1. Feiten en procesverloop
Verzoeker tot cassatie (hierna: “[verzoeker]”) is bij vonnis van de rechtbank Midden-Nederland, locatie Utrecht van 11 juli 2013, hersteld met betrekking tot de geboorteplaats van [verzoeker] op 18 juli 2013, op verzoek van een schuldeiser, in staat van faillissement verklaard.
Op het door [verzoeker] tegen de vonnissen van 11 en 18 juli 2013 ingestelde hoger beroep heeft het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, locatie Arnhem bij arrest van 15 augustus 2013 beide vonnissen bekrachtigd.
Het door [verzoeker] tegen het arrest van 15 augustus 2013 ingestelde cassatieberoep heeft de Hoge Raad bij arrest van 14 februari 2014 verworpen met toepassing van art. 81 lid 1 RO.
De curator heeft [verzoeker], die regelmatig in het buitenland verbleef, diverse malen opgeroepen en heeft hem verzocht en gesommeerd naar Nederland te komen teneinde inlichtingen te verstrekken. [verzoeker] is op de oproepen niet verschenen en heeft geweigerd naar Nederland te komen.
Bij beschikking van de rechtbank Midden-Nederland, locatie Utrecht van 17 juli 2013, gegeven in raadkamer op 27 juli 2013, is op verzoek van de curator d.d. 16 juli 2013 bevolen dat [verzoeker] ex art. 87 Fw in verzekerde bewaring (gijzeling) zal worden gesteld in het Huis van Bewaring.
Aan dit bevel lag ten grondslag dat [verzoeker] op 16 juli 2013 niet volgens afspraak op het kantoor van zijn curator was verschenen en zich daarmee had onttrokken aan zijn wettelijke verplichting ex art. 105 Fw om voor de curator te verschijnen en deze alle inlichtingen te verschaffen, zo dikwijls hij daartoe wordt opgeroepen.
Van de beschikking tot inbewaringstelling van 17/27 juli 2013 is [verzoeker] in hoger beroep gekomen. Bij beschikking van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, locatie Arnhem van 20 februari 2014 is de beschikking tot inbewaringstelling bekrachtigd.
Het door [verzoeker] tegen de beschikking van 20 februari 2014 ingestelde cassatieberoep heeft de Hoge Raad bij beschikking van 27 juni 2014 verworpen met toepassing van art. 81 lid 1 RO.
Op grond van een Europees arrestatiebevel van 18 maart 2014 is [verzoeker] op 8 mei 2014 in Spanje aangehouden en vervolgens aan Nederland overgeleverd en in voorlopige hechtenis genomen in verband met verdenking van verduistering van gelden, faillissementsfraude en het nalaten van het geven van inlichtingen aan de curator.
Op 19 november 2014 heeft de rechtbank Midden-Nederland, locatie Utrecht (afdeling strafrecht) de voorlopige hechtenis van [verzoeker] geschorst met ingang van 20 november 2014 te 10:00 uur.
Op grond van voornoemd bevel van 17/27 juli 2013 is [verzoeker] op 20 november 2014 in verzekerde bewaring gesteld en door de rechtbank gehoord.
Bij beschikking van de rechtbank Midden-Nederland, locatie Utrecht van 20 november 2014 ex art. 87 lid 3 Fw (verlenging inbewaringstelling) is bevolen dat de inbewaringstelling van [verzoeker] tot en met 20 december 2014 zal voortduren en is bepaald dat door [verzoeker] te verstrekken inlichtingen uitsluitend worden gebruikt ten behoeve van de afwikkeling van het faillissement.
Van de beschikking tot verlenging inbewaringstelling van de rechtbank van 20 november 2014 is [verzoeker] in hoger beroep gekomen. [verzoeker] heeft het hof verzocht die beschikking te vernietigen en, opnieuw beschikkende, de verlenging van de inbewaringstelling af te wijzen en de onmiddellijke invrijheidsstelling te bevelen. Bij beschikking van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, locatie Arnhem van 8 december 2014 is de beschikking van 20 november 2014 bekrachtigd.
Deze bekrachtiging heeft het hof gebaseerd op het oordeel (in rov. 3.8) dat de omvang van de tot nu toe niet aan de curator verstrekte gegevens, de aard van de door de curator verlangde inlichtingen (waarvan [verzoeker] redelijkerwijs kan begrijpen dat deze informatie voor de boedel van groot belang is) en het vluchtgevaar de conclusie rechtvaardigen dat de bij de inbewaringstelling betrokken belangen zwaarder wegen dan de inbreuk op de persoonlijke vrijheid van [verzoeker].
[verzoeker] heeft tegen de beschikking van het hof van 8 december 2014 – het onderhavige – cassatieberoep ingesteld bij verzoekschrift, (tijdig) ingekomen ter griffie van de Hoge Raad op 8 januari 2015.
Het proces-verbaal van de mondelinge behandeling op 1 december 2014 bij het hof is naderhand bij de Hoge Raad binnengekomen. In het verzoekschrift tot cassatie is echter geen voorbehoud gemaakt met betrekking tot een eventuele aanvulling van het verzoekschrift naar aanleiding van het proces-verbaal.
2. Bespreking van het cassatiemiddel
Het verzoekschrift tot cassatie bevat één cassatiemiddel, aangeduid als onderdeel 1. Het middel klaagt dat het hof heeft miskend dat in geval van een vrijheidsbenemende maatregel ex art. 87 Fw sprake is van een schending van hetgeen is vastgelegd in het Kaderbesluit en de Overleveringswet en het daarin vastgelegde specialiteitsbeginsel.
Het middel is kennelijk gericht tegen rov. 3.4 van het hof, waarin het hof ingaat op (art. 27 lid 2 van) het Kaderbesluit van de Raad van de Europese Unie van 13 juni 2002 betreffende het Europees aanhoudingsbevel en de procedures van overlevering tussen de lidstaten (hierna: “het Kaderbesluit”), op de Overleveringswet, waarmee voornoemd Kaderbesluit in de Nederlandse wetgeving is geïmplementeerd, en op het daarin vastgelegde specialiteitsbeginsel.
Art. 27 lid 2 van het Kaderbesluit bepaalt dat de opgeëiste persoon na zijn overlevering niet kan worden vervolgd, berecht of anderszins van zijn vrijheid beroofd wegens enig ander vóór de overlevering begaan feit dan dat welk de reden tot de overlevering is geweest (het specialiteitsbeginsel).
Het hof overweegt (in rov. 3.4) dat de bescherming die het Kaderbesluit geeft, ertoe strekt te voorkomen dat de opgeëiste persoon na zijn feitelijke overlevering in de uitvaardigende lidstaat onderwerp wordt van strafvervolging, bestraffing of vrijheidsbeneming ter zake van strafbare feiten waarvoor de overlevering niet werd toegestaan en die zijn begaan vóór de feitelijke overlevering, alsmede dat de opgeëiste persoon door die lidstaat wordt over- of uitgeleverd ter zake van vóór de feitelijke overlevering begane strafbare feiten. Het specialiteitsbeginsel hangt (aldus het hof) samen met de soevereiniteit van de uitvoerende lidstaat en kent de betrokkene een recht toe om niet te worden vervolgd, bestraft of van zijn vrijheid beroofd [voor enig ander feit, LT] dan voor het feit waarvoor de overlevering is toegestaan.
Het hof is met [verzoeker] van oordeel dat een inbewaringstelling op grond van art. 87 Fw als door de rechtbank bevolen een vrijheidsbeneming is als bedoeld in het Kaderbesluit en de Overleveringswet. Die vrijheidsbeneming is echter (aldus het hof) van een ander karakter en beoogt een ander doel dan de overlevering. Van strijd met het Kaderbesluit en de Overleveringswet en het daarin vastgelegde specialiteitsbeginsel is dan ook geen sprake. Bij een inbewaringstelling (ook wel: gijzeling) op grond van art. 87 Fw gaat het om een dwangmiddel in verband met niet meewerken, welk dwangmiddel niet bestraffend maar rechtsherstellend bedoeld is. De gijzeling is geen sanctie op het niet verstrekken van informatie in het verleden of op het verstrekken van onjuiste informatie, maar een middel om de gefailleerde alsnog tot medewerking te bewegen. Van een “strafbaar feit” als bedoeld in het Kaderbesluit en de Overleveringswet, is bij het door de rechtbank gegeven bevel ex art. 87 Fw derhalve geen sprake. Dit betekent (zo concludeert het hof) dat met het bevel het bepaalde in het Kaderbesluit en de Overleveringswet niet wordt geschonden. Daaraan doet (zo voegt het hof nog toe) niet af dat, anders dan [verzoeker] betoogt, het niet verstrekken van inlichtingen aan de curator ook een strafbaar feit als bedoeld in art. 194 Sr zou kunnen opleveren. Deze inlichtingen mogen volgens de bestreden beschikking van de rechtbank (rov. 3.2) immers alleen worden gebruikt in het kader van de afwikkeling van het faillissement.
Het hof geeft met zijn overweging dat het bij een inbewaringstelling ex art. 87 Fw om een dwangmiddel gaat om de gefailleerde alsnog tot medewerking te bewegen, geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting. Inbewaringstelling moet niet worden gezien als straf of lijfsdwang, maar als dwangmiddel tegen plichtsverzuim. De Hoge Raad heeft in een arrest van 5 maart 2010 overwogen dat de strekking van de inbewaringstelling is om de gefailleerde te bewegen tot nakoming van verplichtingen welke de wet hem in verband met het faillissement oplegt. Het hof overweegt dan ook terecht dat geen sprake is van een “strafbaar feit” als bedoeld in het Kaderbesluit en de Overleveringswet. Gelet op een en ander mist het middel feitelijke grondslag en kan het niet tot cassatie leiden.
Ten slotte mist het middel feitelijke grondslag ten aanzien van zijn stellingen (in de laatste alinea van onderdeel 1) dat uit het Kaderbesluit volgt dat een overgeleverd persoon niet van zijn vrijheid beroofd mag worden en dat [verzoeker] het recht heeft om gedurende 45 dagen vrije toegang te krijgen om terug te reizen naar zijn woonplaats Gibraltar. Dit volgt niet uit het Kaderbesluit.
3. Conclusie
De conclusie strekt tot verwerping van het cassatieberoep.
De Procureur-Generaal bij de
Hoge Raad der Nederlanden