het zeiljacht ter plaatse aanwezig bleef, was er sprake van een situatie die niet alleen een inbreuk op het eigendomsrecht van de Staat opleverde, maar ook een zo groot gevaar voor ander scheepvaartverkeer inhield dat het aanbrengen van een markering redelijkerwijs geboden kon worden geacht. Daarmee was er, aldus het subonderdeel, al sprake van een aan [verweerder] toe te rekenen onrechtmatig handelen jegens de Staat dat de Staat het recht geeft de kosten van de door hem aangebrachte markering op [verweerder] te verhalen. Daaraan staat niet in de weg het feit dat [verweerder] wegens onbevoegdheid daartoe niet zelf de markering heeft aangebracht.
Het komt voor dat bij de zojuist weergegeven gedachtengang in subonderdeel 1.1 inderdaad tot de conclusie kan worden gekomen dat er sprake is geweest van een onrechtmatig handelen van [verweerder] jegens de Staat en dat daaraan niet in de weg staat dat [verweerder] bij gebreke van een bevoegdheid daartoe niet zelf de markering kon aanbrengen. Deze laatste omstandigheid laat onverlet dat [verweerder] een inbreuk op het eigendomsrecht van de Staat heeft doen ontstaan waaraan, naar de Staat in redelijk heeft kunnen aannemen zo lang hem nog niet bekend was dat het jacht in de zeebodem verdwenen was, een zodanig gevaar voor het overige vaarverkeer was of kon zijn verbonden dat het aanbrengen van een markering geboden was. Nu de Staat er niet op kon rekenen dat [verweerder] zelf die maatregel kon treffen, heeft de Staat zich redelijkerwijs gedwongen kunnen voelen om ter kering van dat gevaar de maatregel van het aanbrengen van een markering te treffen. Hieraan is reeds de kwalificatie te verbinden van een onrechtmatig handelen van [verweerder] jegens de Staat. Aan het gegeven dat [verweerder] mede wegens onbevoegdheid daartoe de markering niet zelf heeft aangebracht, valt hier geen andere of verdere betekenis toe te kennen dan dat de Staat als beheerder van het betrokken vaarwater te meer in redelijkheid heeft kunnen besluiten om zelf tot het aanbrengen van de markering over te gaan.
Bij het voorgaande is nog in aanmerking te nemen dat de situatie, die de Staat tot het nemen van die maatregel noopte, door [verweerder] was geschapen en dat de Wrakkenwet niet meebrengt dat voor het aan [verweerder] kunnen toerekenen van (het ontstaan en voortbestaan van) die situatie vereist is dat hem daarvan wegens schuld of opzet een verwijt is te maken.
Het voorgaande voert tot de slotsom dat subonderdeel 1.1 doel treft. Dat brengt mee dat de klachten in de andere (sub)onderdelen geen bespreking behoeven.
3. Conclusie
De conclusie strekt tot vernietiging van het bestreden arrest en tot verwijzing van de zaak naar een ander hof ter verdere behandeling.
De Procureur-Generaal bij de
Hoge Raad der Nederlanden
(A-G)