"Feit 1
Break Even Point l (BEPl)
De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat de verdachte BEPl kon uitroepen zodra er voldoende belangstelling was om vast te kunnen stellen dat de kosten op basis van een door hem te kiezen voorlopige begroting konden worden gedekt. Hiertoe heeft de raadsman betoogd dat BEPl weliswaar aanvankelijk was gekoppeld aan de verkoop van 2.500 eenheden, maar dat die koppeling later is losgelaten in het kader van het zogenaamde 'Opstartproject' en dat de betreffende personen door deelname aan het Opstartproject ermee instemden dat het kader van het prospectus, op basis waarvan zij zich aanvankelijk hadden ingeschreven, werd verlaten.
Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de verdachte verklaard dat hij wegens de commotie die was ontstaan rond het project wilde bezien of hij met een kleiner opstartproject wel BEPl kon bereiken.
Het hof stelt het volgende vast.
De verdachte heeft verklaard in 1996 of 1997 te zijn gestart met het [L] project. Vanaf eind 1999 konden belangstellenden zich inschrijven voor een appartementsrecht in de Dominicaanse Republiek. Het beleggingsproduct kreeg - na meerdere namen te hebben gehad - uiteindelijk de naam All Investment Plan (AIP). Het betrof een toeristisch onroerend goed project waarbij een bovengemiddeld rendement van 25% werd nagestreefd. De verdachte hield de beleggers op de hoogte van de ontwikkelingen onder andere door middel van verscheidene prospectussen en nieuwsbrieven.
In diverse publicaties over het AIP was opgenomen dat het project alleen doorgang zou vinden wanneer er een redelijke mate van zekerheid bestond dat de geprognosticeerde opbrengsten de kosten van het project zouden dekken. Dit werd het zogenoemde Break Even Point (BEP 1 ) genoemd, welke op basis van gedetailleerde berekeningen zou worden bepaald en waarbij de bouw van het project van start kon gaan. In meerdere publicaties werd genoemd dat het door de verdachte gedefinieerde BEPl zou worden bereikt bij circa 2.500 verkochte woningen. Dit aantal is terug te vinden in:
- het prospectus [M] Inc. (vervaardigd in 1999);
- de brochure 'All-In' Investment Plan (in de jaren 2000-2003 uitgereikt).
In tegenstelling tot voornoemde brochures werd aan de deelnemers vanaf 2002 via door de verdachte uitgegeven nieuwsbrieven bij herhaling meegedeeld dat er een opstartfase in het leven was geroepen, wat inhield dat er 2.500 appartementsrechten moesten worden verkocht alvorens van start te kunnen gaan, waarbij 2.500 appartementsrechten gelijk stonden aan 500 woningen.
Het hof overweegt dienaangaande als volgt.
Uit het bovenstaande valt af te leiden dat de verdachte pas vanaf 2002 de opstartfase in het leven heeft geroepen omdat - naar het hof begrijpt - de verkoop van woningen tegenviel. In plaats van 2.500 verkochte woningen, zouden nu 2.500 verkochte appartementsrechten voldoende zijn om van start te kunnen gaan. De raadsman heeft daarbij aangevoerd dat de verdachte mocht afwijken van hetgeen in het prospectus stond vermeld nu in onderdeel 8, onder de 'De Opstartfase' staat vermeld dat "De opstartfase kan afwijken van hetgeen er in het prospectus staat vermeld". Dat de verdachte gaandeweg de ondergrens van de start van het project heeft verschoven, waardoor BEPl eerder zou zijn bereikt, doet naar het oordeel van het hof niet ter zake, nu noch 2.500 woningen, noch 2.500 appartementsrechten zijn verkocht en door Geometrix uiteindelijk slechts 432 kamers zijn begroot. Daar komt bij dat de verdachte nooit de definitie van BEPl, zoals opgenomen in het prospectus, kenbaar heeft gewijzigd.
Daarnaast betreffen bovengenoemde stukken steeds documenten die door of namens de verdachte onder (potentiële) deelnemers zijn verspreid en waarvan deze deelnemers kennis hebben genomen of hebben kunnen nemen." Met de rechtbank is het hof van oordeel dat het hier gaat om mededelingen gedaan buiten het bestek van enige prospectus, zodat niet valt in te zien waarom de in de voorwaarden gegeven bevoegdheid tot afwijken van het prospectus (waarin BEPl gelijk werd gesteld aan 2.500 verkochte woningen) relevant zou zijn. Uit het dossier blijkt niet dat de verdachte op enig moment namens de vennootschap het voorstel heeft gedaan om BEP l uit toe roepen bij een lager aantal verkochte woningen, noch dat de beleggers met een dergelijk voorstel hebben ingestemd. Derhalve was een wijziging van de voorwaarde waaronder deelnemers geld hebben ingelegd niet geoorloofd."
Dat verdachte volgens de steller van het middel gerechtigd was BEP 1 uit te roepen indien dat financieel gerechtvaardigd was, doet er niet aan af dat verdachte ook de zogenaamde Opstartfase zelf heeft verbonden aan de verkoop van minstens 2500 appartementsrechten en dat zelfs deze doelstelling niet was gehaald op het moment dat verdachte aan de investeerders vol trots mededeelde dat het Break Even Point 1 was gehaald (bewijsmiddel 10 en 11). In de overwegingen van het hof ligt besloten dat verdachte eigenmachtig, zonder dat aan de gestelde en gecommuniceerde voorwaarden was voldaan, heeft afgekondigd dat het Break Even Point 1 was gehaald, waardoor de investeerders de koopcontracten moesten tekenen of hun ingelegde geld kwijt zouden zijn.
Het middel faalt.
Het vijfde middel klaagt over de veroordeling voor feit 3. De witwashandelingen hebben betrekking op de voorwerpen die van verdachtes eigen misdrijven (feit 2) afkomstig zijn. Het middel noemt meer bepaald het voorhanden hebben van geldbedragen en van haarverzorgingsproducten. Het hof had voor een veroordeling moeten vaststellen dat verdachte niet alleen die voorwerpen voorhanden heeft gehad, maar ook gedragingen heeft verricht die op het daadwerkelijk verbergen of verhullen van de criminele herkomst van die voorwerpen gericht waren.
Het hof heeft in antwoord op een dienaangaand verweer het volgende overwogen:
"Verhullingshandelingen
Onder verwijzing naar jurisprudentie van de Hoge Raad van 8 januari 2013 doet de raadsman een beroep op het ontbreken van een verhullingshandeling en stelt dat het enkele voorhanden hebben van een voorwerp dat afkomstig is uit een door de verdachte zelf begaan misdrijf onvoldoende is.
Het hof overweegt dat de desbetreffende casus van andere orde is dan de onderhavige. In voornoemd arrest ging het om het enkel bij zich dragen van door de verdachte zelf verduisterd geld. Onderhavige verdachte heeft echter de door hem verduisterde gelden aangewend voor onder meer het op zijn eigen naam dan wel op naam van zijn privéondernemingen aanschaffen van onroerend goed, schilderijen en/of aan overige goederen. Deze handelingen kunnen worden aangemerkt als verhullingshandelingen, bedoeld om de criminele herkomst te verhullen."
Het hof heeft als feiten 2 en 3 bewezenverklaard
“Feit 2
(dat) hij in de periode van 1 april 1999 tot en met 1 april 2006 in Nederland en in de Dominicaanse Republiek, telkens opzettelijk geldbedragen van bankrekeningen [0001] bij ABN Amro en [0002] bij Van Lanschot t.n.v. [B] Inc, toebehorende aan een ander dan aan verdachte, en welke geldbedragen verdachte anders dan door misdrijf onder zich had, wederrechtelijk zich heeft toegeëigend, immers heeft verdachte:
1) € 1.152.051,00 belegd, voornamelijk in IT-aandelen, en
2) ongeveer € 344.654,00, betaald aan American Express en
3) geldbedragen, uitgeleend aan [betrokkene 11] (€ 26.572,74) en [betrokkene 12] (€ 10.000,00) en
4) € 250.000,00 overgemaakt aan Stichting [D] ten behoeve van aandelen, en
5) € 32.743,00, aan pinbetalingen gedaan en
6) ongeveer € 150.910,00 en € 126.030,00, aan contanten opgenomen en
7) geldbedragen overgemaakt naar bankrekeningen [0003] en [0004] t.n.v. [verdachte] en
8) geldbedragen overgemaakt naar bankrekeningen van [betrokkene 13] en
9) € 108.750,00- belegd in [E] BV en
10) voor meer geldbedragen [...] haarproducten gekocht voor [F].
Feit 3
(dat) hij in of omstreeks de periode van 14 december 2001 tot en met 17 juni 2009, te Nederland en in de Dominicaanse Republiek, van het plegen van witwassen een gewoonte heeft gemaakt, immers heeft verdachte voorwerpen, te weten,
A) (par. 4.1 i.h.b. 4.1.1 zaakspv 4)
2. een (bedrijfs)pand aan de [a-straat 1] ([...] Restaurant) te Santa Domingo en
3. een auto Mercedes-Benz en
4. b) een appartement aan de [b-straat 1] te Santa Domingo en
5. penthouses (penthouses 1001 en 1002) aan de [c-straat 1] te Santa Domingo en
6. een geldbedrag van (voor omgerekend ongeveer) € 1.156.487 uitgegeven aan privé doeleinden en/of eigen (privé) ondernemingen door middel van cheques(betalingen) en
7. inboedel, sanitair, rolluiken en apparatuur voor de inrichting van de woning(en) van [verdachte] en
8. ( een grote hoeveelheid) schilderijen en
9. inboedel [betrokkene 14] en
D) (par. 4.4 zaakspv 4 en zaakspv 3)
3. een grote hoeveelheid [...] haarproducten en
4. een grote hoeveelheid sigaren
voorhanden gehad, telkens terwijl hij wist dat die voorwerpen geheel of gedeeltelijk, onmiddellijk of middellijk, afkomstig waren uit enig misdrijf.”
Het komt er dus op neer dat verdachte geld van de investeerders, gestort op de rekeningen van [B] Inc, welk geld bestond uit inschrijfgelden en depotstortingen, zich wederrechtelijk heeft toegeëigend door dat geld niet te besteden voor het doel waarmee de investeerders dat hadden gegeven, te weten voor de eventuele aankoop van onroerende zaken in een toeristisch resort, maar dat geld heeft aangewend voor de aankoop van aandelen en haarverzorgingsproducten, het verschaffen van leningen of het doen van giften aan derden, en het doen van privébetalingen. Een deel van dat geld is getransfereerd naar andere rekeningen waarover verdachte kon beschikken.
Zoals bekend is het enkel voorhanden hebben van een voorwerp dat afkomstig is uit een door verdachte zelf begaan misdrijf onvoldoende om als witwassen te worden gekwalificeerd. Het voorhanden hebben moet hebben kunnen bijdragen aan het verbergen of verhullen van de criminele herkomst van dat voorwerp. Maar in HR 19 november 2013, NJ 2014, 74 m.nt. Borgers zou men een aanwijzing kunnen lezen dat de kwalificatie-uitsluiting alleen betrekking heeft op voorwerpen die onmiddellijk van het eigen misdrijf afkomstig zijn. Het betrof inkomsten uit de handel in illegaal vuurwerk. Een deel van de inkomsten had de verdachte besteed aan de aanschaf van luxe goederen, een ander deel had hij nog in contanten voorhanden. Het voorhanden hebben van het geld, uit eigen misdrijf afkomstig, leverde volgens de Hoge Raad nog niet zonder meer witwassen op. Maar de Hoge Raad zweeg over het voorhanden hebben van de luxe goederen.
In HR 25 maart 2014, NJ 2014, 302 m.nt. Keijzer verschafte de Hoge Raad meer duidelijkheid. Hij herhaalde de stelling dat het enkele voorhanden hebben van voorwerpen die afkomstig zijn uit eigen misdrijf onvoldoende is voor een kwalificatie tot witwassen. Dan volgen de overwegingen:
"3.4. Het Hof heeft ten laste van de verdachte onder 4 bewezenverklaard - kort gezegd - het voorhanden hebben van een woning, een plasma televisie en een aantal banktegoeden, alsmede het verwerven en voorhanden hebben van een Porsche en het verwerven van een Mercedes, terwijl hij wist dat deze voorwerpen "onmiddellijk of middellijk" van misdrijf afkomstig waren. Uit de bewijsvoering van het Hof vloeit voort dat het Hof aannemelijk heeft geacht dat deze voorwerpen afkomstig waren uit een door de verdachte zelf begaan misdrijf (het onder 1 bewezenverklaarde medeplegen van oplichting). Het Hof heeft het onder 4 bewezenverklaarde gekwalificeerd als witwassen.
Het middel stelt de vraag aan de orde of ten aanzien van al deze voorwerpen de onder 3.3 aangehaalde rechtsregels gelden. Daarbij gaat het om de vraag naar de betekenis van het in de witwasbepalingen gemaakte onderscheid tussen voorwerpen die "onmiddellijk" en voorwerpen die "middellijk" afkomstig zijn uit een door de verdachte zelf begaan misdrijf."
Vervolgens verwijst de Hoge Raad naar de wetsgeschiedenis waarin is gesteld dat witwastrajecten zich vaak kenmerken door verschillende stadia waarin uit misdrijf afkomstig voorwerpen worden omgezet in andere, die weer in andere et cetera. Niet alleen het witwassen van de directe opbrengsten uit misdrijf moet strafbaar zijn, maar ook handelingen verder in het traject. Dat is het verschil met heling omdat daar onder "een door misdrijf verkregen goed" niet het middellijk verkregene wordt begrepen. Om zeker te stellen dat de witwasbepalingen zich ook zullen uitstrekken tot witwashandelingen ten aanzien van de indirecte opbrengsten, zijn daarin de woorden "onmiddellijk of middellijk" opgenomen. Daarna overweegt de Hoge Raad:
"3.7. Hieruit blijkt dat met het gebruik van de term "middellijk" is beoogd ook gevallen waarin sprake is van witwashandelingen ten aanzien van de indirecte opbrengsten van een misdrijf, zoals gevallen waarin uit misdrijf afkomstige voorwerpen zijn omgezet in andere voorwerpen, binnen het bereik van de delictsomschrijvingen van art. 420bis en 420quater Sr te brengen.
In die gevallen waarin sprake is van voorwerpen die "middellijk" afkomstig zijn uit een door de verdachte zelf begaan misdrijf doordat direct uit misdrijf afkomstige voorwerpen nadien zijn omgezet in andere voorwerpen, doet zich niet de onder 3.3 bedoelde situatie voor waarin een verdachte die een bepaald misdrijf heeft begaan en die daardoor de uit dat misdrijf verkregen voorwerpen verwerft of voorhanden heeft, zich automatisch ook schuldig maakt aan het witwassen van die voorwerpen. Dat brengt mee dat er in beginsel geen grond is de onder 3.3 bedoelde rechtsregels ook toe te passen op dergelijke gevallen, nu het automatisme dat deze rechtsregels beogen tegen te gaan, zich in die gevallen niet voordoet.
Uit de bewijsvoering van het Hof kan worden afgeleid dat de in 3.4 genoemde voorwerpen niet "onmiddellijk" afkomstig zijn uit het ten laste van de verdachte onder 1 bewezenverklaarde misdrijf, zodat het Hof de gedragingen van de verdachte met betrekking tot die voorwerpen terecht en zonder tot de onder 3.3 bedoelde motivering gehouden te zijn heeft gekwalificeerd als witwassen. Dat geldt ook ten aanzien van de banktegoeden, nu als bewijsmiddel is gebezigd een proces-verbaal dat inhoudt dat slachtoffers van het onder 1 bewezenverklaarde geldbedragen overboekten naar bankrekeningen die op naam van [N] Limited waren gesteld en die werden aangehouden bij banken in Amsterdam en Oostenrijk (bewijsmiddel 27), zodat de in de bewezenverklaring bedoelde banktegoeden kennelijk door omzetting van die bedragen zijn ontstaan en daarmee niet "onmiddellijk" afkomstig zijn van het onder 1 bewezenverklaarde misdrijf."
Het noemen waard is ook nog HR 25 maart 2014, NJ 2014, 303 m.nt. Keijzer, waarin de verdachte was veroordeeld voor het medeplegen van een gewoonte maken van witwassen, door geld van de ene bankrekening over te maken naar buitenlandse bankrekeningen en door contant geld op te nemen van een bankrekening. De Hoge Raad herhaalde zijn bekende overwegingen over het voorhanden hebben van voorwerpen die van eigen misdrijf afkomstig zijn of het verwerven van zulke voorwerpen en overwoog dat deze regels in beginsel geen betrekking hebben op "overdragen", "gebruikmaken" en "omzetten". In een bijzonder geval kan het "overdragen", "gebruik maken" of "omzetten" echter plaatsvinden onder zulke omstandigheden dat er geen wezenlijk verschil is met gevallen waarin de verdachte die een bepaald misdrijf heeft begaan en die zo de door het misdrijf verkregen voorwerpen verwerft of voorhanden heeft, zich automatisch ook schuldig zou maken aan witwassen van die voorwerpen. Zo een ongewenste verdubbeling zou zich ook dan kunnen voordoen. Voorkomen moet worden dat enkel door iets anders te laste te leggen dan "verwerven" of "voorhanden hebben" de regels die een automatische verdubbeling van strafbaarheid willen voorkomen, zouden kunnen worden omzeild. Ook in zo'n geval moet dus ook het karakter van de gedraging zijn gericht op het daadwerkelijk verbergen of verhullen van de criminele herkomst van die voorwerpen.
Tot slot wijs ik nog op HR 7 oktober 2014, NJ 2014, 500 m.nt. Keijzer, waarin de verdachte geldbedragen, vermoedelijk van misdrijf afkomstig, op een bankrekening op eigen naam had gestort, deze bedragen weer van die rekening af had gehaald en had aangewend om de huur te betalen. Na de herhaling van de uitgangspunten met betrekking tot verwerven en voorhanden hebben van uit eigen misdrijf afkomstige voorwerpen overwoog de Hoge Raad:
"2.5.1. In het onderhavige geval gaat het om het bewezenverklaarde verwerven, voorhanden gehad hebben, overdragen of omzetten van voorwerpen - te weten geldbedragen - die afkomstig zijn uit door de verdachte zelf begane misdrijven (vermogenscriminaliteit) ten aanzien waarvan het Hof heeft geoordeeld dat zulks witwassen oplevert. Het Hof heeft vastgesteld dat verschillende geldbedragen contant op een (eigen) bankrekening zijn gestort, die bedragen nadien contant zijn opgenomen en vervolgens zijn aangewend voor betaling van de huur en het CJIB.
In die gevallen waarin het enkele storten op een eigen bankrekening van contante geldbedragen die onmiddellijk uit eigen misdrijf afkomstig zijn kan worden aangemerkt als "omzetten" of "overdragen" in de betekenis van art. 420bis, eerste lid sub b, Sr, zal in de regel sprake zijn van een bijzonder geval als hiervoor onder 2.4. bedoeld, hetgeen meebrengt dat, wil het handelen kunnen worden aangemerkt als "witwassen", sprake dient te zijn van een gedraging die een op het daadwerkelijk verbergen of verhullen van de criminele herkomst van die geldbedragen gericht karakter heeft.
Uit de door het Hof gegeven motivering kan echter niet worden afgeleid dat ten aanzien van de onderhavige stortingen sprake is van gedragingen van de verdachte die (kennelijk) ook gericht zijn geweest op het daadwerkelijk verbergen of verhullen van de criminele herkomst van die geldbedragen, zodat het oordeel van het Hof dat het bewezenverklaarde als witwassen kan worden gekwalificeerd, in zoverre ontoereikend is gemotiveerd.
Voor vernietiging van de bestreden uitspraak deswege en terugwijzing of verwijzing van de zaak voor een nieuwe behandeling bestaat onvoldoende grond aangezien door zo een partiële vernietiging de aard en de ernst van het bewezenverklaarde in zijn geheel beschouwd niet worden aangetast. De Hoge Raad heeft daarbij in aanmerking genomen dat uit de bewezenverklaring en bewijsvoering van het Hof onder meer kan worden afgeleid dat de verdachte, naast dit storten van contante geldbedragen op zijn eigen bankrekening, contante bedragen van die rekening heeft opgenomen en contante bedragen heeft gebruikt ten behoeve van bankbetalingen aan derden, een en ander in vergelijkbare omvang als de gedane stortingen."
De aanschaf van een bedrijfspand (feit 3, A2) is door verdachte betaald uit geld dat [betrokkene 20] aan verdachte heeft terugbetaald nadat dit geld, dat door beleggers was ingelegd, van een rekening van [J] Ltd aan [betrokkene 20] was geleend (bewijsmiddel 59). Ook de Mercedes (A3) is betaald uit het geld van [betrokkene 20] (bewijsmiddel 63). Het appartement, vermeld in de bewezenverklaring van feit 3 onder A4 is volgens verdachte betaald vanaf rekening 063.27.08.298 te name van [B] Inc en van rekening 63.25.23.778 te name van [J] Ltd. Het appartement is op naam gekomen van [betrokkene 21], een bedrijf van verdachte (bewijsmiddel 64 en 65). De twee penthouses genoemd als A5 zijn ook op naam gesteld van [betrokkene 21] en betaald uit een lening aan [betrokkene 21] van [J] (bewijsmiddel 69). Verdachte heeft blijkens bewijsmiddel 70 een groot aantal cheques uitgeschreven van de rekeningen waarop geld van beleggers stond, met welke cheques verdachte privé uitgaven heeft betaald (bewijsmiddel 71). Bewijsmiddel 72 geeft de bevindingen weer van een verbalisant die in de Dominicaanse Republiek onderzoek heeft gedaan en daar verschillende facturen en betaalbewijzen heeft aangetroffen. Deze betalingen hadden betrekking op kosten voor verbouwing en inrichting van zijn appartementen (A7). Het gaat in totaal om meer dan € 1.000.000. In bewijsmiddel 73 heeft verdachte gezegd dat dit privé uitgaven zijn. Niet duidelijk is met welk geld deze uitgaven zijn gefinancierd, maar niet aan redelijke twijfel is onderhevig dat dit ook weer ten koste is gegaan van het door de investeerders ingebrachte geld. De schilderijen die zijn aangetroffen (A8) zijn geproduceerd door schilders die zich contractueel jegens verdachte hebben verplicht om een bepaald aantal schilderijen per maand af te leveren. De schilderijen zijn betaald vanaf rekeningen die staan op naam van verdachte of [J] SA (bewijsmiddel 74). Volgens verdachte behoorden deze schilderijen aan [betrokkene 21] toe (bewijsmiddel 75). Onder A9 is de inventaris van een restaurant bedoeld. Dat restaurant behoorde eerst toe aan een vriend van verdachte die dat restaurant is begonnen met een lening die verdachte hem namens [J] heeft verstrekt. Toen de vriend de lening niet meer kon betalen, heeft verdachte het restaurant overgenomen en de inventaris naar zijn eigen restaurant overgeheveld.
De grote hoeveelheid [...] haarproducten (D3) is betaald van bankrekening [0002] ten name van [B] Inc ten behoeve van de groothandel [F] die verdachte in de Dominicaanse Republiek bestuurde. Dat was een privé uitgave (bewijsmiddelen 79 en 80). De sigaren (D4) zijn betaald van de Nederlandse bankrekening van [B] Inc, eveneens een privé uitgave van verdachte (bewijsmiddelen 81 en 82).
De verhouding tussen witwassen en het gronddelict verduistering is soms gecompliceerder dan de verhouding tussen witwassen en bijvoorbeeld diefstal of oplichting. Verduistering is het zich opzettelijk wederrechtelijk toe-eigenen van andermans goed dat de dader anders dan door misdrijf onder zich heeft (artikel 321 Sr). Van zodanig toe-eigenen is sprake als iemand zonder daartoe gerechtigd te zijn als heer en meester beschikt over een goed dat aan een ander toebehoort. Men beschikt als heer en meester over geld van een ander als men bijvoorbeeld dat geldt aanwendt tot het doen van uitgaven in strijd met de bestemming waarvoor het geld is gegeven.
Dat aanwenden van het geld kan erin bestaan dat men voorwerpen koopt. Men beschikt dan als heer en meester over het geld en krijgt zo het gekochte voorwerp voorhanden. Men zou dan kunnen zeggen dat dit voorwerp door het misdrijf "verduistering van het geld" is verkregen. Maar wat is verduisterd, is niet dat voorwerp maar het geld. Anderzijds is het zo dat door de verduistering van het geld dat geld wordt aangewend en in andere handen overgaat. De dader heeft dan dat geld niet meer voorhanden. Het komt er dus op neer dat wanneer men gereserveerd geld voor een ander doel aanwendt en daarvoor goederen koopt het geld wordt verduisterd en de dader vervolgens het voorwerp dat afkomstig is uit de verduistering voorhanden heeft.
Als men het geld overmaakt naar andere bankrekeningen in strijd met afspraken en bestemming zal ook al gezegd kunnen worden dat over dat geld als heer en meester wordt beschikt. Als dan de rekeningen waarnaar het geld wordt overgeboekt op naam staan van derden, of niet meer op naam te traceren zijn zal het overmaken van het geld tevens het karakter hebben van het verhullen of verbergen van de criminele herkomst ervan.
In HR 16 december 2014, ECLI:NL:HR:2014:3618 heeft de Hoge Raad maatstaven geëxpliciteerd waaraan de motivering van een veroordeling voor witwassen moet voldoen. Hij overwoog:
"2.3.1. Het middel doet een beroep op recente rechtspraak van de Hoge Raad over in het bijzonder het verwerven of voorhanden hebben van onmiddellijk uit eigen misdrijf afkomstige voorwerpen. Die rechtspraak komt er - kort gezegd - op neer dat in zulke gevallen bepaaldelijk eisen worden gesteld aan de motivering van het oordeel dat sprake is van (schuld-)witwassen in die zin dat dan uit die motivering moet kunnen worden afgeleid dat de verdachte het voorwerp niet slechts heeft verworven of voorhanden heeft gehad, maar dat zijn gedragingen ook (kennelijk) gericht zijn geweest op het daadwerkelijk verbergen of verhullen van de criminele herkomst van het voorwerp. (Vgl. met verdere verwijzingen HR 2 juli 2013, ECLI:NL:HR:2013:150, NJ 2013/515, rov. 6.4.1, 6.4.2 en 6.5)
Die motiveringseis geldt derhalve niet wanneer het gaat om voorwerpen die niet onmiddellijk, maar "middellijk" afkomstig zijn uit een door de verdachte zelf begaan misdrijf (bijvoorbeeld doordat onmiddellijk uit eigen misdrijf afkomstige voorwerpen nadien zijn omgezet in andere voorwerpen) en evenmin wanneer het gaat om voorwerpen die onmiddellijk of middellijk afkomstig zijn uit een door een ander dan de verdachte begaan misdrijf (vgl. HR 25 maart 2014, ECLI:NL:HR: 2014:702, NJ 2014/302, rov. 3.8).
Indien de feitenrechter zijn beslissing in de hierboven bedoelde zin heeft gemotiveerd, kan die motivering in cassatie worden getoetst.
Maar ook indien de feitenrechter de bewezenverklaring zonder hierop gerichte motivering als (schuld-)witwassen heeft gekwalificeerd omdat zich (kennelijk) niet een geval voordoet als hiervoor onder 2.3.1 bedoeld, kan dat (kennelijke) oordeel in cassatie op zijn begrijpelijkheid worden getoetst (zie bijvoorbeeld HR 17 december 2013, ECLI:NL:HR:2013:2001, NJ 2014/75, rov. 2.4.1 en 2.4.2).
Een dergelijk oordeel - waarin dus besloten ligt dat niet sprake is van een onmiddellijk uit eigen misdrijf afkomstig voorwerp - zal vooral niet begrijpelijk kunnen zijn indien:
(i) daarnaast sprake is van een ten laste van de verdachte uitgesproken bewezenverklaring ter zake van het begaan van een ander misdrijf met betrekking tot hetzelfde voorwerp, door middel van welk misdrijf de verdachte dat voorwerp kennelijk heeft verworven of voorhanden heeft, dan wel
(ii) rechtstreeks uit de bewijsvoering voortvloeit dat sprake is van - kort gezegd - het verwerven of voorhanden hebben van een voorwerp dat onmiddellijk afkomstig is uit een door de verdachte zelf begaan misdrijf, dan wel
(iii) de juistheid in het midden is gelaten van hetgeen door of namens de verdachte met voldoende concretisering is aangevoerd met betrekking tot dit verwerven of voorhanden hebben door eigen misdrijf."
Niet gezegd kan worden dat de bewezenverklaring van de verduistering in feit 2 betrekking heeft op dezelfde voorwerpen als die in de bewezenverklaring van feit 3 worden genoemd. Maar uit de bewijsvoering is wel af te leiden dat de voorwerpen van feit 3 afkomstig zijn van feit 2.
Het hof heeft op een verweer dat verdachte geen verhullingshandelingen heeft gepleegd, overwogen dat verdachte de door hem verduisterde gelden heeft aangewend onder meer voor het op zijn eigen naam dan wel op naam van zijn privé ondernemingen aanschaffen van allerlei goederen. Dat zijn volgens het hof verhullingshandelingen, bedoeld om de criminele herkomst te verhullen. Naar mijn oordeel is deze motivering in samenhang met de bewijsvoering toereikend, voor zover het gaat om goederen die het product zijn van verduistering, omdat zij zijn aangeschaft met verduisterd geld, en die aan anderen dan verdachte zijn gaan toebehoren. Dat is het geval met het appartement aangeduid als A4, de schilderijen (A8) en de haarproducten (D3). Deze goederen zijn weliswaar rechtstreeks afkomstig van en hangen direct samen met de verduistering van gelden, maar zijn in één adem doorgesluisd naar derden, hetgeen aan de aankoop tevens het karakter van verhulling geeft. Dan zijn er nog de gevallen waarin verdachte uit het geld van de beleggers leningen heeft verstrekt. Het verstrekken van leningen komt neer op wederrechtelijke toe-eigening van het geld, omdat het daarvoor niet was bestemd. Door het verstrekken van deze leningen is het geld verduisterd. De goederen die vervolgens met dat geld zijn aangekocht, zijn slechts middellijk uit de verduisteringen afkomstig. Dat is het geval met de penthouses (A5). Ook aanschaffingen uit de terugbetalingen van ten onrechte verstrekte leningen zijn middellijk van de verduisteringen afkomstig. Dat is het geval met A2, A3 en A9. Omdat deze goederen slechts middellijk en niet onmiddellijk van de verduisteringen afkomstig zijn, was het hof niet gehouden ten aanzien van deze goederen de kwalificatie als witwassen nader te motiveren.
Van A7 is wel duidelijk dat het gaat om aanschaffingen met verduisterd geld maar van een aspect van verhulling blijkt onvoldoende. Nog onduidelijker is de aard van A6, te weten een geldbedrag dat verdachte voorhanden zou hebben gehad. Tot slot is ook de status van D4 onduidelijk. Enkel is aannemelijk dat deze sigaren ook zijn gekocht met geld dat daarvoor niet mocht worden besteed.
Deze onvolkomenheden hoeven evenwel naar mijn mening niet tot vernietiging te leiden, omdat een verbeterde lezing met weglating van deze onderdelen uit de bewijsverklaring van feit 3 aan de aard en ernst van het totaal aan bewezenverklaarde feiten niet afdoet.
Het middel faalt.
Het zesde middel klaagt dat het hof ten onrechte de tenuitvoerlegging heeft gelast van vier maanden voorwaardelijk opgelegde gevangenisstraf nu het vonnis waarin die straf is opgelegd eerst onherroepelijk is geworden op een datum nadat de feiten waarvoor het hof verdachte heeft veroordeeld zijn begaan. De steller van het middel betoogt dat pas sprake is van een veroordeelde als de veroordeling in kracht van gewijsde is.
Het arrest houdt het volgende in:
"Vordering tenuitvoerlegging
Het openbaar ministerie heeft gevorderd de tenuitvoerlegging van de bij vonnis van de rechtbank Amsterdam van 17 april 2008 opgelegde voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 4 maanden.
Deze vordering is in hoger beroep opnieuw aan de orde.
De raadsman verzoekt afwijzing van de vordering tot tenuitvoerlegging van de voorwaardelijk opgelegde straf zoals voormeld, omdat de proeftijd van die voorwaardelijke straf volgens de raadsman pas is gaan lopen nadat de in de onderhavige zaak ten laste gelegde feiten zijn gepleegd.
Het hof stelt vast dat de proeftijd van de bij vonnis van 17 april 2008, parketnummer 13/993034-05, opgelegde voorwaardelijke straf is ingegaan op 11 december 2009, daar de verdachte zijn hoger beroep in deze zaak op die datum heeft ingetrokken en daarmee het vonnis vanaf dat moment onherroepelijk is geworden.
Het hof overweegt dienaangaande dat wanneer het gaat om niet-naleving van de algemene voorwaarde als bedoeld in artikel 14c, eerste lid, Wetboek van Strafrecht, ook een strafbaar feit begaan vóór het ingaan van de proeftijd tot tenuitvoerlegging aanleiding kan geven. Het hof ziet in de ernst van de zaak aanleiding van deze mogelijkheid gebruik te maken. Het hof is in het onderhavige geval van oordeel dat ten aanzien van de vordering tot tenuitvoerlegging van voormeld vonnis van de rechtbank Amsterdam van 17 april 2008, de tenuitvoerlegging van de bij dat vonnis voorwaardelijk opgelegde 4 maanden gevangenisstraf dient te worden gelast, nu is gebleken dat de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt."
Artikel 14b Sr bevat voorschriften over de proeftijd en luidt, voor zover relevant, aldus:
"1. De rechter die bepaalt dat een door hem opgelegde straf geheel of gedeeltelijk niet zal worden tenuitvoergelegd, stelt daarbij een proeftijd vast.
(...)
4. De proeftijd gaat in:
a. indien een kennisgeving als bedoeld in artikel 366a, eerste en tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering is uitgereikt of toegezonden, op de vijftiende dag nadat de einduitspraak is gedaan, tenzij door de tijdige aanwending van een rechtsmiddel het vonnis of arrest niet onherroepelijk is geworden;
b. indien een kennisgeving als bedoeld in artikel 366a, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering moet worden betekend, op de vijftiende dag na die betekening, tenzij door de tijdige aanwending van een rechtsmiddel het vonnis of arrest niet onherroepelijk is geworden".
Het eerste lid van artikel 14c Sr heeft de volgende inhoud:
"Toepassing van artikel 14a geschiedt onder de algemene voorwaarden dat:
a. de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit".
Het uittreksel Justitiële Documentatie van 9 oktober 2013 vermeldt dat de Rechtbank Amsterdam verdachte op 17 april 2008 heeft veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van zes maanden waarvan vier maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar. Tevens is te lezen dat de proeftijd is ingegaan op 11 december 2009, op welke dag dat vonnis onherroepelijk is geworden. Het hof heeft vastgesteld dat verdachte het hoger beroep op 11 december 2009 heeft ingetrokken. Intrekking heeft tot gevolg dat het bestreden vonnis onherroepelijk wordt. Feit 2 is begaan in de periode van 1 april 1999 tot en met 1 april 2006, dus vóórdat het vonnis van 17 april 2008 was gewezen. De feiten 1 en 3 waarvoor het hof verdachte heeft veroordeeld, zijn begaan in een tijdspanne toen dat vonnis al was gewezen maar nog niet onherroepelijk was.
In de pleitnota van hoger beroep werd geklaagd dat de rechtbank de tenuitvoerlegging heeft gelast hoewel de proeftijd eerst op 11 december 2009 inging. De proeftijd is zo in wezen opgerekt van twee tot ruim 3,5 jaar. De pleitnota klaagde er niet over dat de tenuitvoerlegging niet mocht worden gelast omdat de nieuwe feiten zijn begaan terwijl de voorwaardelijke veroordeling nog niet onherroepelijk was geworden.
In HR 14 juni 2005, NJ 2005, 328 heeft de Hoger Raad beslist dat niet-naleving van de algemene voorwaarde als bedoeld in artikel 14c lid 1 Sr ook tot tenuitvoerlegging aanleiding kan geven als het nieuwe strafbaar feit is begaan voor het ingaan van de proeftijd. In die zaak was echter, zo blijkt uit de conclusie, de voorwaardelijke veroordeling onherroepelijk geworden voordat de nieuwe feiten die de aanleiding vormden voor de vordering tenuitvoerlegging waren begaan. Dat is in de onderhavige zaak niet het geval. Hoewel in feitelijke aanleg er niet over is geklaagd dat de voorwaardelijke veroordeling nog niet onherroepelijk was toen de nieuwe feiten werden begaan, werpt de cassatieschriftuur deze vraag wel op. Het komt mij voor dat deze vraag in cassatie wel beantwoord moet worden, omdat het antwoord op die vraag beslissend is voor het al dan niet geoorloofd zijn van de last tot tenuitvoerlegging.
Bleichrodt schrijft in zijn dissertatie dat de algemene voorwaarde in ieder geval niet slechts gedurende de proeftijd van kracht is maar ook voordat de proeftijd is ingegaan. De achtergrond van deze bijzonderheid blijkt volgens Bleichrodt uit de wetsgeschiedenis en is dat met het aan het licht komen van het strafbaar feit het reclasseringsplan dat aan de voorwaardelijke veroordeling ten grondslag kon liggen op verkeerde premissen blijkt te zijn gebaseerd. Bleichrodt maakt onderscheid tussen de procedurele en sanctionerende functie van de voorwaardelijke veroordeling, die met elkaar op gespannen voet staan. De procedurele functie legt het accent op de grondslag van de straftoemeting. Door de voorwaardelijke veroordeling wordt de definitieve straftoepassing uitgesteld. Maar als een voorwaardelijke straf wordt opgelegd, ervan uitgaande dat de rechter met alle omstandigheden bekend is geweest, kan de grondslag aan de strafoplegging in het geding komen wanneer verdachte toch nog andere feiten blijkt te hebben begaan. Tenuitvoerlegging van een voorwaardelijke straf moet mogelijk zijn ingeval van een gebeurtenis die zich ten tijde van het onderzoek ter terechtzitting al had voorgedaan maar die aan de rechter onbekend is gebleven en die reden zou zijn geweest om een onvoorwaardelijke straf op te leggen. Er is sprake van een soort herziening ten nadele. De sanctionerende functie van de voorwaardelijke veroordeling hecht vooral betekenis aan de voorwaardelijke veroordeling als waarschuwing, als middel om het gedrag van veroordeelde te sturen. De voorwaardelijke veroordeling is een sanctie zoals andere en moet ook op dezelfde voet worden behandeld als die andere sancties. Andere sancties zijn ook niet aan wijziging onderhevig als achteraf blijkt dat verdachte voor de veroordeling nog andere strafbare feiten heeft begaan.
Bleichrodt stelt dat uit HR 13 januari 1981, NJ 1981, 240 m.nt. Van Veen zelfs kan worden afgeleid dat feiten die zijn begaan na het vonnis waarbij de voorwaardelijke veroordeling is uitgesproken maar voor het in kracht van gewijsde komen van dat vonnis, grond kunnen opleveren voor tenuitvoerlegging. In die zaak werd geklaagd over schending van de redelijke termijn omdat het hof het dossier te laat na het arrest naar de Hoge Raad had ingezonden, nl. niet binnen de toen nog geldende termijn van 30 dagen na afloop van de termijn voor het OM om een cassatieschriftuur in te dienen, maar veel later. Het hof had verdachte veroordeeld tot een deels voorwaardelijke straf. In cassatie werd geklaagd dat door de te late inzending het ingaan van de proeftijd werd uitgesteld, omdat de proeftijd pas ingaat nadat het OM de onherroepelijk geworden uitspraak aan de veroordeelde heeft betekend. En daarmee werd volgens het cassatiemiddel ook de kans op een tenuitvoerlegging groter. Klaarblijkelijk ging het cassatiemiddel ervan uit dat strafbare feiten die de verdachte zou begaan voordat de Hoge Raad arrest zou wijzen ook aanleiding zouden kunnen vormen voor een tenuitvoerlegging wegens schending van de algemene voorwaarde. Als tenuitvoerlegging alleen maar zou kunnen worden gelast wegens een nieuw strafbaar feit als dat nieuwe feit is begaan na het onherroepelijk worden van de voorwaardelijke veroordeling, zou deze klacht iedere grondslag ontberen. De voorwaardelijke veroordeling zou immers pas onherroepelijk worden door verwerping van het cassatieberoep. En daarvoor is de termijn die verstrijkt tussen het door het hof gewezen arrest en de uiteindelijke beslissing van de Hoge Raad niet van belang. De verdachte zou juist profijt kunnen hebben van een extra lang tijdsverloop in de cassatiefase, omdat strafbare feiten, begaan in dat stadium, nooit tot tenuitvoerlegging zouden kunnen leiden. De Hoge Raad verwierp het beroep omdat er geen schending van de redelijke termijn was. Het mogelijke gevolg van de schending van de in artikel 433 lid 3 (oud) Sv gestelde termijn vormt geen bijzondere omstandigheid die tot een ander oordeel leidt. De Hoge Raad sloot dus niet uit dat de tenuitvoerlegging zou kunnen worden gelast wegens een nieuw feit na de voorwaardelijke veroordeling, hoewel de voorwaardelijke veroordeling op het moment van het begaan van het nieuwe feit nog niet onherroepelijk zou zijn.
Aan het feit dat de wetgever spreekt van "veroordeelde" kan geen argument ontleend worden voor de stelling dat de voorwaardelijke veroordeling onherroepelijk moet zijn. Ook bijvoorbeeld in artikel 14b Sr wordt dit woord gebruikt in verband met de bepaling van de duur van de proeftijd.
Ten overvloede wijs ik erop dat de voorwaardelijke veroordeling van 17 april 2008 in ieder geval onherroepelijk was toen de rechtbank vonnis en het hof arrest wees en dat de rechtbank de zaak op 3 april 2008 op tegenspraak heeft behandeld omdat een gemachtigd advocaat de verdediging heeft gevoerd. Daaruit mag worden afgeleid dat verdachte binnen veertien dagen na het vonnis in ieder geval op de hoogte is geweest van zijn veroordeling.
Het middel faalt.
Het zevende middel klaagt over schending van de redelijke termijn in de cassatiefase. Het cassatieberoep is op 19 november 2013 ingesteld en het dossier is eerst op 28 augustus 2014 ter griffie van Hoge Raad ontvangen.
De in het middel genoemde data zijn correct. De door de Hoge Raad op acht maanden gestelde inzendtermijn is met een maand en negen dagen overschreden. Deze schending van de redelijke termijn dient te leiden tot een vermindering van de opgelegde straf.
10. Behoudens het zevende middel treffen de voorgestelde middelen geen doel. Het eerste en het vierde middel kunnen naar mijn oordeel met de aan artikel 81 RO ontleende motivering worden verworpen. Ambtshalve heb ik geen grond aangetroffen die tot vernietiging aanleiding behoort te geven.
11. Deze conclusie strekt tot verbeterde lezing van de bewezenverklaring van feit 1 en van feit 3, tot vermindering van de opgelegde straf en tot verwerping van het beroep voor het overige.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden