De beoordeling
(…)
"Er ligt een concrete verdenking van witwassen tegen een cliënt van klager. Voor het traceren van de geldstromen en dus ten behoeve van de waarheidsvinding en het onderzoek naar eventueel wederrechtelijk verkregen voordeel is het noodzakelijk dat ook de onderhavige stukken in het onderzoek worden betrokken. Dat onderzoek is nog niet afgerond. Gelet op de feiten en omstandigheden en de wijze waarop artikel 98 tweede lid van het Wetboek van Strafvordering moet worden uitgelegd, maken de geschriften naar het oordeel van de rechtbank voorwerp van het strafbare feit uit of hebben tot het begaan daarvan gediend. De rechtbank is niet gebleken dat het onderzoek ook zonder de inbeslaggenomen stukken met louter andere middelen zou kunnen worden gedaan. Daarmee neemt de rechtbank in aanmerking dat het gaat om het traceren van geldstromen en niet louter om het traceren van formeel vastgelegde transacties die in openbare informatiebronnen zijn terug te vinden. Gelet op het voorgaande moet het klaagschrift in zijn geheel ongegrond worden verklaard.
(…)
DE BESLISSING
De rechtbank verklaart het beklag ongegrond."
Aan het verschoningsrecht ligt ten grondslag dat het maatschappelijk belang dat de waarheid in rechte aan het licht komt moet wijken voor het maatschappelijk belang dat een ieder zich vrijelijk en zonder vrees voor openbaarmaking van het toevertrouwde om bijstand en advies tot de verschoningsgerechtigde moet kunnen wenden. Ingevolge art. 98 Sv mogen bij personen met een bevoegdheid tot verschoning als bedoeld in art. 218 Sv - zoals i.c. een advocaat - zonder hun toestemming brieven of andere geschriften tot welke hun plicht tot geheimhouding zich uitstrekt, niet in beslag worden genomen. Wel mogen, ook zonder hun toestemming, in beslag worden genomen brieven of geschriften die voorwerp van het strafbare feit uitmaken of tot het begaan daarvan hebben gediend, nu dergelijke brieven en geschriften geen object zijn van de aan evenbedoelde personen toekomende bevoegdheid tot verschoning. De aard van de hier aan de orde zijnde bevoegdheid tot verschoning brengt mee dat het oordeel omtrent de vraag of brieven of geschriften object van de bevoegdheid tot verschoning uitmaken in beginsel toekomt aan de tot verschoning gerechtigde persoon. Wanneer deze zich op het standpunt stelt dat het gaat om brieven of geschriften die noch voorwerp van het strafbare feit uitmaken noch tot het begaan daarvan hebben gediend en waarvan kennisneming zou leiden tot schending van het beroepsgeheim, dient dit standpunt door de organen van politie en justitie te worden geëerbiedigd, tenzij redelijkerwijze geen twijfel erover kan bestaan dat dit standpunt onjuist is.
Voor een beroep op het verschoningsrecht is niet van belang of de in het geding zijnde informatie zich bij de advocaat zelf of bij diens cliënt bevindt.
Het verschoningsrecht van o.m. de advocaat is echter in zoverre niet absoluut, dat zich zeer uitzonderlijke omstandigheden laten denken waarin het belang dat de waarheid aan het licht komt - ook ten aanzien van datgene waarvan de wetenschap hem als zodanig is toevertrouwd - moet prevaleren boven het verschoningsrecht. De beantwoording van de vraag welke omstandigheden als zeer uitzonderlijk moeten worden aangemerkt is niet in een algemene regel samen te vatten. Daarbij geldt voorts dat indien moet worden geoordeeld dat het belang van de waarheidsvinding dient te prevaleren, die inbreuk op het verschoningsrecht niet verder mag gaan dan strikt nodig is voor het aan het licht brengen van de waarheid van het desbetreffende feit.
Zoals de Hoge Raad overweegt kan doorzoeking ter inbeslagneming bij een advocaat zonder diens toestemming plaatsvinden als het gaat om brieven en geschriften die voorwerp van het strafbare feit uitmaken of tot het begaan daarvan hebben gediend. Wanneer de verschoningsgerechtigde geheimhouder, zoals in casu, zich op het standpunt stelt dat het gaat om brieven en geschriften die noch voorwerp van het strafbare feit uitmaken noch tot het begaan daarvan gediend hebben en waarvan kennisneming zou leiden tot schending van het beroepsgeheim, dient dit standpunt door de organen van politie en justitie te worden geëerbiedigd, tenzij er redelijkerwijze geen twijfel over kan bestaan dat dit standpunt onjuist is.
Kennelijk tegen de achtergrond van de bevindingen en conclusie van de rechter-commissaris in diens beschikking van 26 maart 2014 heeft de Rechtbank geoordeeld dat de geschriften voorwerp van het strafbare feit uitmaken of hebben tot het begaan daarvan hebben gediend. Ten aanzien van de begrijpelijkheid van dit oordeel van de Rechtbank merk ik het volgende op. De Rechtbank komt tot haar oordeel ‘gelet op de feiten en omstandigheden en de wijze waarop artikel 98, tweede lid, Sv moet worden uitgelegd’. De in aanmerking genomen factoren worden echter niet van enige invulling voorzien, zodat ik de redenering van de Rechtbank niet bepaald kan volgen. Het had op de weg van de Rechtbank gelegen nader te motiveren op welke wijze de stukken onderdeel hebben uitgemaakt van de strafbare feiten waarvoor verdenking bestond of tot het begaan van die strafbare feiten hebben gediend. Opmerking verdient dat het enkele feit dat de geschriften ter opheldering van het strafbare feit zouden kunnen dienen (dus voor de waarheidsvinding van belang zijn) in deze context geen geldig argument is om deze buiten het verschoningsrecht te laten vallen. Daarvoor zijn dan weer de (zeer) uitzonderlijke omstandigheden vereist, waaromtrent de rechtbank niets heeft vastgesteld. Met andere woorden: mij is niet duidelijk in welk opzicht en in hoeverre de inbeslaggenomen documenten ‘corpora’ of ‘instrumenta’ zijn van het strafbare feit, ook niet wanneer voor wat betreft de aard en inhoud van de stukken het oordeel van de rechter-commissaris wordt gevolgd. De onbegrijpelijkheid van het oordeel van de Rechtbank wordt vergroot als het door de raadsman gestelde (wat betreft de inhoud van de stukken) in aanmerking wordt genomen. Gelet op het vorenstaande en op hetgeen door de raadsman in raadkamer is aangevoerd, is het oordeel van de Rechtbank zonder nadere motivering, die ontbreekt, niet begrijpelijk. Voor zover het middel hierover klaagt is het mijns inziens terecht voorgesteld.
Het voorgaande voert tot de slotsom dat de beslissing van de Rechtbank onvoldoende is gemotiveerd.
Het middel slaagt.
5. Gronden waarop de Hoge Raad gebruik zou moeten maken van zijn bevoegdheid de bestreden beschikking ambtshalve te vernietigen, heb ik niet aangetroffen.
6. Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden beschikking en tot zodanige op analoge toepassing van art. 440 Sv gebaseerde beslissing als de Hoge Raad gepast zal voorkomen.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG