2. Ontvankelijkheid van het cassatieberoep
In dagvaardingsprocedures zijn eisers tot cassatie ingevolge art. 407 lid 3 Rv gehouden in het exploot van dagvaarding een advocaat bij de Hoge Raad aan te wijzen die hen in het geding zal vertegenwoordigen. De wettelijke sanctie op niet-naleving van dit vereiste van verplichte procesvertegenwoordiging is nietigheid, welk gebrek kan worden hersteld (zie de art. 120 e.v. Rv).
In verzoekschriftprocedures is de eis van verplichte vertegenwoordiging door een advocaat bij de Hoge Raad neergelegd in het eerste lid van art. 426a Rv, waarin is bepaald dat het beroepschrift in cassatie wordt getekend door een advocaat bij de Hoge Raad. Vaste rechtspraak van de Hoge Raad is dat het verzuim om in het verzoekschrift advocaat te stellen kan worden hersteld doordat binnen twee weken na binnenkomst ter griffie van de Hoge Raad van het oorspronkelijke verzoekschrift een advocaat bij de Hoge Raad een door hem getekend exemplaar van datzelfde verzoekschrift ter griffie indient.
Het ligt het meest voor de hand de op 1 december 2014 per fax ter griffie van de Hoge Raad ingekomen “cassatiedagvaarding huurrecht” op te vatten als een verzoekschrift, nu het schriftuur geen exploot is in de zin van art. 45 Rv en niet voldoet aan de vereisten van de art. 45 en 111 Rv.
Zoals hiervoor vermeld, zijn [verzoeker] c.s. bij brief van 4 december 2014 door de civiele griffie van de Hoge Raad erop gewezen dat voor het instellen van beroep in cassatie in een civiele zaak procesvertegenwoordiging door een cassatieadvocaat is vereist en dat het op 1 december 2014 ter griffie ingekomen cassatieschriftuur niet aan dit vereiste voldoet.
Bij fax van 17 december 2014 hebben [verzoeker] c.s. hierop gereageerd met de stelling dat uit art. 6 lid 3 onder c EVRM het recht voortvloeit zich zelf te verdedigen, dat aan deze bepaling rechtstreekse werking toekomt in de Nederlandse rechtsorde op grond van artikel 94 Grondwet en dat zij op deze grondslag de zaak, die zij hebben gestart met de cassatiedagvaarding van 1 december 2014, willen voortzetten.
De stelling van [verzoeker] c.s. dat zij op grond van art. 6 lid 3 onder c EVRM het recht hebben om in cassatie in persoon te procederen is in de eerste plaats ongegrond nu het recht zich zelf te verdedigen zoals neergelegd in het derde lid van art. 6 EVRM, slechts van toepassing is in een strafrechtelijke procedure en niet in een civielrechtelijke procedure zoals de onderhavige. Daarnaast kan worden opgemerkt dat het EHRM verplichte procesvertegenwoordiging in een strafrechtelijke procedure in beginsel niet in strijd acht met art. 6 lid 3 onder c EVRM.
Voor wat betreft de verenigbaarheid van het vereiste van verplichte procesvertegenwoordiging in de civiele cassatieprocedure met het recht op toegang tot de rechter zoals neergelegd in art. 6 lid 1 EVRM, heeft de Hoge Raad in zijn uitspraak van 23 oktober 1992, met verwijzing naar vaste rechtspraak van het EHRM, geoordeeld dat art. 426a lid 1 Rv niet in strijd is met art. 6 lid 1 EVRM.
Het is thans nog steeds vaste rechtspraak van het EHRM dat procesrechtelijke drempels die de toegang tot de rechter beperken, zoals het vereiste van verplichte procesvertegenwoordiging, in beginsel een toelaatbare beperking vormen op het recht op toegang tot de rechter zoals neergelegd in artikel 6 lid 1 EVRM. Het recht op toegang tot de rechter is volgens het EHRM niet absoluut. Dit geldt temeer in appelprocedures en cassatieprocedures omdat de lidstaten, op grond van art. 6 lid 1 EVRM, niet verplicht zijn om in appel- en cassatierechtspraak te voorzien binnen de nationale rechtsorde. Daar waar lidstaten wel een traditie van appel- en/of cassatierechtspraak hebben, genieten zij een ruime beleidsvrijheid bij de inrichting hiervan. Deze ruime beleidsvrijheid geldt met name voor de inrichting van de cassatieprocedure en het stellen van meer formalistische eisen aan de toegang tot de cassatierechter omdat in het geval van cassatie al twee feitenrechters zich inhoudelijk over een zaak hebben kunnen buigen. Het is voorts vaste rechtspraak van het EHRM dat de inrichting van de cassatierechtspraak, gezien haar aard, wel formalistisch mag zijn maar niet zo extreem formalistisch dat afbreuk wordt gedaan aan de rechtsbescherming van de rechtszoekende. De procesrechtelijke beperkingen van het recht op toegang tot de rechter moeten wel voorzienbaar zijn voor de rechtszoekende, een legitiem doel dienen en proportioneel zijn.
In het onderhavige geval is aan het vereiste van voorzienbaarheid voldaan. [verzoeker] c.s., die bekend zijn met het vereiste van verplichte vertegenwoordiging door een cassatieadvocaat, zijn bovendien bij brief van 4 december 2014, bij brief van 20 februari 2015 en nogmaals bij brief van 27 februari 2015 gewezen op het vereiste van verplichte procesvertegenwoordiging in cassatie.
Het legitieme doel van het vereiste van art. 407 lid 3 en art. 426a lid 1 Rv is erin gelegen dat voor de behandeling van een zaak in cassatie bijzondere regels gelden die een specifieke deskundigheid vergen van een advocaat die als procesvertegenwoordiger bij de Hoge Raad optreedt, zodat aan de Hoge Raad cassatiemiddelen worden voorgelegd die aan de eisen voldoen, waardoor de Hoge Raad zijn kerntaken optimaal kan vervullen.
Tot slot maakt de omstandigheid dat het vereiste van verplichte procesvertegenwoordiging kosten meebrengt voor de procespartijen niet dat het een disproportioneel vereiste is nu op grond van art. 12 Wrb in beginsel gefinancierde rechtshulp kan worden verkregen voor het voeren van een civiele cassatieprocedure. Dit recht op gefinancierde rechtsbijstand geldt ook voor het verkrijgen van cassatieadvies, zelfs een ‘second opinion’ na een eerder negatief cassatieadvies komt in beginsel voor een toevoeging in aanmerking.
M.i. dienen [verzoeker] c.s. niet-ontvankelijk te worden verklaard in het cassatieberoep dat zij hebben ingesteld bij schriftuur van 1 december 2014. Ik geef Uw Raad in overweging Stichting de Alliantie te informeren over het in behandeling nemen door de Hoge Raad van de onderhavige cassatiezaak en de uitkomst daarvan.
3. Conclusie
De conclusie strekt tot niet-ontvankelijkheid van [verzoeker] c.s. in hun cassatieberoep.
De Procureur-Generaal bij de
Hoge Raad der Nederlanden
A-G