DNA-onderzoek
Onderstaand onderzoeksmateriaal is onderworpen aan DNA-onderzoek:
SIN: AAFD7102NLM1
Bemonstering van het gehele bitje uit een sporttas
Resultaten, interpretatie en conclusie
SIN Beschrijving DNA-profiel/ Berekende frequentie celmateriaal kan afkomstig of matchkans zijn van DNA-profiel
AAFD7102NL#01 DNA-profiel van een man Kleiner dan 1 op 1 miljard
[verdachte]
DNA-databank
Het DNA-profiel van het celmateriaal in de bemonstering AAFD7102NL #01 is op 1 februari 2013 opgenomen in de Nederlandse DNA-databank voor strafzaken en wordt sindsdien vergeleken met daarin aanwezig DNA-profielen. Hierbij is een match gevonden met de DNA-profielen in DNA-profielcluster 13203. Het DNA-profiel van [verdachte] RFU151 maakt deel uit van dit DNA-profielcluster. Dit betekent dat het celmateriaal in de bemonstering AAFD7102NL#01 afkomstig kan zijn van [verdachte].
5. Het in de wettelijke vorm door verbalisant [verbalisant 5], analist bij politie Midden-Nederland, divisie Informatie, opgemaakt rapport telecomanalyse onderzoek 09Convent13, dossiernummer 2013 022772, gedateerd 6 juni 2013, dossierpagina 531-536, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:
Uit tactisch onderzoek bleek dat voor de kunstroof de volgende personen als verdachten in aanmerking kwamen:
• [medeverdachte 1], geboren op [geboortedatum] 1984;
• [verdachte], geboren op [geboortedatum] 1991;
• [medeverdachte 3], geboren op [geboortedatum] 1987;
• [betrokkene 3], geboren op [geboortedatum] 1990.
Verder bleek uit onderzoek dat voornoemde verdachten een aantal mobiele telefoons in gebruik hadden. Van de telefoonnummers die op de dag van de kunstroof in gebruik waren, volgt hieronder een overzicht met bevindingen:
Het nummer [001] (in gebruik bij verdachte [verdachte]) straalt op 29 januari 2013 tussen 12.00 en 17.00 uur (o.a. ook om 14.28 uur) de mastlocatie Cremerplein 1 te Utrecht aan.
Uit analyse van de historische printlijst van zowel de nummers [002] en [003] (in gebruik bij [medeverdachte 3]) als van nummer [004] (in gebruik bij verdachte [verdachte]) blijkt dat zij op 30 januari 2013 een mast aanstralen in Tiel.
Nummer [003] (in gebruik bij [medeverdachte 3]) straalt op 30 januari 2013 tussen 21.27 uur en 21.36 uur vier maal de mast aan de [a-straat 1] te Tiel aan. Nummer [004] (in gebruik bij verdachte [verdachte]) straalt op 30 januari 2013 om 21.36 uur dezelfde mast aan de [a-straat 1] te Tiel aan.
Uit onderzoek is gebleken dat opa en oma van [medeverdachte 3], de bewoners van de woning in Tiel, waar de monstrans werd gefotografeerd, de beschikking hebben over een drietal telefoonnummers, te weten:
[005]
[006]
[007]
Uit analyse blijken de volgende contacten:
Op 29 januari 2013 om 19.45 uur wordt nummer [001] (in gebruik bij verdachte [verdachte]) ingebeld door nummer [005];
Op 29 januari 2013 om 20.05 uur wordt nummer [004] (in gebruik bij verdachte [verdachte]) ingebeld door nummer [005];
Op 30 januari 2013 om 15.00 uur wordt nummer [004] (in gebruik bij verdachte [verdachte]) ingebeld door nummer [005].
6. Het in de wettelijke vorm door verbalisant [verbalisant 2], brigadier van politie, opgemaakt proces-verbaal relaas dossier kunstroof, dossiernummer 2013 022772, gedateerd 18 juni 2013, dossierpagina 11-24, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:
Op 12 februari 2013 werd in de uitzending van het RTV Utrecht nieuws van 12.00 uur aangekondigd dat er de volgende dag beelden getoond zouden gaan worden van de diefstal van de monstrans uit het Catharijneconvent te Utrecht. Tevens werd er gemeld dat door de verzekeraar van de monstrans een beloning zou worden uitgeloofd voor degene met de tip, die zou leiden tot de vondst van de monstrans.
7. Het schriftelijke bescheid, inhoudende een uitgewerkt tapgesprek (gevoerd op 12 februari 2013 te 14:20:13 uur), dossierpagina 739, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:
Getapt telefoonnummer: [008]
([verdachte] belt uit naar NNman9997)
9997 ligt nog te slapen
[verdachte]: Kijk is tv, zet je tv aan
9997: tv waarom?
[verdachte]: klotezooi
9997: echt niet
[verdachte]: ja
9997: meen je dat, ernstig
[verdachte]: ja
Bellen elkaar zo
8. Het schriftelijke bescheid, inhoudende een uitgewerkt tapgesprek (gevoerd op 12 februari 2013 te 19:55:19 uur), dossierpagina 740, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:
Getapt telefoonnummer: [002]
(NNman8428 wordt gebeld door NNman4814)
8428: Jo.
4814: Jo, ben je al weer een bietje bijgekomen?
8428: Ja tuurlijk joh. Jij ook.
4814: Ja, ik moest werken vandaag natuurlijk.
8428: Oh moest je werken, ben je gegaan ook?
4818: Tuurlijk ben ik gegaan.
8428: Oh ok.
4814: Ik hoor uh net uh dat er een beloning op dat ding is.
8428: Volgens mij ben je verkeer verbonden of zoiets jochie, uh.
4814 Ja he.
8428: Kankermongool.
9. Het schriftelijke bescheid, inhoudende een uitgewerkt tapgesprek (gevoerd op 13 februari 2013 te 10:29:09 uur), dossierpagina 744, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:
Getapt telefoonnummer: [002]
NNman8428 belt uit naar NNman0297
0297: Hallo
8428: Jongen?
0297: Hey [medeverdachte 3]
8428: Waar blijf je nou, jochie.
0297: Ik kan niet van huis weg.
8428: nou nou nou. Ja zo dan heb ik zo geen auto meer snappie. Daarom bel ik al om 9 uur in de ochtend jochie
0297: ok
8428: het is half elf jochie
0297: half elf?
8428: voordat je hier bent, is het alweer een half uur. Weer een twee uur zitten wachten voor jan doedel
0297: nee joh, ik zie je zo
8428: Ok jochie
10. Het schriftelijke bescheid, inhoudende een uitgewerkt tapgesprek (gevoerd op 13 februari 2013 te 13:07:53 uur), dossierpagina 745, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:
Getapt telefoonnummer: [002]
([verdachte] belt uit met [betrokkene 8])
NNman belt uit en NNvrouw neemt op
NNman zegt tegen NNvrouw: ik moet de auto hebben, het is heel belangrijk
NNvrouw vraagt waar hij naartoe gaat
NNman zegt: ik moet naar iemand toe om te praten
NNvrouw zegt: ik moet wel tanken, want hij is bijna leeg
NNman zegt: ik gooi er wel een tientje in.
NNvrouw zegt: de auto moet naar de garage vandaag
NNman vraagt: wanneer
NNvrouw zegt: ik bel je zo
Einde gesprek
(noot verbalisant: [betrokkene 8] is de moeder van [verdachte])
11. Het schriftelijke bescheid, inhoudende een uitgewerkt tapgesprek (gevoerd op 13 februari 2013 te 15:44:08 uur), dossierpagina 747, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven
([medeverdachte 3] belt uit naar NNman4242)
Getapt telefoonnummer: [002]
4242: [betrokkene 9].
[medeverdachte 3]: He [betrokkene 9] jongen, met [medeverdachte 3].
(…)
[medeverdachte 3]: Wil je een zakcentje verdienen?
4242: Wat zeg je?
[medeverdachte 3]: ik zeg: wil je een zakcentje verdienen?
4242: Nou, euh,..dat kan ik wel gebruiken ja
[medeverdachte 3]: Ja, heb je tijd?
4242: Om te stucadoren of niet, bedoel je?
[medeverdachte 3]: nee nee nee
4242: O, wat anders?
[medeverdachte 3]: even met mij meerijden, kan je even een meiertje verdienen met me.
4242: waarheen rijden?
[medeverdachte 3]: Ik moet even geld ophalen in België
4242: Euhh nu?
[medeverdachte 3]: Ja krijg je... euh. Krijg je een meiertje van me en dan betaal ik de tank.
4242: En euhh hoe laat (niet te verstaan)
[medeverdachte 3]: wat zei je?
4242: Hoe laat wil je weg dan?
[medeverdachte 3]: ja, zo snel mogelijk
4242: Hoe lang is het rijden
[medeverdachte 3]: euhh... anderhalf uur.
4242: anderhalf uur heen, anderhalf uur terug. Het is nou, 4 uur weg, 5 uur. 6 uur, uurtje of 8 terug..
[medeverdachte 3]: juist
4242: ja is goed
[medeverdachte 3]: Ja?
4242: Ja is goed
[medeverdachte 3]: oke...euhh...kom maar op. Haal ons maar op bij mijn huis.
4242: ja, dan rij ik nu gelijk door. Ik was al onderweg naar mijn huis eigenlijk, maar dan rij ik naar je toe.
[medeverdachte 3]: oke, nee is goed. [betrokkene 9]. zie ik je zo
4242: Oke, doei
[medeverdachte 3]: oke, doe doei [betrokkene 9].
Bij navraag bij Ciot van het gebelde nummer 4242 bleek dat nummer op naam te staan van [betrokkene 9], met op zijn naam een Citroen Berlingo, voorzien van het kenteken [AA-00-BB].
12. Het in de wettelijke vorm door verbalisanten [verbalisant 6], Q-41, Q-68, Q-71, Q-86, Q-88 en Q-91, allen opsporingsambtenaar, opgemaakt proces-verbaal van observeren d.d. 13 februari 2013, genummerd 130213/CONV/02, gedateerd 13 februari 2013, dossierpagina 520-524, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:
Op 13 februari 2013 zij tijdens een stelselmatige observatie de navolgende waarnemingen gedaan/ en/of is het volgende ondernomen:
Omstreeks 16.02 uur zag ik, Q-41, dat een groene bestelauto van het merk Citroen, type Berlingo, en voorzien van het kenteken [AA-00-BB], over de Vleutenseweg te Utrecht reed ter hoogte van het Majellapark.
Omstreeks 16.04 uur zag ik, Q-41, dat:
- voornoemde Citroen geparkeerd werd op het trottoir ter hoogte van de portiek die onder andere toegang biedt tot perceel [b-straat 1] te Utrecht;
- NN1 uit voornoemde Citroën stapte en naar de voornoemde portiek liep;
- NN1 niets zichtbaars met zich meedroeg;
- de deur van de voornoemde portiek werd geopend en NN1 een naar buiten gestoken hand schudde;
- NN1 de voornoemde portiek vervolgens binnenging;
- de alarm verlichting van voornoemde Citroën bleef branden.
Omstreeks 16.28 uur zagen wij, Q-41 en Q-71 dat:
- Vier mannen, waaronder NN1 en NN2 uit de voornoemde portiek kwamen;
- Geen van deze mannen zichtbaar iets met zich meedroegen;
- NN1 als bestuurder in de Citroen [AA-00-BB] stapte;
- De andere twee mannen, nader te noemen NN3 en NN4, in een lichtblauwe personenauto stapten van het merk Hyundai, type i30 en voorzien van het kenteken [CC-00-DD];
- NN3 werd later herkend als subject [verdachte];
- [verdachte] als bestuurder en NN4 als bijrijder in voornoemde Hyundai stapten:
- De Citroën [AA-00-BB] wegreed over de Vleutenseweg in de richting van de Spinozaweg te Utrecht;
- De Hyundai [CC-00-DD] achter de Citroen [AA-00-BB] aanreed.
Omstreeks 16.32 uur zag ik, Q-86, dat in de kofferruimte van de Hyundai [CC-00-DD] een voorwerp lag dat verpakt was middels één of meer zwarte vuilniszakken.
Omstreeks 16.42 zagen wij, Q-86 en Q-68 dat de Hyundai [CC-00-DD] en de Citroen [AA-00-BB] stopten op de [c-straat] te Vleuten, ter hoogte van de percelen 13 tot en met 17.
Omstreeks 16.42 uur zag ik, Q-86, dat:
- NN1 nog in de Citroen [AA-00-BB] zat;
- Twee mannen wegliepen uit de richting van de Hyundai [CC-00-DD] en in de richting liepen van de voornoemde perceelnummers van de [c-straat] te Vleuten.
Omstreeks 16.54 uur zag ik Q-86 dat:
- NN1, NN4 en een derde man, wiens signalement sterk overeenkwam met dat van subject [verdachte], uit de woning [c-straat] 15 te Vleuten kwamen. Aangezien mijn positie ongewijzigd was, sluit ik niet uit dat het perceel [c-straat] 13 te Vleuten betrof.
- NN1 en NN4 en de hierboven omschreven persoon uit de woning kwamen. Eén van hen een groot voorwerp, met vaste vormen, omhuld met een grijze vuilniszak, uit deze woning bij zich droeg.
- NN1 en de onbekend gebleven persoon hierna naar de Hyundai [CC-00-DD] liepen en dit voorwerp op de achterbank van de Hyundai [CC-00-DD] legden.
Omstreeks 16.54 uur zagen wij, Q-91, Q-86 en Q-88, dat het voorwerp ongeveer één meter hoog was, ongeveer 40 cm breed was en ongeveer 20 centimeter diep was.
Ik, Q-88, zag dat subject [verdachte] op de bestuurdersplaats van de Citroen [AA-00-BB] plaatsnam. Ik, Q-86, zag dat NN1 en NN4 bij de Hyundai stonden te praten.
Omstreeks 16.56 zagen wij, Q-71 en Q-88 dat de Citroën [AA-00-BB] stilstond in de file op de rijksweg A27 ter hoogte van het knooppunt Gorinchem.
Omstreeks 17.50 uur herkende ik, Q-88, de bestuurder van de Citroen [AA-00-BB] als zijnde het subject [verdachte]. Rond dit tijdstip werden subject [verdachte], NN1 en NN4 aangehouden.
13. Het in de wettelijke vorm door verbalisanten [verbalisant 7], brigadier van Korps Landelijke Politiediensten, en [verbalisant 8], hoofdagent van Korps Landelijke Politiediensten, opgemaakt proces-verbaal van aanhouding, genummerd PL26IR 2013008046-7, gedateerd 13 februari 2013, dossierpagina 38-39, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:
Op 13 februari 2013 te 17.50 uur hielden wij, verbalisanten, op de A27 als verdachte aan:
Achternaam: [achternaam verdachte] (opmerking hof: NN3)
Voornaam: [voornaam verdachte]
Geboren: [geboortedatum] 1991
14. Het in de wettelijke vorm door verbalisanten [verbalisant 7], brigadier van Korps Landelijke Politiediensten, en [verbalisant 8], hoofdagent van Korps Landelijke Politiediensten, opgemaakt proces-verbaal van aanhouding, genummerd PL261R 2013008046-9, gedateerd 13 februari 2013, dossierpagina 78-79, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:
Op 13 februari 2013 te 17.50 uur hielden wij, verbalisanten, op de A27 als verdachte aan:
Achternaam: [achternaam medeverdachte 3] (opmerking hof: NN1)
Voornaam: [voornaam medeverdachte 3]
Geboren: [geboortedatum] 1987
15. Het in de wettelijke vorm door verbalisanten [verbalisant 9], en [verbalisant 10], beiden brigadier van Korps Landelijke Politiediensten, opgemaakt proces-verbaal van aanhouding, genummerd PL261R2013008046-2, gedateerd 13 februari 2013, dossierpagina 174-175, voorzover inhoudende, zakelijk weergegeven:
Op 13 februari 2013 te 17.50 uur hielden wij, verbalisanten, op de A27 als verdachte aan:
Achternaam: [achternaam betrokkene 9] (opmerking hof: NN4)
Voornaam: [voornaam betrokkene 9]
Geboren: [geboortedatum] 1977
16. Het in de wettelijke vorm door verbalisanten [verbalisant 10] en [verbalisant 9], beiden brigadier van politie, opgemaakt proces-verbaal van bevindingen, genummerd PL261R 2013008046-5, gedateerd 13 februari 2013, dossierpagina 422, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:
Op 13 februari 2013 hebben wij, verbalisanten [verbalisant 10] en [verbalisant 9], een onderzoek ingesteld waarbij het volgende is bevonden. Na aanhouding van verdachte [betrokkene 9] kreeg verbalisant [verbalisant 10] een telefonisch verzoek van de meldkamer van de politie om in het voertuig waarin [betrokkene 9] reed, een Hyundai met kenteken [CC-00-DD], te kijken of daar een plastic vuilniszak zou liggen. Hierop heeft verbalisant [verbalisant 10] het genoemde voertuig geopend en zag op de achterbank, achter de bestuurdersstoel, een vuilniszak liggen. Nadat ik, verbalisant [verbalisant 10], de vuilniszak had geopend, zag ik een soort beeld liggen. Toen ik nogmaals goed keek, herkende ik het beeld als zijnde de relikwie de monstrans, die op televisie was getoond en welke met geweld was meegenomen vanuit een museum te Utrecht. Het beeld is in genoemde vuilniszak overgebracht naar de politie te Utrecht,
17. Het in de wettelijke vorm door verbalisant [verbalisant 3], brigadier van politie, opgemaakt proces-verbaal sporenonderzoek, genummerd PL0981 2013 022772-117, gedateerd 16 mei 2013, dossierpagina 683-685, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:
Op 14 mei 2013 werd door mij, verbalisant [verbalisant 3], als forensisch onderzoeker op verzoek van Politie Utrecht een forensisch onderzoek verricht. Tijdens het ingestelde onderzoek werd door mij het navolgende bevonden en waargenomen. Het goed wat aangeboden werd voor een vervolgonderzoek betrof de verpakking waarmee het kunstobject, de monstrans, door aangehouden verdachten met zich gevoerd werd. Ik ontving deze verpakking verpakt in een papieren zak en gewaarmerkt met kennisgeving van inbeslagneming onder goednummer PL091A-2013022772-843365. In de papieren zak trof ik in totaal drie vuilniszakken aan. De vuilniszakken werden door mij als een geheel onderzocht op de aanwezigheid van dactyloscopische sporen. De volgende dactysporen werden veiliggesteld:
Spoor: 47646
SIN: AAGB4957NL
Wijze veiligstellen: op drager
Tijdstip veiligstellen: 14 mei 2013 om 20.00 uur
Plaats veiligstellen: vuilniszak
Soort: onbekende vinger
Spoor: 47647
SIN: AAGC1132NL
Wijze veiligstellen: op drager
Tijdstip veiligstellen: 14 mei 2013 om 20.00 uur
Plaats veiligstellen: vuilniszak
Soort: onbekende vinger
Spoor: 47648
SIN: AAGC1133NL
Wijze veiligstellen: op drager
Tijdstip veiligstellen: 14 mei 2013 om 20.00 uur
Plaats veiligstellen: vuilniszak
Soort: onbekende vinger
Spoor: 47649
SIN: AAGC1134NL
Wijze veiligstellen: op drager
Tijdstip veiligstellen: 14 mei 2013 om 20.00 uur
Plaats veiligstellen: vuilniszak
Soort: onbekende vinger
En de sporendrager
Goednummer PL091A-2013022772-843365
Object: zak
SIN: AAFX4684NL
Bijzonderheden: verpakking monstrans
18. Het in de wettelijke vorm door verbalisant [verbalisant 11], assistent forensische opsporing, werkzaam bij forensische opsporing politie Utrecht afdeling dactyloscopie, opgemaakt proces-verbaal uitslag sporenonderzoek, genummerd PL0981 2013 022772-141, gedateerd 7 juni 2013, dossierpagina 695, voorzover inhoudende, zakelijk weergegeven:
Op 7 juni 2013 ontving ik, verbalisant [verbalisant 11], assistent forensische opsporing, werkzaam bij forensische opsporing politie Utrecht afdeling dactyloscopie, een uitslag van een dactyloscopisch onderzoek. Door de technisch rechercheur zijn op 16 mei 2013 dactyloscopische sporen aangeboden bij de afdeling Dactyloscopie te Utrecht. Met de sporen is een zoeking ingesteld in het landelijke vinger- en handpalmenadrukkenbestand Havank. Uit het rapport Dactyloscopisch Sporenonderzoek van de KLPD, dienst IPOL, blijkt dat de sporen met SINnummers AAGB4957NL en AAGC1132NL geïdentificeerd zijn op:
Achternaam: [achternaam betrokkene 2]
Voornamen: [voornaam betrokkene 2].
19. Het in de wettelijke vorm door verbalisant [verbalisant 12], brigadier van politie, opgemaakt proces-verbaal uitslag sporenonderzoek, genummerd PL0981 2013 022772-142, gedateerd 7 juni 2013, dossierpagina 700, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:
Op 7 juni 2013 ontving ik, verbalisant [verbalisant 12], dactyloscopisch expert, werkzaam bij de politie Midden-Nederland, een uitslag van een dactyloscopisch onderzoek.
Door de technisch rechercheur is op 16 mei 2013 een dactyloscopisch spoor aangeboden bij de afdeling Dactyloscopie te Utrecht. Met het spoor is een zoeking ingesteld in het landelijke vinger- en handpalmen afdrukkenbestand Havank. Uit het rapport Dactyloscopisch Sporenonderzoek van de KLPD, dienst IPOL, blijkt dat het spoor met SINnummer AAGC1133NL geïdentificeerd is op:
Achternaam: [achternaam medeverdachte 3]
Voornaam: [voornaam medeverdachte 3].
20. Het in de wettelijke vorm door verbalisant [verbalisant 12], brigadier van politie, opgemaakt proces-verbaal uitslag sporenonderzoek, genummerd PL0981 2013 022772-136, gedateerd 28 mei 2013, dossierpagina 692, voorzover inhoudende, zakelijk weergegeven:
Op 28 mei 2013 ontving ik, verbalisant [verbalisant 12], dactyloscopisch expert, werkzaam bij de politie Midden-Nederland, een uitslag van een dactyloscopisch onderzoek.
Door de technisch rechercheur is op 14 mei 2013 een spoor aangetroffen op een vuilniszak, SIN-nummer spoor: AAGC1134NL. Het dactyloscopische spoor is de door de technisch rechercheur aangeboden bij de afdeling Dactyloscopie te Utrecht op 16 mei 2013. Met het spoor is een zoeking ingesteld in het landelijke vinger- en handpalm afdrukkenbestand Havank. Uit het rapport Dactyloscopisch Sporenonderzoek van de KLPD, dienst IPOL, blijkt dat het spoor geïdentificeerd is op:
Achternaam: [achternaam betrokkene 2]
Voornamen: [voornaam betrokkene 2].
21. Het in de wettelijke vorm door verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2], beiden brigadier van politie, opgemaakt proces-verbaal van bevindingen, BVH nummer 2013 022772, gedateerd 11 juni 2013, dossierpagina 275-276, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:
Naar aanleiding van de aanhouding van verdachte [betrokkene 2] op 11 juni 2013 hoorden wij, verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2], de verdachte en brachten hem na het afleggen van zijn verklaring vanaf hoorkamer 7 naar de toegangsdeur van de arrestantenvleugel van het betreffende arrestantencomplex. (...) Bij de deur aangekomen werd er aangebeld en even gewacht op een medewerker van het arrestantencomplex om de verdachte uiteindelijk naar zijn cel te begeleiden. Dit duurde een paar minuten. Op dat moment begon de verdachte [betrokkene 2] te vertellen dat hij alles wist over de kunstroof. Wij hoorden hem zeggen dat hij wist wie er allemaal bij betrokken waren. Ik, [verbalisant 1], vroeg hem wie dat dan waren en wat zij dan hadden gedaan. Wij hoorden verdachte [betrokkene 2]zeggen dat [medeverdachte 3], [betrokkene 3], [verdachte] en [medeverdachte 1] het hadden gedaan. Ik, [verbalisant 1], vroeg vervolgens aan [betrokkene 2] wie wat had gedaan. Wij hoorden [betrokkene 2] daarop zeggen dat [betrokkene 3] en [medeverdachte 1] het museum binnen waren geweest en dat [verdachte] en [medeverdachte 3] buiten hebben staan wachten. Verder vertelde [betrokkene 2] dat hij samen met [medeverdachte 3] in Tie! was geweest om dat ding bij zijn opa en oma op te halen en dat hij toen dat ding op de achterbank had gelegd en dat daarbij mogelijk zijn vingerafdruk op dat ding is gekomen.
22. De verklaring van getuige [verbalisant 2], brigadier van politie, afgelegd ter terechtzitting van het hof van 17 maart 2014, voor zover inhoudende - zakelijk weergegeven -:
Ik kan mij het onderzoek 09Convent13 herinneren. Ook kan ik mij herinneren dat wij [betrokkene 2] in die zaak als verdachte hebben gehoord.
Tijdens zijn verhoor beriep hij zich in eerste instantie op zijn zwijgrecht ten aanzien van zijn betrokkenheid bij de diefstal van de monstrans, maar hij gaf aan dat hij wel "off the record" wilde verklaren. Toen wij met hem naar de cellengang liepen heeft hij uit eigen beweging verklaard dat [medeverdachte 1], [betrokkene 3], [verdachte] en [medeverdachte 3] de kunstroof hebben gepleegd. Deze personen zijn op dit moment in de zittingzaal aanwezig, met uitzondering van [betrokkene 3]. [betrokkene 2] vertelde over de rolverdeling dat [medeverdachte 1] en [betrokkene 3] met de scooter naar het museum zijn gegaan, dat [medeverdachte 1] daar de monstrans heeft weggenomen en dat de rest buiten in de auto wachtte.
23. De verklaring van getuige [verbalisant 2], brigadier van politie, afgelegd ter terechtzitting van het hof van 17 maart 2014, voor zover inhoudende - zakelijk weergegeven -:
Ik kan mij het onderzoek 09Convent13 herinneren. [betrokkene 2] hebben wij in juni 2013 in die zaak als verdachte gehoord. Hij beriep zich voornamelijk op zijn zwijgrecht. Tijdens zijn verhoor in Houten heeft [betrokkene 2] gezegd dat hij liever niet tijdens het verhoor over de zaak wilde verklaren, maar wel "off the record". Hem is toen gezegd dat dat niet mogelijk was.
Na het verhoor heb ik [betrokkene 2] met mijn collega [verbalisant 1] teruggebracht naar het arrestantencomplex. Toen wij daar moesten wachten, heeft [betrokkene 2] het een en ander verklaard met betrekking tot de kunstroof. Hij zei dat [betrokkene 3] en [medeverdachte 1] bij het museum binnen waren geweest en dat [medeverdachte 3] en [verdachte] buiten hebben staan wachten. Voor hetgeen [betrokkene 2] exact heeft verklaard, verwijs ik naar het proces-verbaal van bevindingen dat ik met mijn collega [verbalisant 1] heb opgemaakt.
24. De verklaring van verdachte, afgelegd ter terechtzitting van de rechtbank Midden-Nederland, zittingslocatie Utrecht, van 5 september 2013, voor zover inhoudende - zakelijk weergegeven -:
Ik word in plaats van [verdachte] meestal [verdachte] genoemd.”
7. In het bestreden arrest heeft het Hof met betrekking tot het bewijs overwogen:
“De verdachte en zijn raadsman hebben vrijspraak van het primair en subsidiair tenlastegelegde bepleit bij gebrek aan voldoende wettig en overtuigend bewijs. Daartoe hebben zij onder meer aangevoerd dat het proces-verbaal van bevindingen, waarin de voor verdachte belastende verklaring van [betrokkene 2] van 11 juni 2013 is opgenomen, van het bewijs moet worden uitgesloten, nu [betrokkene 2] die uitlatingen niet heeft bevestigd in latere verhoorsituaties, noch bij de politie, noch ten overstaan van de raadsheer-commissaris.
Voorts is betoogd dat het telefoongesprek tussen verdachte en medeverdachte [medeverdachte 3] op 7 februari 2013 (opgenomen in het dossier op de pagina's 12-24, in het bijzonder op pagina 14), waarin door [medeverdachte 3] onder andere wordt gezegd "ik ben net gebeld 53 meiertjes 54 meiertjes", geen betrekking heeft op de monstrans, maar op een door verzekeringsmaatschappij OHRA uit te keren bedrag in verband met een auto. In dit verband hebben de verdachte en zijn raadsman gewezen op de ter terechtzitting van het hof overgelegde afdruk van het rekeningoverzicht naar opgave van de raadsman van [betrokkene 10], betreffende rekeningnummer [009], op welke rekening op 13 februari 2013 door OHRA Schadeverzekeringen een bedrag van € 5.250,00 is overgeboekt.
Voorwaardelijk, in het geval het hof voornoemd telefoongesprek niettemin voor het bewijs wil gebruiken, is verzocht om het onderzoek te heropenen teneinde te onderzoeken of er voorafgaand aan het telefoongesprek tussen verdachte en medeverdachte [medeverdachte 3] op 7 februari 2013 (opgenomen in het dossier op de pagina's 12-24, in het bijzonder op pagina 14) een telefoongesprek heeft plaatsgevonden met een medewerker van OHRA.
Het hof stelt voorop dat het - in afwijking van de rechtbank - de telefoontap met betrekking tot het telefoongesprek dat verdachte op 7 februari 2013 heeft gevoerd met medeverdachte [medeverdachte 3] (opgenomen in het dossier op de pagina's 12-24, in het bijzonder op pagina 14) niet als bewijsmiddel gebruikt. Het hof komt derhalve niet toe aan de beoordeling van het voorwaardelijk verzoek van de verdediging.
Het hof is van oordeel dat het door en namens verdachte gevoerde verweer strekkende tot vrijspraak van het tenlastegelegde wordt weersproken door de gebezigde bewijsmiddelen, zoals deze later in de eventueel op te maken aanvulling op dit arrest zullen worden opgenomen. Het hof heeft geen reden om aan de juistheid en betrouwbaarheid van de inhoud van die bewijsmiddelen te twijfelen.
Het hof overweegt daarbij in het bijzonder dat [betrokkene 2] tijdens het wachten in het arrestantencomplex op 11 juni 2013 verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2] spontaan heeft meegedeeld, dat hij wist wie de personen waren die betrokken waren geweest bij de diefstal van de monstrans. Hetgeen [betrokkene 2] vervolgens heeft verklaard, is door voornoemde verbalisanten vastgelegd in een op ambtsbelofte opgemaakt proces-verbaal van bevindingen Ter terechtzitting van het hof zijn beide verbalisanten als getuigen gehoord en hebben zij hetgeen is gerelateerd in het proces-verbaal van bevindingen, bevestigd. Het hof heeft geen reden om aan de juistheid en betrouwbaarheid van dit bewijsmiddel te twijfelen, te meer nu hetgeen [betrokkene 2] tegenover hen heeft verklaard, bevestiging vindt in de overige door het hof gebruikte bewijsmiddelen.
Anders dan de rechtbank komt het hof tot het oordeel dat, gezien de rol die verdachte heeft vervuld, ook bij hem sprake is van het medeplegen van de tenlastegelegde diefstal door middel van braak.”
8. De voornaamste klacht betreft het oordeel van het Hof dat de vastgestelde feiten en omstandigheden voldoende zijn voor het bewijs van medeplegen nu het Hof niet meer heeft overwogen dan dat het medeplegen wordt aangenomen op basis van ‘de rol die verdachte heeft vervuld’ en het medeplegen niet uit de gebezigde bewijsmiddelen volgt.
9. In zijn arrest van 2 december 2014, ECLI:NL:HR:2014:3474 overwoog de Hoge Raad:
“3.1 De art. 47 tot en met 51 Sr bieden diverse mogelijkheden om iemand, ook als hij niet zelf de gehele delictsomschrijving vervult - al dan niet in zogenoemd functionele vorm - onder specifieke voorwaarden strafrechtelijk aansprakelijk te stellen voor zijn betrokkenheid bij een strafbaar feit. In het geval van medeplegen houden de voorwaarden voor aansprakelijkstelling vooral in dat sprake moet zijn geweest van een voldoende nauwe en bewuste samenwerking met een ander of anderen. (Vgl. HR 24 mei 2011, ECLI:NL:HR:2011:BP6581, NJ 2011/481). Het accent ligt daarbij op de samenwerking en minder op de vraag wie welke feitelijke handelingen heeft verricht. (Vgl. HR 6 juli 2004, ECLI:NL:HR:2004: AO9905, NJ 2004/443).
In de praktijk is een belangrijke en moeilijke vraag wanneer de samenwerking zo nauw en bewust is geweest dat van medeplegen mag worden gesproken. Die vraag laat zich niet in algemene zin beantwoorden, maar vergt een beoordeling van de concrete omstandigheden van het geval. Algemene regels kunnen daarom dienaangaande niet worden gegeven. Wel kan de Hoge Raad met betrekking tot dit thema, mede gelet op zijn eerdere rechtspraak, enige aandachtspunten formuleren.
3.2.1. De kwalificatie medeplegen is slechts dan gerechtvaardigd als de bewezenverklaarde - intellectuele en/of materiële - bijdrage aan het delict van de verdachte van voldoende gewicht is. Dat geldt in vergelijkbare zin indien het medeplegen - bijvoorbeeld in de vorm van "in vereniging" - een bestanddeel vormt van de delictsomschrijving.
Dat de kwalificatie medeplegen gerechtvaardigd moet zijn, is mede van belang omdat het in dit verband vaak gaat om de vraag: medeplegen dan wel medeplichtigheid aan een strafbaar feit. Medeplichtigheid is alleen strafbaar in geval van misdrijf. Verder kent medeplichtigheid een beduidend lager strafmaximum (art. 49, eerste lid, Sr). Medeplegen daarentegen levert regelmatig een wettelijke strafverzwaringsgrond op (zie bijvoorbeeld art. 311, eerste lid onder 4, Sr). Waar het verwijt bij medeplegen zich concentreert op het gewicht van de intellectuele en/of materiële bijdrage aan het delict van de verdachte, is het kernverwijt bij medeplichtigheid "het bevorderen en/of vergemakkelijken van een door een ander begaan misdrijf" (vgl. HR 22 maart 2011, ECLI:NL:HR:2011:BO2629, NJ 2011/341). Voor het gewicht van de rol van de medepleger in de zin van art. 47 Sr kan ook worden gewezen op art. 141, eerste lid, Sr. Het daar strafbaar gestelde "in vereniging plegen" van geweld eist dat de verdachte "een voldoende significante of wezenlijke bijdrage aan het geweld" heeft geleverd, zij het dat deze bijdrage zelf niet van gewelddadige aard behoeft te zijn geweest. (Vgl. bijvoorbeeld HR 2 juli 2013, ECLI:NL:HR: 2013:132, NJ 2013/407).
3.2.2. Een en ander brengt mee dat indien het tenlastegelegde medeplegen in de kern niet bestaat uit een gezamenlijke uitvoering, maar uit gedragingen die met medeplichtigheid in verband plegen te worden gebracht (zoals het verstrekken van inlichtingen, op de uitkijk staan, helpen bij de vlucht), op de rechter de taak rust om in het geval dat hij toch tot een bewezenverklaring van het medeplegen komt, in de bewijsvoering - dus in de bewijsmiddelen en zo nodig in een afzonderlijke bewijsoverweging - dat medeplegen nauwkeurig te motiveren. Bij de vorming van zijn oordeel dat sprake is van de voor medeplegen vereiste nauwe en bewuste samenwerking, kan de rechter rekening houden met onder meer de intensiteit van de samenwerking, de onderlinge taakverdeling, de rol in de voorbereiding, de uitvoering of de afhandeling van het delict en het belang van de rol van de verdachte, diens aanwezigheid op belangrijke momenten en het zich niet terugtrekken op een daartoe geëigend tijdstip. Daarbij verdient overigens opmerking dat aan het zich niet distantiëren op zichzelf geen grote betekenis toekomt. Het gaat er immers om dat de verdachte een wezenlijke bijdrage moet hebben geleverd aan het delict. In dit verband valt te wijzen op bijvoorbeeld HR 22 december 2009, ECLI:NL:HR:2009: BK3356, NJ 2010/193 waarin ten aanzien van het medeplegen van een vernieling werd overwogen "dat het louter aanwezig zijn bij en zich niet distantiëren van een door een ander gepleegde vernieling, alsmede het louter instemmen met die vernieling, ieder voor zich en in onderlinge samenhang bezien daarvoor onvoldoende zijn", alsmede HR 3 juni 2014, ECLI:NL: HR:2014:1307 inzake diefstal door twee of meer verenigde personen waarin onvoldoende werd bevonden de enkele vaststelling "dat de verdachte een vluchtmogelijkheid heeft gefaciliteerd en dat het niet anders kan zijn dan dat over het verschaffen van deze vluchtmogelijkheid van te voren door de verdachte en zijn mededaders afspraken zijn gemaakt".
3.3.1 Er bestaat geen precieze afgrenzing tussen medeplegen en de andere deelnemingsvormen. Dat neemt niet weg dat wanneer medeplegen wordt tenlastegelegd, dit medeplegen moet worden beoordeeld aan de hand van de voor medeplegen geldende maatstaven. Het gebruikmaken van aan andere deelnemingsvormen ontleende begrippen of constructies kan de bewijsvoering voor medeplegen compliceren en verdient daarom in zulke gevallen geen aanbeveling. (Vgl. HR 18 december 2012, ECLI:NL:HR: 2012:BX5140 en HR 1 juli 2014, ECLI:NL:HR:2014:1593, in welke zaken het medeplegen door het hof was bewezenverklaard aan de hand van criteria voor het zogenoemde functionele daderschap). Het valt overigens op dat het openbaar ministerie bij het tenlasteleggen van commune en andere niet-economische strafbare feiten - in vergelijking met economische delicten - vaker gebruik lijkt te maken van (soms ingewikkelde) deelnemingsconstructies dan van het meer geëigend lijkende functionele daderschap. (Vgl. HR 24 mei 2011, ECLI:NL:HR:2011:BP6581, NJ 2011/481 met betrekking tot de verkoop van hennepplanten door de eigenaar van een growshop).
3.3.2. Het ontbreken van een precieze afgrenzing tussen medeplegen en de andere deelnemingsvormen brengt mee dat het openbaar ministerie in voorkomende gevallen er goed aan doet de rechter een keuzemogelijkheid te bieden door daarop toegesneden varianten in de tenlastelegging op te nemen. Als het openbaar ministerie evenwel om hem moverende redenen uitsluitend het medeplegen en niet ook de medeplichtigheid heeft tenlastegelegd, moet de rechter vrijspreken indien het medeplegen niet kan worden bewezen, ook al zou vaststaan dat de verdachte medeplichtig was aan het feit.”
10. In eerste aanleg is verdachte door de Rechtbank vrijgesproken van het primair tenlastegelegde medeplegen van gekwalificeerde diefstal omdat “er weliswaar aanwijzingen zijn dat verdachte betrokken is bij de diefstal, maar voor de conclusie dat hij zich aan diefstal schuldig heeft gemaakt geen wettig en overtuigend bewijs voorhanden is”. De Rechtbank heeft de betrokkenheid van de verdachte gekwalificeerd als opzetheling. Het Hof heeft, zoals hiervoor onder 4 weergegeven, verdachte “gezien de rol die hij heeft vervuld” wel veroordeeld voor het medeplegen van gekwalificeerde diefstal. De vraag die beantwoord moet worden is of uit de inhoud van de bewijsmiddelen en de overwegingen van het Hof kan worden afgeleid, dat verdachte zo bewust en nauw heeft samengewerkt dat van medeplegen van de bewezenverklaarde diefstal met braak kan worden gesproken. Het Hof heeft in zijn nadere bewijsoverweging niet nader uiteengezet welke uitvoeringshandelingen verdachte heeft verricht. Daarvoor moeten de door het Hof gebezigde bewijsmiddelen uitkomst bieden. Reeds daarom is dit een lastige zaak.
11. De bewijsmiddelen die van belang kunnen zijn voor de rol van verdachte zijn:
- (bewijsmiddel 3 en 4): een DNA spoor van verdachte op een gebitsbeschermer aangetroffen in een door de overvaller achtergelaten tas;
- (bewijsmiddel 5): een telefoonnummer in gebruik bij verdachte straalt op de middag van de overval tussen 12.00 uur en 17.00 uur de mastlocatie Cremerplein 1 Utrecht aan; die avond straalt zijn toestel twee maal de grootouders van [medeverdachte 3] aan en de volgende middag nog een keer;
- (bewijsmiddel 6 en 7): uit een op 12 februari 2013 gevoerd telefoongesprek blijkt dat verdachte (heftig) reageert op een aankondiging dat er de volgende dag beelden op de televisie worden getoond van de kunstroof;
- (bewijsmiddel 10): uit een op 13 februari 2013 gevoerd telefoongesprek blijkt dat verdachte de auto nodig heeft, dat het heel belangrijk is en dat hij naar iemand toe moet om te praten;
- (bewijsmiddelen 11 t/m 20): uit de bewijsmiddelen blijkt samengevat en in onderling verband en samenhang beschouwd voor zover van belang voor de rol van verdachte dat hij de monstrans op 13 februari 2013 in tenminste één auto en mogelijk twee (verschillende) auto’s heeft vervoerd;
- (bewijsmiddelen 21 t/m 24): het relaas van verbalisanten houdt in dat [betrokkene 2] heeft verteld dat [medeverdachte 3], [betrokkene 3], verdachte en [medeverdachte 1] de kunstroof hebben gepleegd en dat verdachte en [medeverdachte 3] buiten hebben staan wachten.
12. Blijkt nu uit deze bewijsmiddelen die relevant zijn voor de rol van verdachte van enige uitvoeringshandeling van de bewezenverklaarde diefstal? In zijn overwegingen wijst het Hof erop dat verdachte gezien de rol die hij heeft vervuld als medepleger van de gekwalificeerde diefstal moet worden aangemerkt. Deze rol wordt door het Hof niet nader gespecificeerd. Gelet daarop is mij voor zover verdachte een rol heeft vervuld niet duidelijk of het Hof doelt op enige rol bij uitvoering van de diefstal en zo ja, welke rol dat dan is. Het komt mij voor dat de mededeling van [betrokkene 2] tegenover de verbalisanten dat verdachte het feit heeft gepleegd zonder ontbrekende toelichting niet anders kan worden gelezen dan dat daarmee is bedoeld dat verdachte buiten heeft staan wachten tijdens de roof. Als het Hof daarin een uitvoeringshandeling wenst te zien, zou in redelijkheid kunnen worden verwacht dat het Hof bijvoorbeeld toelicht waarom dat niet anders kan betekenen dan dat er sprake is geweest van een voorafgaande afspraak om te wachten. Dat zou een aanwijzing kunnen opleveren voor nauwe samenwerking.
13. Uit de bewijsmiddelen komt zonder meer naar voren dat verdachte een rol anders dan bij de daadwerkelijke uitvoering van de diefstal heeft gespeeld. Ook zonder een uitvoeringshandeling kan er sprake zijn van medeplegen. In een dergelijk geval moet echter, al dan niet door een afzonderlijke toelichting, duidelijk zijn waaruit de nauwe en bewuste samenwerking voor of tijdens het delict blijkt. Die nauwe en bewuste samenwerking moet dan mijns inziens dominant zijn zodat deze het gebrek aan daadwerkelijke uitvoering kan compenseren. Te denken valt bijvoorbeeld aan voorafgaande planning van de uitvoering (gemaakte afspraken, een taakverdeling) of een belangrijke daadwerkelijke facilitering ten tijde van het begaan van de diefstal die op zichzelf nog geen uitvoering is. Uit de bewijsmiddelen vloeit geen daadwerkelijke compensatie van het ontbreken van een uitvoeringshandeling voort en ieder nadere toelichting van de kant van het Hof ontbreekt. De motivering van het medeplegen is daarmee mijns inziens ontoereikend.
14. Het voorgaande betekent dat het bewezenverklaarde medeplegen niet uit de gebezigde bewijsmiddelen kan worden afgeleid.
15. Het middel slaagt.
16. Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van het bestreden arrest behoren te leiden.
17. Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden uitspraak en terugwijzing van de zaak naar het Hof, teneinde deze op het bestaande beroep opnieuw te berechten en af te doen.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG